Over Urbanisme

De trein is pas smart

Sinds drie maanden woon ik vlakbij mijn werk. Niet omdat ik een nieuwe baan heb, of omdat ik ben verhuisd, maar omdat ik mijn leaseauto heb ingeruild voor de trein. Dat heeft nadelen. Maar aangezien we in Nederland het beste OV-systeem van Europa hebben én een wegennet dat langzaam dichtslibt, wegen die ruimschoots op tegen de files. Ik beweeg meer, zie meer van de stad en kom beter uitgerust aan op de plaats van bestemming.

Maar het grootste voordeel is dat reistijd niet meer bestaat. De tijd in de trein is werktijd. Vertragingen zijn extra werktijd. De bus een mini-werkplek. De fiets een workout. Als ik moet staan, dat is soms, lees ik een boek.

Er is een ratrace gaande tussen steden wie de smartste city is. Maar de echte innovatie vindt ongemerkt plaats op het spoor, waar de waarde van reistijd veel hoger is geworden dan op de weg. En dat laat afstand verdwijnen.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

De Omgevingswet is Stratego

In de Memorie van Toelichting op de Omgevingswet staat vijftig keer het woord ‘vertrouwen’. Zo vaak dat je het niet meer vertrouwt. Je kan ook te graag zeggen dat je van iemand houdt.
Vertrouwen wordt hier verward met ‘het zich verplaatsen in de ander’. Dat is belangrijk de liefde, maar ook in tijden van oorlog. De beste generaals weten eerder wat hun tegenstander doet, dan de tegenstander zelf. De Omgevingswet dwingt ons om samen te werken met organisaties en mensen die we niet kennen en niet begrijpen. Nu, voor de grote wetsfusie, is dat formeel geregeld en krijgt iedereen op tijd de gelegenheid om zijn zegje te doen. Als straks de wet er is ligt veel meer open, beslist de raad en sta je zomaar buitenspel. Tenzij je de ander te slim af bent, meelift op zijn belang of juist een hak zet. Wie goed is in Stratego, is goed in de Omgevingswet.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme
Lees meer blogs over Urbanisme

Beheerders zijn niet sexy

In Binnenlands Bestuur lees ik een gloedvol betoog van Wiebe Oosterhoff om beheer sexy te maken. Het is niet de eerste keer dat hiertoe wordt opgeroepen. Ik hoop wel de laatste keer, want het is een onzinnige oproep die afleidt van de echte opgave: nieuwe antwoorden geven op de stedelijke vraagstukken. De sleutel daartoe ligt niet bij beheerders, maar bij ontwerpers en bestuurders.

In zijn artikel geeft Oosterhoff trouwens een prima analyse van de noodzaak van goed beheer. De druk op de stad neemt toe, de (klimaat)omstandigheden veranderen, technologie schrijdt voort. Bovendien hebben veel overheden vrij rücksichtslos bezuinigd op de openbare ruimte, waardoor die vaak allang niet zo mooi meer is als Oosterhoff beschrijft. Jammer, want de openbare ruimte is core business van de gemeente. Maar dat wil niet zeggen dat de sleutel naar de transitie bij beheerders ligt, zoals Oosterhoff stelt. Want:

  1. Een transitie maakt dingen kapot – Het hele idee van een transitie is dat bestaande patronen veranderen. Kapot worden gemaakt. Opnieuw worden opgebouwd. Dat staat haaks op ‘beheer’, dat gaat over het in stand houden van de bestaande situatie. Je kunt dus moeilijk van beheerders verwachten dat ze een transitie op gang zetten.
  2. Technologie biedt nieuwe kansen – De grootste nieuwe kans die smart-city-technologie en big-data ons biedt is dat we opnieuw nadenken over hoe de stad functioneert. Welke vragen hebben we en hoe lossen we die nu op? Nu het anders kan. Dat is een ontwerpopgave die kan leiden tot nieuwe vormen van beheer. Dat is allemaal net begonnen. En een taak van ontwerpers en buitenstaanders.
  3. Transitie (door technologie) is vaak ongrijpbaar – Het bedrijf OBike startte in januari in Singapore en rolt nu razendsnel uit over de hele wereld. De vraag aan de lokale overheid is niet wát je daar van vindt, maar hoe je überhaupt razendsnel bepaalt wát je er van kan en moet vinden. Werk van bestuurders en hun adviseurs.

De stedelijke opgave is enorm. En spannend. De stad verandert terwijl we erin leven, kijk goed om je heen en je ziet het. Alsof de lente aanbreekt en er overal bloemen uit de grond komen. Dat is mooi en bedreigend tegelijkertijd, want naast bloempjes, tiert ook het onkruid welig. Daarbij is iedereen nodig en slimme ontwerpers en bestuurders luisteren goed naar beheerders en gebruiken hun kennis en ervaring. Maar de verantwoordelijkheid bij beheerders leggen, is niet eerlijk. Het is domweg niet hun rol. Ze zijn beheerder. En dus niet sexy. Trouwens, waarom moet dat ook? Waarom moeten beheerders sexy zijn en uit hun schulp kruipen? Wat is er mis met ingetogenheid? Beheerders zijn niet sexy, dan waren ze wel ontwerper geworden. Of bestuurder.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Geachte nieuwe minister voor ruimtelijke ordening,

De stad verandert radicaal, kom met een visie

Ergens loopt u zich al warm. Over een paar maanden treedt u aan en bent u verantwoordelijk voor hoe ons land er in de toekomst uitziet. Want u gaat de Nationale Omgevingsvisie opstellen en door de Tweede Kamer loodsen. U wordt de eerste minister in tijden die een visie heeft op ruimtelijke ordening.
Wij hebben een verzoek voor u: zorg ervoor dat dat de eerste visie is die rekening houdt met de datalaag die over ons land ligt. De laag die ervoor zorgt dat wij altijd met elkaar verbonden zijn en ook met tal van sensoren om ons heen. De laag die data meet, doorgeeft, analyseert en interpreteert. En die er zo voor zorgt dat het functioneren van onze steden op dit moment radicaal verandert. Een verandering die net zo groot is als de invoering van elektriciteit en de auto een eeuw geleden.

Dat wordt soms smart-city genoemd, maar de implicaties gaan veel verder. We moeten niet alleen focussen op techniek, maar op de manier waarop we in de toekomst samenleven en hoe dat verandert. Techniek is geen doel op zich, maar een onvermijdelijke gamechanger.

De verandering is samen te vatten in drie uitgangspunten:
1) We zijn altijd verbonden met alles en iedereen
Het maakt het niet meer uit of we ergens fysiek aanwezig zijn. Via onze telefoon (of andere apparaten) hebben we overal toegang tot alle informatie en kunnen we real time weten wat er ergens anders op de wereld gebeurt.
2) Dat maakt ons ongekend flexibel
We kunnen overal werken, winkelen, spreken met onze geliefden en ons vermaken. Dat maakt ons leven efficiënt en ongeordend tegelijk. We werken terwijl we in de trein zitten, zoeken de precieze locatie op als we er ongeveer zijn, appen elkaar als we het toch niet kunnen vinden. We kunnen alles altijd en overal.
3) Dat maakt betekenisvolle plaatsen nog belangrijker
Als we alles overal kunnen doen, waar willen we dan zijn? Op plekken waar we ons prettig voelen. We moeten nergens meer zijn, dus kiezen we voor beleving, voor toegevoegde waarde, voor betekenis.

Deze drie uitgangspunten veranderen alles in de stad. De manier waarop we wonen, werken, winkelen, recreëren, naar film gaan, spelen, energie opwekken, producten maken, oud worden en jong zijn. Het zorgt ervoor dat we op nieuwe manieren met elkaar samenleven. Het biedt prachtige kansen, maar brengt ook nieuwe problemen met zich mee. Het leidt tot stress, eenzaamheid en uitsluiting. Kortom, de datalaag stelt ons niet alleen voor technische vragen, maar voor maatschappelijke uitdagingen en dilemma’s. En dus moeten we die laag ontwerpen, inrichten en naar onze hand zetten. Zoals we dat met alles in onze steden doen.

Geachte nieuwe minister van ruimtelijke ordening,
Net als in het oude Rome, de Hanzesteden of de steden uit de Gouden Eeuw, zijn onze steden plaatsen waar we de leefkwaliteit te realiseren die economische en persoonlijke ontplooiing mogelijk maakt. Dat verandert niet.
Het is de manier waarop we welvaart en welzijn realiseren die radicaal verandert. En wij vragen u een visie te schrijven die dat als uitgangspunt neemt. Alleen dan krijgen we slimme, toekomstbestendige steden en samenlevingen. En dan is uw visie op de ruimtelijke ordening niet alleen de eerste visie van de nieuwe eeuw, maar ook van het nieuwe tijdperk waarin we leven.

Leon Hendriks, managing partner Aerovision
Arjen Hof, directeur Civity
Michiel de Lange, onderzoeker digitalisering van steden, Universiteit Utrecht
Frank Kresin, managing director DesignLab UTwente
Sebastiaan Palm, partner bij Marxman Advocaten
Jan-Willem Wesselink, hoofdlaborant Kennislab voor Urbanisme
Jos van Winkel, stadsstrateeg gemeente Amersfoort

Gemeente: wees slim, wordt niet smart

Als je een probleem hebt, vraag je je af waarom niet gebeurt wat je wilt, en dan nog een keer en nog een keer. Je stelt net zolang de waaromvraag tot je snapt wat je probleem echt is en dan los je het op. Succes gegarandeerd. Tenzij de oplossing niet te realiseren is, maar dan weet je dat ook.

Een andere manier is dat iemand naar je komt en zegt: ‘Jij hebt een probleem, ik heb de oplossing.’ Dat klinkt een stuk aantrekkelijker. Gaat lekker snel en dat is, zeker als je het druk hebt, prettig. Maar je hebt er niets aan. Want als je je probleem niet snapt, heb je geen oplossing nodig. Zonder de waarom, heb je niets aan de wat.

Toch gebeurt het vaak. Zeker als het probleem technisch lijkt. Zo’n 15 jaar geleden werden er bijvoorbeeld overal cursussen schrijven-voor-internet verkocht. Alsof er op internet geen Nederlands werd gesproken. Daar trapten mensen in die daar leerden dat ze korte zinnen moesten gebruiken, niet te veel moeilijke woorden en op de doelgroep moesten letten. Allemaal dingen die altijd al golden. Bij elke tekst.

Nu het internet de stad verandert, zie je dezelfde verkooptrucs. Gemeenten kunnen leren wat ze met hun data kunnen doen. Gemeenten kunnen leren hoe ze smart kunnen worden. En als je als gemeente denkt dat je een Smart City bent, kun je een Smart City 2.0 worden. Enzovoort. Het is schrijven-voor-internet, maar dan voor smart cities.

Ondertussen heeft het internet het communicatievak en de journalistiek radicaal verandert. Maar die cursus schrijven-voor-internet hielp daar niet echt bij. Wat er wel gebeurde: nieuws ging online en werd real-time. Kranten werden opiniebladen. Opiniebladen gingen failliet. Of bijna. Via social-media werd iedereen journalist en ontstond fake-nieuws. Wat weer nieuwe nieuwsbronnen als de Correspondent opleverde, omdat er wel behoefte was aan goede achtergrondverhalen.

Hetzelfde gebeurt in de stad. Slimme steden vragen zich niet af wat ze met hun data kunnen doen, maar wat hun functie is. En welke problemen ze moeten oplossen om die functie optimaal te kunnen vervullen. Steeds vaker is (open) data daarbij een nieuw, handig hulpmiddel. Soms is die data aanwezig, soms moet die worden verzameld. Maar net zo gemakkelijk speelt data ook geen enkele rol. De stad is geen verzameling data, maar een verzameling mensen die het naar de zin willen hebben.

Smart om het smart is als de cursus schrijven-voor-internet. Je denkt dat je wat leert, maar je wordt er niet slimmer van.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Je zal maar in Amsterdam moeten wonen

Er was een tijd dat ik er van droomde in Amsterdam te wonen. Amsterdammer zijn, het leek me prachtig. Leven in een bruisende metropool, de Nederlandse versie van de ‘City that never sleeps’, vol met rare, eigenwijze mensen die je van je sokken fietsten. En er was altijd wel iets aan de hand. Een ontruiming. Of een rel. Of een liquidatie. Een echte stad.

Het werd Deventer.

Gelukkig maar. Want het blijkt dat ik aan de hel ben ontsnapt. Als ik alle berichten in de (sociale) media mag geloven, is Amsterdam namelijk helemaal niet leuk. In Amsterdam heb je toeristen, het hele jaar door. Die slapen in huizen van andere mensen en hebben plezier. Ze lopen met z’n allen met rolkoffers door de stad en dat maakt kabaal. Dat doen Amsterdammers niet. Die gaan niet op vakantie. Want ze wonen al in Amsterdam.

Je hebt in Amsterdam ook winkels. Veel winkels. Daar verkopen ze soms maar één product, zoals Nutella. Handig als je daar zin in hebt. En toeristen vinden dat ook leuk. In al die winkels werken mensen en soms praten die alleen maar Engels. Dat komt denk ik omdat er in Amsterdam veel mensen uit andere landen wonen en werken en die kunnen niet allemaal Nederlands. Dat is natuurlijk heel onhandig voor Amsterdammers die Nutella willen en de Engelse taal niet machtig zijn. Wat op zich te begrijpen is, want veel Amsterdammers komen nooit buiten Amsterdam. Ze wonen namelijk in Amsterdam.

Als er in Amsterdam een winkelpand leeg staat, dan komt daar zomaar een andere winkel in, een wonderlijk fenomeen dat je in de rest van Nederland niet ziet. Maar voor Amsterdammers is het niet fijn, want zo hebben ze nooit eens een rustig gapend gat in hun winkelstraat en het blijft druk.

Maar dat is niet alles. De huizenprijzen in Amsterdam stijgen ook nog eens harder dan in de rest van Nederland. Waar in Deventer de huizen nog steeds minder waard zijn dan voor de crisis, kunnen Amsterdammers alleen al van de waardestijging sinds 2015, twee huizen kopen. In Deventer. Maar dat is natuurlijk niet prettig, want de OZB stijgt mee. En de prijzen blijven maar stijgen, want steeds meer rijke, goedopgeleide mensen willen in Amsterdam wonen en die zorgen ervoor dat er werkgelegenheid naar de stad komt, nog meer winkels en voorzieningen, nog meer welvaart, maar ook nog duurdere huizen. Dat allemaal is voor de echte Amsterdammers natuurlijk helemaal niet leuk.

Nee, ik ben blij dat dit noodlot mij bespaard is gebleven. Dat ik woon in een stad zonder bierfietsen, AirBnB, volle parken, koffiebarretjes met handgeschreven menukaarten, sightseeingbussen, schommels aan hoge gebouwen, cruiseschepen, hipsters en kampioensfeesten. En ik heb te doen met die meer dan een miljoen mensen die in de ellende zitten.

Sterkte.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Stop met MijnDit en MijnDat, stuur echte post

Tot een paar jaar geleden kreeg ik van elke officiële instantie post. Bankafschriften, energierekeningen, waterverbruik, zorgverzekering, hypotheekoverzicht. Ik vond dat handig. Ik deed dat in mappen en had overzicht. Of in ieder geval dat gevoel. Mijn wereld stond overzichtelijk in mijn boekenkast. Netjes in mappen gerangschikt op onderwerp.

Die tijd is voorbij. Geen instantie stuurt meer post of mail. Als ik wil weten hoeveel ik op mijn bank heb, hoeveel energie ik heb verbruikt, of water, hoe ik ben verzekerd, of hoe mijn hypotheek er bij staat, moet ik inloggen bij de instantie die daar over gaat. Die soms zomaar een nieuwe naam hebben. Waar ik vast wel een mailtje van heb gehad. Dat klinkt handig, maar ik dat blijkt het niet te zijn. Want ik ben mijn overzicht kwijt. Mijn boekenkast vol mappen is niets meer waard.

De smart city wordt steeds meer een virtuele city. En daar moet ik blijkbaar ook virtuele kasten in bouwen. Waarbij elke map zijn eigen sleutel heeft. Digid, MijnOverheid, MijnBelastingdienst, mijn dit en mijn dat. Niets werkt hetzelfde. Niets is echt handig. Niets bestaat echt. Als mijn energiebedrijf met terugwerkende kracht mijn verbruik wil opschroeven, dan kan dat. Ik heb geen bewijs. Als mijn bank gehackt wordt en mijn saldo opeens op nul staat, moet ik het maar zien te bewijzen.

Ik vind dat soms eng. En altijd onhandig. En ik ben dan nog zogenaamd hoger opgeleid, dagelijks met het onderwerp bezig en niet bang voor nieuwe ontwikkelingen.

Je ziet wel eens programma’s op tv van mensen met dozen vol rekeningen en andere administratie. Hoe redden die zich in deze nieuwe wereld? En mag je van al die instanties niet gewoon verwachten dat ze normaal met je communiceren. En zich niet onder het mom van gemak in hun eigen virtuele glaspaleis verstoppen?

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Ik wil geen rationele politiek

Moeten kiezers een verstandige keuze maken op 15 maart? Als het aan informaticus en simulatie-expert Peter Sloot ligt wel. ‘Het probleem is dat de kiezers niet rationeel tewerk gaan. Daar valt veel te verbeteren’, zegt hij in een stuk in de Volkskrant. Peter Sloot is een slimme man. Hij is wetenschappelijk directeur van het nieuwe Institute for Advanced Study in Amsterdam. Hij werkt de helft van zijn tijd aan de universiteit van Singapore.

Ik weet dat in de krant van vandaag morgen de vis wordt verpakt. Ik weet ook dat Peter Sloot zijn gedachten vast nuanceert als je doorvraagt. Dat als je een uurtje met hem praat, je het misschien zelfs wel met hem eens wordt. En toch maakt het me bang. Het gaat namelijk om de achterliggende gedachte dat in een democratie of zelfs in het leven altijd de beste beslissing moet worden gemaakt. Wat niet zo is. En ook niet zo moet zijn.

rationele politiek

Het is de denkfout die veel technerds maken als ze naar de toekomst van bijvoorbeeld de stad kijken: we nemen altijd de beste, eerlijkste beslissing. Zoals een computer. 1 of 0. Daarom geloven ze ook in heilzame werking van kunstmatige intelligentie. Want robots zijn altijd eerlijk. Het is echter de vraag of je dat wil én of het werkt. Ik twijfel daarover. Kijk naar het verkeer. Dat functioneert alleen omdat we niet bang zijn om af en toe de regels te overtreden. Om iets eerder in te voegen dan mag of om iets harder te rijden dan nodig om zo een aanrijding te voorkomen. Het is zo een suboptimaal functionerend systeem. Ook in een democratie maken we suboptimale beslissingen. Dat noemen we dan een compromis. Of pragmatisme.

Ik word daar gelukkig van. Het geeft me ruimte om onzinnige dingen te doen. Want dat maakt me zo bang in de manier waarop Peter Sloot en de zijnen denken. Dat we alleen gelukkig worden in een wereld waarin alles rationeel goed geregeld is. Dat wil ik niet. Ik wil ook irrationele, onzinnige, emotionele en nutteloze dingen kunnen doen. Een biertje te veel drinken, flink schreeuwen in het stadion, tijd verlummelen, een avond Netflixen, een slecht boek lezen. Ik word daar gelukkig van.

En ik wil een democratie met politici die het ook niet altijd weten. Die emotionele keuzes durven maken. Hoe spannend dat soms ook is. Ik hou van de rommelige chaos van onze democratie en ik hoop dat iedereen op 15 maart gaat stemmen. Het liefst op gevoel.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

En wat is je omgevingsmissie?

Vanaf 1 maart gaan wij weer met een groep jongprofessionals aan de slag met de Omgevingswet en het omgevingsveiligheidsbeleid. We vragen de deelnemers in drie dagen een omgevingsvisie te schrijven voor het gebied rondom Sas van Gent (in de gemeente Terneuzen) en daarbij moeten ze rekening houden met de nieuwe Zeesluis en de Vlaamse buren. Leuker konden we niet maken…

Maar wat we krijgen is natuurlijk geen omgevingsvisie. Althans, er komt niet een doorwrocht boekwerkje uit, waarin precies is beschreven hoe Sas van Gent zich verder zou moeten ontwikkelen. Dat kan helemaal niet in drie dagen. En dat willen we ook niet.  Wat we wel hopen te krijgen is een omgevingsmissie. Een Leitmotiv dat als uitgangspunt kan dienen voor elke stap die voortaan gezet wordt bij de ontwikkeling van Sas van Gent. Zoals een bladformule de inhoud van een tijdschrift bepaalt en de waardepropositie de basis is van een businessmodel, zo mag de omgevingsmissie de drager zijn van de ‘omgevingsontwikkelingen’ van Sas van Gent.

Er wordt op dit moment bij veel gemeenten en andere overheden gewerkt aan de omgevingswet en menige gemeente claimt de eerste te zijn met een omgevingsvisie. Dat is mooi. Eerlijk is eerlijk, ik lees niet al die stukken. Maar ik hoop dat die gemeenten vooral veel tijd hebben gestopt in hun missie. Wat willen ze zijn? Waar staan ze voor? Wat is hun identiteit? Waarop onderscheiden ze zich van andere gemeenten? En dat in maximaal 300 woorden (de lengte van deze blog), maar liever nog: op een tegeltje aan de muur. Op te hangen in de kamer van iedereen die de missie doorvertaalt naar een omgevingsvisie en uiteindelijk een omgevingsplan. Tot aan de volgende verkiezingen. Want dan staat alles ter discussie. En dus ook de omgevingsmissie.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Gebiedsgedoe en 41 andere nieuwe namen voor Ruimtelijke Ordening

Er werden maar liefst 42 nieuwe namen bedacht voor ruimtelijke ordening. En bovendien leidde het tot heel veel mooie discussies over ons vak. En dat was natuurlijk de echte bedoeling. Zoals beloofd was er geen jury, geen criteria, maar wel een prijs (een jaarabonnement op ROMagazine) en mag er over verder worden gediscussieerd.

Wat opvalt is dat een deel van de ingezonden namen zich slim aanpast aan de nieuwe tijd en het woord ruimte vervangt door omgeving. Het zijn de realisten. Die voor neutrale namen kiezen. Net als de inzenders van ruimtelijke ontwikkeling of ruimtelijke behoud. Minder neutraal zijn de leefbaarheidsnamen. En de namen met het woord wereld erin. Die streven openlijk naar een verbetering. Met wereldvergaderdoen als mooi voorbeeld. Chaethiek is ook mooi, omdat het chaos en ethiek combineert. Of syncers, wat volgens inzender Jan-Peter Mout mensen zijn die behendig in het spanningsveld tussen chaos en orde kunnen bewegen.

De leukste inzending vond ik gebiedsgedoe, omdat dat je vaak wel denkt. Maar die wint niet, al is het maar omdat inzender Laurens van Voorst zelf al aangeeft dat ‘dit hem niet gaat worden.’ 4d-kijken (van Els van Snick) vind is de meest poëtische, door het tijdsaspect.

Kortom, het was al met al een lastige beslissing voor de eenmansjury. Maar die beslissing viel wel. De winnende naam past zich aan het realisme van de nieuwe tijd, waarin de ruimte is vervangen door omgeving. Maar waar veel inzenders de naam omgeving combineren met het zakelijke management kiest Adriaan van Nooten voor een toevoeging die (net als management) minder sturend is dan ordening, maar de betrokkenheid heeft die je bij een echt vak verwacht. Het woord zorg straalt liefde uit. En die hoort bij ons vak. En daarom wint ‘omgevingszorg’ en is dat vanaf nu de nieuwe naam voor ruimtelijke ordening.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Wie zijn de have-nots van de smart city?

Elke samenleving kent zijn dropouts. Maar hoe zit dat in de smart city? Gelden dan de traditionele tegenstellingen tussen de haves en de have-nots nog? Of ontstaat er een nieuwe tweedeling, die wellicht ook sociaaleconomische gevolgen heeft? En worden de mensen die niet goed verbonden zijn dan de nieuwe zwakkeren van de samenleving?

Het klinkt logisch. De internet-of-people bestaat immers al. We zijn altijd verbonden met iedereen. In de smart city leven we niet serieel (dus stap voor stap), maar parallel in netwerken. We zijn lid van (en actief in) meerdere groepen tegelijkertijd. Kijk maar naar WhatsApp, waar je gelijktijdig in zowel een discussie met je gezin als met je collega’s kan zitten. Dat verandert de manier waarop we met elkaar communiceren, aan projecten werken, samenleven. En er is een groep die daar niet goed in is. Dat is bijna onvermijdelijk.

Net zoals er een groep is die moeite heeft met nieuwe techniek. Voor wie een taalachterstand heeft, in een andere cultuur is opgegroeid of niet zo’n hoog IQ heeft, is een deel van de nieuwe techniek lastig bereikbaar. Niet de wereldwijde apps uit Silicon Valley (die in elke taal te krijgen zijn), maar wel de OV9292 app of de app van de lokale bank. Andere groepen zijn technisch weer minder handig, waardoor ze laat instappen in nieuwe techniek.

Wie niet meedoet, telt letterlijk ook niet mee. De internet of people is verbonden met de internet of things. Steeds meer data die wordt verzameld op apps als Google, Facebook, maar ook OV9292 wordt gebruikt als input voor gemeentelijk beleid. Maar wat als bepaalde groepen daar in zijn ondervertegenwoordigd? Maken we dan nog wel de goede stad?

Of, draagt de smart city juist bij aan een betere samenleving en wordt de groep zwakkeren hierdoor steeds kleiner? Dat kan. Techniek kan mensen zelfstandiger maken. Maar dan moeten er niet tegelijkertijd nieuwe groepen mensen buiten de boot vallen.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Verzin een nieuwe naam voor ruimtelijke ordening

Met de invoering van de omgevingswet komt er een einde aan de Ruimtelijke Ordening. De omgevingswet stelt kaders en daarna zoeken we het als samenleving met elkaar uit. Wen er maar aan ruimtelijke ordenaars: uw vak houdt op te bestaan. De doelstelling van de Omgevingswet is namelijk: ‘ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit.’ En dat wordt als volgt uitgelegd: ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.’ Nou, dat klinkt als van alles, maar niet als het ordenen van de ruimte.

En dus wordt het tijd voor een nieuwe naam voor wat ooit de ruimtelijke ordening was.

Of een nieuwe invulling van het vakgebied. Want het ‘doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies’ is een vak op zich. Een vak dat alleen niet zoveel met de-ruimtelijke-ordening-zoals-we-die-nu-kennen te maken heeft. Bijvoorbeeld omdat het niet per se door ambtenaren gedaan hoeft te worden. Of niet per se door planoloogachtigen. Dat ‘doelmatig beheren enzovoort’, kun je bijvoorbeeld ook wel doen met algoritmes. En dan zijn technerds opeens de nieuwe ruimtelijke ordenaars. Of je kan het heel organisch doen. En dan zijn we allemaal ruimtelijke ordenaars

Het is wellicht niet zo bedoeld, maar de omgevingswet is de ‘disrupter’ van het vakgebied. Of beter gezegd, de al langer bestaande disruptie, wordt nu de wet. En daarmee is na de journalistiek (social media), de taxiwereld (Uber), hotels (Airbnb) nu het vak ruimtelijke ordening aan de beurt. Niets blijft zoals het was. We moeten het alleen nog een naampje geven. Nou ja, dat lijkt mij dan leuk. Dus kom maar op met uw suggesties. Verzin een nieuwe naam voor ruimtelijke ordening. Of een inhoud voor het vak.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Discussieer mee op LinkedIn, Twitter, Facebook of AndersDenkenAndersDoen.nu

PS. Bij een prijsvraag hoort een prijs. Daarom geef ik aan het beste idee (en dat bepaal ik geheel subjectief en zonder criteria en in mijn eentje, maar discussie over de uitslag is van harte welkom) een jaarabonnement op ROMagazine.

Wat als risico niet meer bestaat?

Echte omgevingsveiligheid bestaat niet. De manier waarop we de verhouding tussen risicobronnen (zoals chemische fabrieken) en omwonenden weergeven is een papieren veiligheid. Een van tevoren gemaakte berekening, die net zoveel met de werkelijkheid te maken heeft als de foto’s in een kookboek met hetgeen je op je bord krijgt. Het lijkt er op. In het beste geval.

Dat wil niet zeggen dat het onzinnig is. De omgevingsveiligheidsberekeningen zijn erg nuttig omdat we nog niets beters hebben. Ze zijn daarmee een goede basis voor het draaiboek waar rampenbestrijding op is gebaseerd. Maar stel dat er bij een ramp (of bij een minder ernstig incident) blijkt dat er toch kwetsbare groepen in het gebied wonen, of dat een van brandwerende ruiten van een gebouw was vervangen door een normaal stuk glas? Dan klopt het recept wel, maar smaakt het gerecht niet, omdat peper is vervangen door zout.

Het is het risico van denken in risico’s.

Wat nou als risico niet meer zou bestaan? Simpelweg omdat we niet uitgaan van een berekenende werkelijkheid, maar altijd weten hoe de werkelijkheid er echt uitziet?

Dat kan. Althans, dat kan steeds beter. In de smart city is alles data en genereert iedereen en alles data. Nou ja, het is nog niet helemaal zover, maar we gaan aardig die kant op. De stad wordt een zwerm van mensen die data genereert in een netwerk dat die data opvangt. En op basis daarvan kunnen we altijd en overal real time bepalen wat de impact is van een incident. Van een ramp bijvoorbeeld. Of een aanslag. Of de dreiging daarvan.

Dat maakt het werk van rampenbestrijders compleet anders. Na een incident berekenen computers (door middel van algoritmes) de impact van het incident en bepalen ze welke hulpdiensten ter plaatse moeten gaan en wat ze moeten doen. Niet een van tevoren vastgelegd draaiboek wordt uitgevoerd, maar een real time gegenereerd aanvalsplan. Dat altijd actueel is. Computers zijn hier beter in dan mensen. Een ramp lijkt immers op een ingewikkeld scenario-spel (zoals bijvoorbeeld het bordspel Go) en daarin zijn computers niet meer door mensen te verslaan.

De komende jaren wordt de vraag actueel waarom we bij rampenbestrijding werken met iets archaïsch als een draaiboek, terwijl er zoveel betere alternatieven zijn. Vervolgens ontbrandt de discussie waarom we mensen naar deze gevaarlijke situatie sturen, terwijl robots hier veel beter tegen kunnen. En dan vragen we ons af of RoboCop echt een science-fiction-film is.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Voornemen voor 2017: waardeer bottom-up-initiatieven, letterlijk

Toen ik eerder dit jaar bij een van de grotere ontwikkelaars vroeg wat er aan de omgevingswet werd gedaan, was het antwoord dat de juristen er druk mee bezig waren. Dat is een goed en slecht antwoord in een. Goed omdat het logisch is dat je een wet door juristen laat bekijken, slecht omdat de wet niet alleen de juridische, maar (vooral) ook de procesmatige kaders van een ontwikkelaar verandert. De manier waarop wordt ontwikkeld, verandert drastisch. Voor iedereen in het bouwproces en dus zeker ook voor de ontwikkelaar.

bottom upWie zich niet aanpast, sterft uit. Het is de basis van de evolutietheorie die behalve in het dierenrijk, ook in het bedrijfsleven geldt. En Nederlandse ontwikkelaars moeten zich aanpassen aan de stad. Net als dieren trouwens. Zoals valken zich aanpasten aan New York City en luipaarden aan Mumbai. Ontwikkelaars moeten ontdekken hoe ze daar geld kunnen verdienen. Ze moeten begrijpen wat waarde heeft en wat niet. Ze moeten leren wat de wetten zijn. Een van de wetten is dus de Omgevingswet. En die wil dat stakeholders in een gebied samen een gebied ontwikkelen. Vertrouwen, samenwerken en innovatie, het zijn kernwaarden in de nieuwe wet. Maar met wie moet je samenwerken? Met bottom-up-initiatieven? Die, op hun manier, al zijn begonnen met de herontwikkeling van een gebied? Uit het gesprek met de zelfde ontwikkelaar bleek dat er maar weinig kennis is over de waarde van burgerinitiatieven in een gebied? En dat die ontwikkelaar dus geen benul had of hij te maken had met sympathieke, maar waardeloze, amateurs of met een kansrijk en waardevol initiatief. Dat verbaasde me. Want van elke boom, elke steen, elke vierkante meter greenfield kan de waarde worden bepaald, maar in een herontwikkeling kan de belangrijkste asset niet gewaardeerd worden. Hoe kan je nou serieus geld willen verdienen in een herontwikkeling, als je niet weet wat de waarde is van een initiatief als Vechtclub XL, de Ceuvel of de War. Je moet als ontwikkelaar toch een objectief oordeel kunnen vormen over zoiets essentieels?

De valken die zich konden aanpassen aan Manhattan, ontdekten een schat aan voedsel. Ze lijken echter steeds minder op hun soortgenoten in de bergen. Hetzelfde geldt voor projectontwikkelaars. De Omgevingswet gaat in in 2019, maar de geest voel je nu al. Ik hoop dus dat de bouwsector al in 2017 deze handschoen oppakt zich gaat aanpassen. Want wie dat niet doet en niet begrijpt dat daar andere waardebepalers zijn, moet er wegblijven. Of gaat eraan ten onder.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Dit blog verscheen ook op Anders Denken Anders Doen

In 2017 moeten we slim omgaan met de smart city

smart pokemonHet absolute hoogtepunt van 2016 was de Pokémon-Go-hype. Ik ken helemaal niemand meer die het nu nog doet, maar in de zomer liepen hele volksstammen (niet alleen kinderen) met hun smartphone door de straten van onze steden. En het fascinerende was, die smartphone bepaalde hun gedrag in de stad en daarmee ook hoe de stad er voor hen uitzag. Voor het eerst zagen we heel duidelijk dat er een datalaag om de stad ligt en dat die de stad radicaal kan veranderen. Onooglijke plekken werden opeens pokestops of pokegyms. En daarmee prachtig in de ogen van degene die het wilde zien. Voor het eerst veranderde de digitale wereld de stad.

Nou ja, voor het eerst? De veranderingen zijn overal voor wie goed oplet. Kijk naar de werkende klasse bij die Starbucks gebruikt als kantoor. Zie hoe mensen een locatie delen via Whatsapp om daar vervolgens samen een Uber te huren die hen naar hun AirBnB-overnachting brengt. Overal is de stad verbonden en wordt daardoor flexibel. Kijk ook hoe grote winkelstraten etalages worden voor brandstores die hun waren online verkopen. Ze voegen beleving toe aan de goede service die online biedt. Nog even althans, want de VR-bril ligt klaar om deze ervaring over te nemen.

Is daarmee de stad overbodig? Ik geloof het niet en wil het ook niet geloven. Maar ik geloof wel dat we in 2017 op een fundamenteel andere manier moeten nadenken over de toekomst van onze smart cities. We moeten ophouden met de focus op techniek te leggen. Ik vind het prachtig, al die verhalen over lantaarnpalen zich aanpassen aan de drukte op straat en de prullenbakken die zichzelf laten legen, maar het zijn gadgets. De discussie moet gaan over hoe we onze steden leefbaar houden. En hoe de datalaag die om de stad ligt, deze leefbaarheid beïnvloedt en hoe wij dit goed inzetten. Want dat willen we, neem ik aan. En ook wat we van al die gegenereerde data kunnen leren. Het liefst real time, om de stad zo constant te verbeteren.

2017 moet het jaar worden waarin we slim om leren gaan met smart cities. Want de verandering is net begonnen. Er komen drones en zelfrijdende auto’s. En alles om ons heen, elke stoeptegel en elk verkeersbord, wil met ons communiceren. Dat verandert de stad en de leefbaarheid in de stad. En dat is niet het werk van technerds, maar van stedebouwers, planologen en andere urbanisten. De vraag is hoe we willen dat de stad zich manifesteert. En die vragen moet urbanisten en technerds samen beantwoorden.

Het wordt een prachtig jaar.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Dit blog verscheen ook op Cobouw.nl

Op zoek naar geluk

De laatste keer dat ik echt heel gelukkig was, bij het euforische af, als in een high zeg maar, was toen Go Ahead Eagles met 1 – 0 won van Feyenoord. Ik geef toe, het is niet de hoogste vorm van geluk. Niet zoals de geboorte van mijn kinderen of mijn huwelijk. Maar ik was wel heel blij. Ik was blij omdat mijn zoon blij was. Ik was blij omdat het hele stadion blij was. Ik was blij omdat er iets was gebeurd, wat we van tevoren voor onmogelijk hielden. Het fijnste aan het geluk was het onverwachte.

geluk bij kowetIk hou van gelukszoekers. Van mensen met dromen en idealen. Ik hou nog meer van dromers die ook kunnen rekenen. Want dat zijn ondernemers. Niet de ondernemers die we vandaag zogenaamd missen, dat zijn filiaalhouders en die zijn niet interessant. Nee, echt ondernemers die onverantwoorde risico’s durven nemen omdat zij wel weten dat het niet onverantwoord is. En het fijne aan echte ondernemers is dat het nooit helemaal klopt wat ze doen. Of dat je dat nooit helemaal begrijpt. Dat je niet snapt waarom ze zo’n enorm risico nemen. En dat ze daar dan niet van wakker liggen. Wat ze waarschijnlijk vooral niet doen omdat ze dag en nacht doorwerken. Het fijne aan echte ondernemers is dat ze koste wat koste die droom willen waarmaken. Dat maakt echte ondernemers tot de ideale partners voor gemeenten. Want ook jullie hebben dromen. Ook jullie zijn idealisten. En het allermooiste is dat dat de Omgevingswet enorm veel ruimte geeft dit soort ondernemerschap.

Het enige wat ondernemers en gemeenten moeten doen is elkaar willen begrijpen. Ondernemers moeten begrijpen dat gemeenten niet stom en saai zijn als ze andere belangen hebben dan zij. Dat de gemeente problemen heeft die opgelost moeten worden en dat ze als ondernemer alleen interessant zijn, als zij dat kunnen doen.

En gemeenten moeten snappen dat ondernemers failliet gaan als er geen geld wordt verdiend. Dat geld verdienen dus niet iets vies is, maar een middel om de gemeenschappelijke droom te verwezenlijken.

En zo kun je misschien zelfs wel geluk ontwikkelen. Misschien. Maar daar moet je wel hard voor werken. Elke dag. En soms heb ik geluk en wint Kowet met 1 – 0 van Feyenoord.

Dit blog werd geschreven tijdens de Platform31-bijeenkomst Maatschappelijke meerwaarde als basis voor nieuwe financieringsvormen op 12 december in het Provinciehuis van Zuid-Holland.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Gaan we zonder vertrouwen de Omgevingswet in?

Volgens Jan Terlouw moeten we elkaar weer meer vertrouwen. In zijn DWDD-optreden illustreerde hij dat met het touwtje-uit-de-brievenbus. Maar is het onderlinge wantrouwen zo groot? En vertrouwen we onze politici echt niet? Onderzoek van het CBS laat zien dat dat wel meevalt, zeker in Europese context. Het CBS vergeleek naar aanleiding van de Brexit het onderling vertrouwen in Europa. Er werd gekeken naar de participatiegraad, de onderlinge band en het vertrouwen in maatschappelijke en politieke instituties. Volgens het CBS is onderling vertrouwen belangrijk omdat het een van de pijlers vormt van het sociaal kapitaal en uiteindelijk ook van de welvaart in een land of regio.

vertrouwen in EuropaHet vertrouwen werd gemeten door interviews met bewoners van de 34 landen in Europa. Daarbij werd gevraagd of de burgers elkaar vertrouwen en daar ook naar handelen. Ook werd gevraagd of mensen stemmen en actief meedoen aan het politiek proces. Er werd gekeken naar het vertrouwen in het nationaal parlement, de rechtstaat, de politie en de medemens. Kortom, het touwtje van Terlouw ontrafeld. En wat blijkt, in alle gevallen zegt de meerderheid van de Nederlandse ondervraagden er vertrouwen in te hebben. Sterker nog, in Europa hebben alleen de Scandinaviërs meer vertrouwen in elkaar.

Nederland scoort op alle indicatoren aanzienlijk beter dan de ons omringende landen (Groot-Brittannië, België en Duitsland). Zelfs het vertrouwen in het parlement is in Nederland het hoogste van de regio, maar daar zit wel een pijnpunt. Slechts 53% van de Nederlanders vertrouwt onze parlementariërs. Daarmee zijn we nog steeds de nummer 6 van Europa, maar het blijft weinig. Bovendien geeft het onderzoek niet aan of die 53% groeit of stijgt. Hetzelfde geldt voor het vertrouwen in de rechtstaat en de politie. Het is de vraag wat de uitspraken van Geert Wilders over ‘neprechters’ doen met het vertrouwen van de Nederlanders. Net zoals zijn herhaaldelijk afgeven op het ‘nepparlement’.

Dat wordt dus spannend met de Omgevingswet, die ‘vertrouwen’ als pijler neemt. In de Memorie van Toelichting op de Omgevingswet komt het woord vertrouwen zelfs vijftig keer voor en er is een hele paragraaf aan gewijd. Wie die leest ziet de worsteling van de overheid. ‘Het gaat er hierbij niet zozeer om of er momenteel meer aanleiding zou zijn om vertrouwen in burgers en initiatiefnemers te hebben dan voorheen mogelijk het geval was. Het gaat om de keuze meer verantwoordelijkheid bij de samenleving te leggen’, aldus het stuk. Het is de vraag of we dat met elkaar wel willen. Want zo schrijft de Memorie van Toelichting, dat kan ook leiden tot initiatieven ‘die niet «gladjes passen» in het beleidsperspectief van beleidsmakers’. Dat geldt andersom natuurlijk net zo hard. Wie vertrouwen verwacht, moet vertrouwen geven. Moet zich verdiepen in het belang van de ander en soms willen schikken. Dat wordt de grootste opgave van de omgevingswet.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Waarom vertelt Terlouw niet wat er wel goed gaat?

Ik had de DWDD-toespraak van Jan Terlouw gemist. En toen ik iedereen vol lof zag, had ik geen zin meer. Dat bleek terecht. Terlouw hield namelijk een preek in de beste protestantse traditie waarin hel en verdoemenis over ons uit werd gestort. Waarin we werden weggezet als asocialen die elkaar niet vertrouwen en de wereld naar de verdoemenis helpen. En die ook nog op Trump stemden.

Een gemiste kans.

Waarom vertelde Jan Terlouw niet over wat er wel goed gaat in onze samenleving en stelde hij dat als voorbeeld voor wat er beter kan? Waarom vertelde hij niet over Boyan Slat die de plastic soep wil opruimen. Daar heeft Boyan de steun van Terlouw niet voor nodig, maar zo’n podium als DWDD doet hem ook geen kwaad.
Waarom wees Terlouw niet naar Elon Musk die dromen verkoopt via de autoshowroom en wél gelooft in en werkt met zonne-energie? Daar zal geen Tesla meer of minder door worden verkocht, maar ontkennen is weer het andere uiterste.
Waarom verwees Terlouw niet naar de mensen die werken aan de Omgevingswet en de andere grote veranderingen uit Den Haag. Het is namelijk pure flauwekul dat er alleen maar meer regels bijkomen, de nieuwe wetgeving snoeit als nooit tevoren. En de bestuurders en ambtenaren aan de Plesmanweg mogen best wel worden geroemd voor hun werk op dit vlak.
Waarom vertelde Terlouw niet dat er ook heel veel dingen wel goed gaan? Dat er in 2016 bijvoorbeeld minder verkeersdoden vielen dan in 1950, terwijl het verkeer is verveelvoudigd.
En over het veel geciteerde touwtje-door-de-brievebus: waarom ging Terlouw niet in op een van de vele buurtinitiatieven die er zijn waarbij mensen wél samenleven. Ik moest denken aan het Koppelhuis, een initiatief dat komt uit ons eigen lab. Maar zo zijn er zoveel. Niet zelden jonge mensen die vol idealen de wereld mooier maken waarin ze leven. Dat moet Terlouw toch aanspreken?

Waar is de idealist in Terlouw gebleven die in de jaren ’60 nog geloofde in een betere wereld en er ook aan werkte? En, waarom gebruikt hij het DWDD-podium voor negativisme en komt hij niet met oplossingen? Die zijn er namelijk wel.

Discussieer mee op LinkedIn.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Ja, natuurlijk willen we circulaire sprookjes

utopieDeze week werd het artikel ‘Groei met circulaire economie blijkt utopie’ geretweet. Het stond al een half jaar op Stadszaken.nl en ik had het gemist. Geen idee waarom. Maar ik las het en verbaasde me alsnog. Daarover gaat deze blog. Met excuses voor de vertraging, maar beter laat dan nooit.

In dat artikel leggen wetenschapper Han Brezet en duurzaamheidsconsultant Reinier de Man uit waarom circulair denken niet tot groei kan leiden, of nou ja, niet tot de groei die William McDonough & Michael Braungart ons beloven. In een lange tirade leggen de heren uit dat volledig afvalloos en energieneutraal leven een utopie is. Een sprookje. En sprookjes en utopieën, daar houden wetenschappers niet van. Duurzaamheidsconsultants blijkbaar ook niet.
Ik wel. Ik hou van sprookjes. Van boze en van mooie. Van wensbeelden en verhalen. Een van mijn lievelingsboeken is de Kleine Prins. Een van mijn lievelingsfilms is Notting Hill.

Een utopie is volgens Wikipedia onmogelijke werkelijkheid, een ideale wereld die echter niet bereikt kan worden. Het mooie van een utopie is dat je er naar kan streven. Een utopie is een doel. Dat doel geeft hoop. Nogal wat religies hebben daarom de een of andere utopie in zich. Wetenschappers houden daar niet van. Duurzaamheidsconsultants blijkbaar ook niet.

Toen ik milieukunde studeerde was het eerste dat we te zien kregen een filmpje waarin alle milieuproblemen waren samengevat in een minuutje of vijf. Zure regen, stervende bomen, luchtvervuiling, die milieujongens zijn geen lachebekjes. Hoe anders werd het toen McDonough met zijn principles kwam. Opeens was het milieu hip en kon je er een verdienmodel in ontdekken. Natuurlijk nam niemand dat helemaal serieus, maar milieu was definitief niet meer iets voor pessimisten.

Ik weet echt wel dat als we niets doen, de wereld naar de knoppen gaat. Ik ken de voorspellingen van Urgenda en ik geloof ze. Het is een enorme opgave om dat tij te keren en ik ben blij dat Brezet en De Man deze ‘echte milieuproblemen’ gaan oplossen. Maar het is niet het hele verhaal. “Blijkbaar is er een onverzadigbare vraag naar utopieën die voor de lastigste problemen eenvoudige oplossingen geven en die belangenconflicten als sneeuw voor de zon laten verdwijnen. Wat zou het toch mooi zijn als de economie eindeloos kon groeien, het milieu er wel bij vaart en mensen gelukkiger worden”, zegt Brezet. Dat zou inderdaad prachtig zijn. Die droom houdt ons gaande. Aan die utopie moeten we keihard werken.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Regels voor drones zijn onnodig

Piloten zijn bang voor drones. Tot en met eind mei van dit jaar hebben er bijna net zo veel piloten geklaagd over drones als over heel 2015. Terwijl er niets is gebeurd. Wel vaak bijna, maar bijna is een ander woord voor niet.

Er zijn maar 100.000 drones in Nederland, veel meer dan een paar jaar geleden, maar nog steeds weinig. Al die drones mogen niet meer dan 120 meter boven grond of water vliegen en ook niet in het donker of boven mensenmenigten, spoorlijnen of wegen. De drone moet bovendien altijd in het zicht van de bestuurder blijven. In de buurt van een vliegveld komen mag al helemaal niet, dus die vliegtuigpiloten kunnen klagen wat ze willen, er zijn allang regels, ze worden alleen niet gehandhaafd.

Als iedereen zich aan die regels houdt, is de kans op een ongeluk minimaal. De kans op een serieuze markt voor drones trouwens ook. Want met de regels dat de drone altijd in het zicht van de bestuurder moet blijven en niet boven spoorlijnen of wegen mag vliegen, komen de pakjes ook volgend jaar door Piet en niet door een drone in de schoorsteen.

dronesRegels maken voor drones is onzinnig. Die zijn namelijk al achterhaald als ze van kracht zijn. De drones van nu zijn maar het begin. Misschien komen er wel hele kleine drones die in zwermen vliegen. Of drones die vooral naar boven of beneden gaan (ideaal om voor het glazen wassen van gebouwen). Of drones die hijskranen kunnen vervangen.
Dat de landbouw drones wil inzetten voor precisie-bemesting is al een stuk spannender dan een drone die filmopnames maakt. En dat bestaat al. Juist wat we niet direct kunnen bedenken, is interessant. En dat maakt wetgeving zo lastig. Maar waarom moet je überhaupt regels maken voor iets dat nog zo prematuur is als de drone. Omdat het gevaarlijk is? Schaatsen is ook gevaarlijk, maar daar zijn geen regels voor. Zwemmen in de zee is ook gevaarlijk, ook dat mag gewoon. De regel dat je niet in de buurt van een vliegveld mag komen, lijkt me voorlopig meer dan voldoende.

Zolang we niet weten wat de impact is van drones op onze steden en ons land zijn regels niet nodig. We hebben dan namelijk geen flauw benul wat we regelen. Wat we wel moeten doen is goed in de gaten houden hoe het gaat en achter de schermen wetgeving paraat houden. Als het dan uit de hand loopt, kunnen we ze snel invoeren. Maar tot die tijd: kijken wat er gebeurt en bedenken wat we er mee willen.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Whatsappocratie

whatsappocratieDe veldwachter is terug en heet Whatsappbuurtpreventie. In heel Nederland zijn er duizenden groepen actief waarin buurtbewoners elkaar op de hoogte houden van ongewenste sujetten in de buurt. 5500 van die groepen hebben zich aangemeld bij een landelijke organisatie (wabp.nl), die ervoor zorgt dat aangrenzende groepen op de hoogte blijven van elkaars onheil. Ik bekeek gefascineerd de Google-kaart met die 5500 groepen. Die laat veel meer zien dan bezorgde burgers. Het is een nieuwe kaart van Nederland. Waarop er in Hoofddorp tientallen geregistreerde groepen te zien zijn (voor elk van de Floriande-eilanden minstens een) en voor de Achterhoekse dorpen als Zelhem en Braamt één voor het hele dorp. En waar de hele Randstad meedoet, maar de dekking (of de registratie daarvan) afneemt hoe verder je naar het oosten gaat.

Ik vraag me af wie het initiatief neemt tot zo’n groep en waarom dat gebeurt. Is het puur uit bescherming van have en goed of gaat het ook over controle over de buurt? Wat wordt er eigenlijk allemaal gemeld in zo’n groep? Wanneer is iets verdacht? Maar vooral: wie mag er meedoen? Elke groep heeft zijn eigen aanmeldprocedure, maar wie bepaalt dat? Hoe democratisch zijn die groepen eigenlijk? En wie kijken er allemaal mee? De politie? De gemeente? Facebook? En word je niet bang als je van elke verdachte situatie in je dorp een melding krijgt?

Wat er echt gebeurt, is dat we via whatsapp (en andere social media) een nieuwe manier van overleggen en samenwerken aan het uitvinden zijn. Om de buurt veilig te houden, maar ook om te vergaderen, te besturen en te organiseren. Dat gebeurt met eigen normen en waarden die we nog niet helemaal kennen. In die Whatsappocratie stopt het gesprek en de besluitvorming nooit. Het maakt niet uit waar je bent, je zit altijd in de groep. Er is geen ontsnappen aan. Alleen wie niet online is, weet niets. Die doet niet mee.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Alleen burgemeester kan Omgevingswet tot succes maken – 5 redenen

De jaren twintig van deze eeuw worden voor urbanisten het decennium van de omgevingswet. Dag ruimtelijke ordening, hallo omgevingsvisies. Tijdens de studiereis voor burgemeesters die het Kennislab voor Urbanisme organiseerde op verzoek van het Netwerk Ontwerp Veilige Omgeving, trokken we vijf lessen hoe je deze megaverandering zonder kleerscheuren overleeft. En daarbij speelt de burgemeester altijd de hoofdrol.

burgemeestersreis-netwerk-ontwerp-veilige-omgeving-951 – De impact van de Omgevingswet op de gemeentelijke praktijk is enorm
Alleen burgemeester kan dat in goede banen leiden
Maar liefst 26 wetten worden vervangen door één Omgevingswet, dat betekent veel minder wettekst en veel minder regels. Maar de werkelijke impact van de verandering gaat in dat cijfergeweld verloren. Die is dat we geen vernieuwde of gemoderniseerde wet voor de ruimtelijke ordening krijgen, maar een volledig nieuw stelsel van wet- en regelgeving voor de manier waarop we ons land fysiek inrichten en beheren. De impact daarvan is vergelijkbaar met 3 september 1967, H-dag, de dag waarop de Zweden aan de rechterkant van de weg gingen rijden. Of eigenlijk is de impact nog veel groter. Want waar de Zweden in één keer omgingen, neemt de transitie naar de Omgevingswet 10 jaar in beslag. De impact is ook groter, omdat we (om bij het voorbeeld te blijven) geen auto blijven rijden, maar ons gaan voortbewegen in een voertuig dat nog wordt ontwikkeld. De Omgevingswet en het planningsstelsel daarachter kent ook geen vergelijkbaar voorbeeld in de wereld. De manier waarop we onze ruimte voortaan inrichten (alles mag, behalve wat verboden is), wordt nergens anders toegepast. De omwenteling is ongekend.
Door de invoering van de Omgevingswet komt een einde aan de manier waarop we ons land de afgelopen eeuw hebben ingericht en moeten we dus afscheid nemen van de instituties die we daarom hebben gebouwd. Bij gemeenten betekent dat bijvoorbeeld het einde van de afdeling RO, om het maar even concreet te maken. Het betekent ook het einde van een cultuur waarin we de ruimte planden. Die cultuurverandering gaat enorm veel pijn doen binnen de gemeentelijke organisatie en daarbuiten.

burgemeestersreis-netwerk-ontwerp-veilige-omgeving-882 – Gemeenten moeten opnieuw uitvinden wat hun rol is
Met burgemeester als hoofduitvinder
In de afgelopen eeuw is de rol van de gemeente regelmatig veranderd. Een eeuw geleden begon de gemeente als scheidsrechter, maar al snel werd ze medespeler, doelpaal en voetbal in het zelfde spel. De Omgevingswet maakt daar een eind aan. Gemeenten gaan voor zichzelf duidelijk krijgen wat hun rol is en die uitdragen.
Veel gemeenten moeten de komende tijd die discussie voeren. Wie ben ik? Wat doe ik? Wat doet de ander? En hoe reageer ik daarop? Met ander woorden: wat is het publieke belang en wat niet? Tegelijkertijd veranderen ook de rollen van anderen. Het bedrijfsleven, de vastgoedsector, burgers enzovoort krijgen een nieuwe rol die ze nog niet goed kennen, maar soms al wel spelen. Kijk naar de manier waarop burgergroepen zich verenigen en soms mee en soms tegen de overheid zijn. Maar, zo werd er gezegd, alles aan de burgers overlaten is geen oplossing. ‘Burgerinitiatieven bouwen geen Coentunnel’. Zijn burgers sowieso wel in staat om belangen goed af te wegen? Er zijn meer twijfels over de capaciteiten van de andere stakeholders. Kan de provincie het niveau aan van een G32-stad of groter? Is het bedrijfsleven wel te vertrouwen? Die roldiscussie en vertrouwensdiscussie moet worden gevoerd en de burgemeester moet die, van boven de partijen uit, voorzitten.

burgemeestersreis-netwerk-ontwerp-veilige-omgeving-1003 – De overgangsperiode is tien jaar
Alleen een burgemeester zit zo lang op dezelfde post
Vanaf het moment dat de wet ingaat (waarschijnlijk 2019) geldt een overgangsperiode van tien jaar waarin gemeenten van het ene systeem (de Wet ruimtelijke ordening en de andere 25 wetten) overstappen op het nieuwe systeem (de Omgevingswet). Tien jaar, dat is tweeëneenhalve raadsperiode, er is vrijwel geen wethouder in Nederland die zo lang hetzelfde doet. Daarbij komt dat in die periode bepaald moet worden welke wethouder over de Omgevingswet gaat. Leg het nieuwe systeem op de bestaande werkelijkheid en je ziet dat de Omgevingswet de domeinen raakt van alle wethouders.
Als enige (mogelijke) continue factor, krijgt de burgemeester de kans om het verschil te maken. Maar dat vergt zorgvuldige voorbereiding en veel kennis van de komende veranderingen. Burgemeesters moeten volledig vertrouwd zijn met het nieuwe wettelijke kader, anders worden ze er door opgeslokt.
De Omgevingswet vraagt namelijk om een visie op de gemeente (de omgevingsvisie) die integraal is en voorschrijft waar de kaders zijn. De huidige reflex in een aantal gemeenten is dat de afdeling ruimtelijke ordening het voortouw neemt in het schrijven van deze visie, maar dat is niet logisch. Het is immers een integrale visie. Een sterke rol voor de burgemeester is hier niet alleen gewenst, maar ligt ook voor de hand. En hoe het politieke spel vervolgens wordt gespeeld, ook dat moeten college en raad met elkaar uitvinden.
De verwachting is dat de nieuwe manier van werken kan leiden tot een verlichting van de regeldruk. Maar hoe groot die verlichting is, is aan de gemeenten zelf. . Bovendien is er altijd maatwerk mogelijk. ‘Maatwerk is het nieuwe woord voor afwijken’, werd gesteld. Maar stel dat de regeldruk met tachtig procent vermindert, dan heeft dat organisatorische gevolgen. Een sterke rol voor de burgemeester is ook hier weer gewenst.

burgemeestersreis-netwerk-ontwerp-veilige-omgeving-904 – Veiligheid dient te worden geborgd in alle omgevingsvisies en omgevingsplannen
Gezag burgemeester is daarbij cruciaal
De Omgevingswet gaat uit van het ja-tenzij-principe. Een belangrijke ‘tenzij’ is omgevingsveiligheid en groepsrisico. Maar waar dat in het huidige systeem achteraf werd getoetst, zitten de veiligheidsdiensten bij de Omgevingswet vanaf dag één aan tafel. Het schillenmodel, waarbij de ruimtelijke consequenties afnemen naarmate je verder vanaf de risicobron bent, past goed bij de nieuwe wet.
Maar het is ook een grijs gebied. Want hoe krijg je bedrijven zover dat ze echt hun verantwoordelijkheid nemen, ze de benodigde info geven, de regels naleven en dat ze mee- in plaats van tegenwerken. Daarbij kan de druk van consumenten een belangrijke rol spelen, maar ook het gezag van de burgemeester. Veel bedrijven, ook de grotere, hebben op dit moment een vrij korte scope. De snel veranderende wereld maakt hen kwetsbaar en onzeker. Integriteit is, zo constateren de aanwezige burgemeesters, niet vanzelfsprekend. De nieuwe wet gaat uit van regeldrukverlichting en een kleinere overheid, maar kan dat wel als je met grote bedrijven te maken hebt?
Tegelijkertijd heeft het college van B&W ook andere belangen te dienen. Van de werknemers op een chemiepark bijvoorbeeld. Of van de omwonenden. Die soms zo dicht bij een risicobron wonen, dat verhuizen een verstandige optie is. Maar dat zien zij vaak weer niet zitten.

burgemeestersreis-netwerk-ontwerp-veilige-omgeving-1035 – Burgemeesters moeten en kunnen al doende leren
Het is niet de vraag wat we van de Omgevingswet vinden, de wet is immers al aangenomen, maar hoe de wet wordt ingezet. De wet biedt inhoudelijk de kans om ons land flexibel te maken en toch veiliger. De invoering van de wet kan een manier zijn om de rol van de gemeente intern en extern te herijken. Inclusief die van de burgemeester, die de continue factor blijkt in een veranderend umfeld.
Om die verandering goed te laten verlopen is een lerend netwerk nodig van burgervaders en –moeders die geloven in de kansen van de wet en die optimaal willen benutten. Burgemeesters zijn de sleutel tot succes bij invoering van de Omgevingswet.

Deze lessen zijn geleerd tijdens de studiereis voor burgemeesters die het Kennislab voor Urbanisme heeft georganiseerd op verzoek van het Netwerk Ontwerp Veilige Omgeving op 13 en 14 oktober. Lees hier een reisverslag.

Less smart and more city (smart city is about more than just tech tools)

The discussion about smart cities is mostly about ‘smart’ and far less about ‘city’. If we really want the city to become smart, we must look beyond smart technologic solutions and we must see how and why the city is currently changing. Cities, city-creators and technicians should develop one vision together, which will function as the foundation for the future city and the current city.

We are living in an extraordinary era. The rise of all sorts of different devices and mostly the constant connection between everything and everyone, gave a new meaning to the word ‘place’. Namely, a place used to be very exclusive. Less than one age ago, you could only experience something, by attending the occasion. It was not possible to be at two occasions simultaneously or to know what was currently happening at another place.

For instance, the review on 125 years of football in a Dutch football related magazine (VI) really showed that things have changed. One century ago supporters used pigeons, who were trained to send messages, to the games when the team has to play out of town, to inform them about the score. Telephony and telegraphy did already exist, but radio and television did not. What happened in the arena could only be experienced by the people who actually were there. The place had possession of exclusivity.

Everything can everywhere
During the previous century the local exclusivity has disappeared. More and more people are able to work, shop, attend lectures and watch football everywhere. Also, we are able to do it all in real time. We are everywhere and always connected with everything and everyone. Smart City is therefore about communication. About communication between people, between devices and between people and devices. Examples: smartphones, smart thermostats, self-regulating devices, VR-glasses, communicating garbage bins, cars which can contact the garage and buttons on the washing machine which can automatically order new laundry detergents. The list of examples becomes daily more extended.

City builders and other city creators should ask themselves what those changes will mean for their city and should take that as the principle of developing the future vision of their city. They need to describe the ‘why’ and the ‘how’ behind the ‘what’ where the discussion about smart cities is currently about. Because only if we know the ‘why’, we will know which processes and products are needed to build this vision. In other words: what do we want with our city and how can that be built in current circumstances. Kevin Lynch’s book ‘Good city form’ offers a good starting point to answer this question. Lynch elaborates a normative theory to measure the urban quality, based on fundamental human values. He examines how these values can be able to create a better understanding of the development of the city. He talks about seven indicators (vitality, fit, sense, control, access, efficiency and justice) which are broad and general enough to be used in specific circumstances and places. These dimensions are interesting, because they help you to fit the ‘why’ of smart city-initiatives in a bigger context. Who has influence on what (control)? Does everyone have similar access to information, locations and utilities (access)? And what efficient for who and at what price (efficiency)? The seven dimensions assist to connect the new technologic developments with the essential vision on the quality of the city and her inhabitants. Every smart city initiative states to be willing to make the city better, cleaner of more lively. We need to ask ourselves who will benefit to current solutions, to what extent and with which management.

City is about quality of life
To begin at the ‘why’: it is not different than a hundred or even a thousand years ago. Just like in the ancient Rome or in the Hanseatic Cities we strive to build a quality of life, which enables economic, social and personal development.

The rise of the internet(technology) changes the possibilities and differs from city to city. There is one common denominator and it is named flexibility [1]. The rise of the internet makes us flexible in many areas, the internet of things demands a flexible city. The question is what the urban consequences will be. What does it mean for a city when you can do everything everywhere? When you are able to work at a pub? When you are able to watch a NBA-basketball game live (via virtual reality) just in your living room? When you are able to skype your kids when you are in the stadium, watching a football game? What does it mean for a city when devices can communicate with each other? When the street-lighting turns on when people walk by? When in fact everything has become data?

There is a new urban layer upon the city, which consists of data. What are the consequences for town-planning if that layer starts to communicate with her users? If a public square can become a parking-lot, reacting on traffic? If the street-lighting leads the emergency service in a disaster (like the emergency lighting in an airplane)? What does it mean for a city if the creators of Pokémon Go define meeting places on the basis of algorithms (in this case location information and the way users move in the city)? In short, what does flexibility of the city mean for the city and what are the consequences for those, who cannot or do not want to develop. What are the social consequences of the growth of flexibility?

Empire State BuildingLearning from electricity
Of course, a lot is still unclear, the future is not here yet. But fortunately we know an inspiring example and that is the rising of electricity, approximately one and a half century ago. The result of this was that the city could develop itself enormously. Trams, subways, but elevators too, made it possible to transport people and wares far further, so civilians could live further away from places where fresh food was produced. The urban answers came from enlightened spirits as Le Corbusier. The currently well-known concept ‘megacity’ was someday invented and was a direct result of a technologic revolution. It is not about a judgement on these plans, whether they are good or bad. They show that the development of a cities was being reflected, that a vision was being developed because of new technological possibilities. Just like with the rise of electricity, the internet creates a new phase in the development of cities. And that should be planned too. That will often go well, but sometimes it will not. Both good plans and bad plans will be created. A common context to describe the ‘why’ and ‘how’ of the smart city, for instance based on an overarching, normative theory, could help us with it.

But everything is better than the current situation, in which we pretend that the smart city is about tools, gadgets and applications. We really need to take change seriously. While planning a city, the changes of the city should really be taken in account.

Arjen Hof, director at Civity
Jan-Willem Wesselinkdirector at Kennislab voor Urbanisme

Publiced before (in Dutch) at Platformoverheid.nl

Note
[1] This is covered by the dimension Fit in Lynch’s theory. One of the aspects which he names is ‘adaptability’: to what extent a city can adjust itself to changing circumstances.

Minder smart en meer city (slimme stad gaat over meer dan tech-tools)

De discussie over smart cities gaat vooral over ‘smart’ en veel minder over ‘city’. Als we echt willen dat de stad smart wordt, moeten we voorbij de slimme technologische oplossingen kijken en zien hoe en waardoor de stad momenteel verandert. Steden, stadsmakers én techneuten moeten samen een visie ontwikkelen die de basis vormt voor de stad van morgen én nu.

We leven in een bijzondere tijd. De opkomst van allerlei apparaten én vooral de constante verbondenheid tussen letterlijk iedereen en alles, zorgt dat het begrip ‘plek’ een nieuwe betekenis heeft gekregen. Een plek had namelijk altijd een hoge mate van exclusiviteit. Tot minder dan een eeuw geleden kon je alleen datgene meemaken, wat gebeurde op de plek waar je was. Het was niet mogelijk om tegelijkertijd ergens anders te zijn of te weten wat op dat moment ergens anders gebeurde.
Een mooi voorbeeld stond in de terugblik op 125 jaar voetbal in Nederland (in het blad VI). Een eeuw geleden was er al een bescheiden voetbalcompetitie in Nederland. Als Willem II uit speelde, namen de Tilburgenaren postduiven mee om het thuisfront te informeren over de vorderingen in de uitwedstrijd. Er bestond al wel telefonie en telegrafie, maar nog geen radio of tv, laat staan internet. Wat in het stadion gebeurde, werd beleefd door de mensen ter plekke en niet door iemand elders. De plek had exclusiviteit.

Alles kan overal
De afgelopen eeuw is die exclusiviteit van de plek verdwenen. Steeds meer mensen kunnen overal werken, winkelen, colleges volgen en voetbal kijken. En we kunnen het allemaal in real time. We zijn overal en altijd met iedereen en alles verbonden. De smart city gaat dus over communicatie. Over communicatie tussen mensen onderling, tussen apparaten onderling en tussen mensen en apparaten. Voorbeelden daarvan zijn er te over: smartphones, slimme thermostaten, zelfdenkende lantaarnpalen, VR-brillen, communicerende vuilnisbakken, auto´s die zelf contact opnemen met de garage en buttons voor op de wasmachine om automatisch nieuw wasmiddel te bestellen. De lijst groeit dagelijks.

Stedenbouwers en andere stadsmakers moeten zich afvragen wat die verandering betekent voor hun stad en dat moeten ze als uitgangspunt nemen bij het ontwikkelen van de toekomstvisie op hun stad. Ze moeten beschrijven wat het ‘waarom’ en het ‘hoe’ is achter de ‘wat’ waar de smart-city-discussie nu vaak over gaat. Want pas als we het ‘waarom’ weten, weten we ook welke processen en producten we nodig hebben om die visie te realiseren. Met andere woorden: wat willen we met onze stad en hoe kan dat in de huidige context worden gerealiseerd?
Een mooi aanknopingspunt om deze vraag te beantwoorden, biedt Kevin Lynch in zijn boek Good city form. Daarin werkt hij een normatieve theorie uit om stedelijke kwaliteit te meten, gebaseerd op fundamentele menselijke waarden. Hij onderzoekt hoe deze waarden zorgen voor een beter begrip van de ontwikkeling van een stad. Hij benoemt zeven indicatoren (vitality, fit, sense, control, access, efficiency en justice) die breed en algemeen genoeg zijn om te kunnen worden gebruikt in specifieke omstandigheden en locaties.
Het interessante aan deze dimensies is dat ze helpen om het ‘waarom’ van smart city-initiatieven in een breder kader te plaatsen. Wie heeft invloed op wat (control)? Heeft iedereen gelijke toegang tot informatie, plekken en voorzieningen (access)? En wat is efficiënt voor wie tegen welke kosten (efficiency)? De zeven dimensies helpen om de nieuwe technologische ontwikkelingen te verbinden met de noodzakelijke visie op de kwaliteit van de stad en haar inwoners. Alle smart city initiatieven geven aan de stad beter, mooier, levendiger of schoner te willen maken. Maar de vraag is aan wie de huidige oplossingen ten goede komen, in welke mate en met welke zeggenschap.

Stad gaat over leefkwaliteit
Om bij het waarom te beginnen: dat is niet wezenlijk anders dan honderd of duizend jaar geleden. Net als in het oude Rome, de Hanzesteden of de tuindorpen, streven we er in onze steden naar een leefkwaliteit te realiseren die economische, maatschappelijke en persoonlijke ontplooiing (welvaart en welzijn) mogelijk maakt.
De opkomst van internet(technologie) verandert de manier waarop dat mogelijk is ingrijpend en verschilt van stad tot stad. Er is een grote gemene deler te zien en die heet flexibiliteit[1]. De opkomst van internet maakt ons op tal van vlakken enorm flexibel, het internet of things vraagt een flexibele stad. De vraag is wat de stedenbouwkundige gevolgen zijn. Wat betekent het voor een stad als je overal alles kan doen? Als je in de kroeg kan werken? Als je thuis op de bank (via virtual reality) live een basketbalwedstrijd in de NBA kan kijken? Als je vanuit het stadion kan skypen met je kinderen thuis? Wat betekent het voor een stad als apparaten met elkaar kunnen communiceren? Als de straatverlichting aangaat als er mensen lopen? Als in feite alles data is geworden.

Er is een nieuwe stedenbouwkundige laag over de stad gelegd die bestaat uit data. Wat zijn de gevolgen voor de stedenbouw als die laag gaat communiceren met gebruikers? Als een plein een parkeerplaats kan worden, reagerend op de verkeersdruk? Als de straatverlichting hulpdiensten de weg wijst bij een ramp (zoals de noodverlichting in een vliegtuig)? Wat betekent het voor de stad als de bedenkers van Pokémon Go op basis van algoritmes (in dit geval locatiegegevens en gebruikersstromen) ontmoetingsplekken definiëren? Kortom, wat betekent de flexibilisering van de stad? En wat zijn de effecten voor hen die niet kunnen of willen meegaan in deze ontwikkelingen. Wat zijn de sociale gevolgen van deze groeiende flexibilisering?

smart cityLeren van elektriciteit
Natuurlijk is er nog veel onduidelijk, de toekomst moet nog worden gemaakt. Maar we kennen gelukkig wel een inspirerend voorbeeld en dat is de opkomst van elektriciteit, ongeveer anderhalve eeuw geleden. Het gevolg daarvan was dat de stad zich enorm kon ontwikkelen. In de breedte en in de hoogte. Trams, metro’s maar ook liften, maakten het mogelijk om mensen en goederen veel verder te vervoeren, waardoor stedelingen veel verder van de productieplaatsen van vers voedsel konden wonen. De stedenbouwkundige antwoorden kwamen van verlichte geesten als Le Corbusier. Het nu zo vanzelfsprekende begrip megastad is ook ooit bedacht en was een direct gevolg van een technologische revolutie. En het gaat hier niet om een oordeel of goed of slecht wat betreft deze plannen. Ze laten zien dat er nagedacht werd over de ontwikkeling van de stad, dat er een visie ontwikkeld werd naar aanleiding van de nieuwe technologische mogelijkheden.
Net als bij de opkomst van elektriciteit, zorgt internet (communicatietechnologie) voor een nieuwe fase in de ontwikkeling van steden. En die moet ook worden gepland. Dat zal vaak goed gaan, maar soms ook niet. Er zullen goede plannen worden bedacht en slechte. Een gezamenlijk kader om het ‘waarom’ en ‘hoe’ van de smart city te beschrijven, bijvoorbeeld aan de hand van een overkoepelende, normatieve theorie, kan ons daar bij helpen.
Maar alles beter dan nu, waarbij we doen alsof de smart city gaat over tools, gadgets en toepassingen. We moeten de verandering echt serieus nemen. Zo serieus dat we onze stad er om heen gaan plannen, in plaats van de verandering in bestaande, achterhaalde structuren onder te brengen.

Arjen Hof, directeur bij Civity
Jan-Willem Wesselink, hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme
Dit artikel verscheen eerder op Platformoverheid.nl

Voetnoot
[1] Dit valt bij Lynch onder de dimensie Fit. Eén van de aspecten die hij daar benoemt is ‘adaptability’: de mate waarin een stad zich kan aanpassen aan wijzigende omstandigheden.

Het einde van het platteland is nabij (en daarmee van de stad)

Volgens Ray Kurzweil gaat de stad verdwijnen. Ik denk het niet en daar schreef ik een blog over waar ik veel positieve reacties op kreeg. En dat is leuk. Maar ik ging ook twijfelen. Want klopt het nou echt dat steden straks nog nut hebben? Of willen we het zo graag dat we niet kijken naar wat er echt aan de hand is?

En ik kwam tot de conclusie dat ik het niet goed zag. Steden verdwijnen niet, maar dat is niet wat er verandert. Wat verdwijnt is het platteland. Of beter gezegd, het verschil tussen stad en platteland. Er bestaan geen verschillen meer tussen stedelingen en plattelanders. Althans, die hebben niet te maken met het feit dat ze stedeling of plattelander zijn. En daarmee verdwijnt het platteland. Of de stad, het is maar hoe je het bekijkt.

plattelandWat me aan het denken zette was een discussie op twitter met Bart Vink over wát kwaliteit van leven is. Dat is natuurlijk nogal subjectief. Maar hoeveel ik zelf ook van de stad hou (en Deventer waar ik woon is niet eens een hele grote stad), ik hou ook van het platteland waar ik vlakbij woon. Ik hou van de rust die daar is, van de donkere nachten, van de kilometerslange lege weggetjes waar je heerlijk alleen kunt hardlopen. Die rust en leegte is ook levenskwaliteit.

Tegelijkertijd is het buitengebied net zo goed verbonden met de wereld als de stad. Er is vrijwel overal snel internet en er zijn misschien steeds minder winkels, de bezorgbusjes komen overal. En maar weinig mensen wonen heel ver van een ziekenhuis. Nederland kent geen achtergebleven gebieden. We zijn geen Schotland of Zweden. We zijn Nederland, waar niemand op meer dan 35 kilometer van de snelweg woont en iedereen overal mobiel internet heeft. Ons platteland is een soort stad met een hele lage dichtheid en een hoge kwaliteit. Waarin koeien zijn vervangen door paarden en tractoren door drones.

En op dat platteland wonen vooral veel mensen die net zo stedelijk zijn en denken als de bewoners van die steden zelf. In alle variaties die daar bij horen trouwens. Die er vaak ook werken, congressen bezoeken, naar concerten gaan en wat je niet meer in de stad kan doen. Dat ze daar wat verder voor moeten reizen, is een keuze. De toevallige ontmoetingen, waar de stad zo om geroemd wordt, die zoeken ze op. Of ze mijden het bewust. Want zo leuk is dat aspect van de stad lang niet voor iedereen. Bewoners klagen dat de stad een pretpark is en Jeroen Niemans concludeerde op twitter terecht dat de stad een megadiscotheek is geworden waarin iedereen op zoek is naar de ander. Dat heeft ook wel iets sneus in zich.

Ik hou heel erg van de stad. Van de drukte en de rare mix met van mensen. Ik word rustig op Times Square. Maar ik ben ook n blij als ik ’s avonds weer thuis ben waar het donker en stil is. En ik ben heel erg benieuwd hoe dat deel van Nederland zich de komende vijftien jaar gaat ontwikkelen als echt alternatief voor de stad. Misschien krijgt Kurzweil toch wel gelijk.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Het einde van de stad is nabij

Het einde van de compacte stad is nabij. Althans, als je Ray Kurzweil mag geloven. Kurzweil is futuroloog en directeur Engineering bij Google en hij stelde tijdens het jaarcongres van de European Public Real Estate Association, dat de stad  ‘een uitvinding van duizenden jaren geleden’ is die we niet meer nodig hebben.

einde van de stadIn 2030 is er volgens hem geen enkele objectieve reden om bij elkaar te wonen in steden. “Waar je dan woont, werkt en ontspant is door 3D-printing en virtual reality helemaal niet meer relevant. Er is bovendien ruimte zat op het platteland.” Want we printen al ons voedsel, las ik in Vastgoedmarkt.

Kurzweil heeft gelijk. Er is over vijftien jaar geen enkele objectieve reden om in steden te wonen. En al helemaal niet in compacte steden. Je hoeft ook helemaal geen futuroloog voor te zijn om dat te voorspellen. Een gewone planoloog kan dat ook zien.

Sterker nog, in Nederland is er nu al helemaal geen reden meer om in de stad te wonen. Steden hadden altijd het voordeel op het platteland dat het knooppunten van kennis, handel, economie waren. In de stad was daardoor meer te halen. Dat voordeel is de stad kwijt, het Sallandse dorpje Oude Molen had eerder glasvezel dan Amsterdam Oud Zuid.

Kurzweil heeft gelijk dat je via internet, 3D-printen en virtual reality overal kunt wonen en leven. De toekomst die Kurzweil voorspelt, kan vaak nu al en er zijn ook mensen die zo leven. Die bijvoorbeeld zijn verhuisd naar het Noord-Franse platteland en toch in Nederland werken. Alleen voor het hoogstnoodzakelijke komen ze terug.

Maar het feit dat er geen objectieve reden is om iets te doen, wil niet zeggen dat het niet gebeurt. Het kan ook gewoon prettig zijn om iets te doen. Er zijn heel veel zaken in het leven waar geen objectieve redenen voor zijn om ze te doen. Naar het museum gaan bijvoorbeeld, een concert bezoeken, eten in een driesterrentent, op het strand lopen, naar het stadion. Voor seks met voorbehoedsmiddel is ook niet echt een objectieve reden.

Bovendien is er ook geen objectieve reden om niet in de stad te wonen. Kurzweil gaat er (zonder dat in het artikel in Vastgoedmarkt wordt toegelicht waarom) vanuit dat het op het platteland prettiger wonen is dan in de stad. Maar waarom? Voor wie van koeien houdt is het natuurlijk heerlijk, maar wie blij wordt van onvoorspelbare drukte, van onverwachte ontmoetingen, van het gekke en het rare, blijft de stad de beste plaats om te leven.

Als alles overal kan, wat Kurzweil terecht constateert, en we dus overal kunnen zijn, is het de vraag waar we willen zijn. De stad wordt het brandpunt van zaken-in-het-leven-waar-geen-objectieve-reden voor is. Wereldsteden als New York, Londen, Tokio, maar ook Londen, Berlijn, Parijs en Amsterdam zijn dat nu al. En dat doen ze buitengewoon succesvol. Daar is geen enkele objectieve reden voor.

Mensen willen daar zijn, ze willen er genieten van kunst en lekker eten. En Ray Kurzweil kan daar straks via zijn VR-bril naar kijken. Terwijl hij een hoofdgerechtje uit de 3D-printer laat rollen.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Ik wil niet dat alles Instagram wordt

Er zijn mensen die een filter over hun leven leggen. Ze maken foto’s van de mooiste momenten, voegen er een kleurzweempje aan toe en delen het via Instagram. Het zijn de shiny happy people uit het liedje van R.E.M. die lachend door het leven gaan met alleen maar andere leuke mensen om zich heen. Zittend op de mooiste plaatsen van de wereld drinken ze hun veel te hippe koffie met hun veel te lieve kind of hond naast zich. Dat gebeurt echt. En er zijn miljoenen van die mensen. Instagram is de persoonlijke collage van een perfect leven met korte fotobijschriftjes die de perfectie benadrukken #NoFilter #Happy # PerfectLife  En dat is dodelijk vermoeiend. Om bij te houden en om te bekijken. Al dat geluk, je wordt er ongelukkig van.

instagram gouden bochtEr zijn ook steden die dat doen. Zo heeft ook Amsterdam zijn eigen Instagrampagina waarop je ziet hoe prachtig die stad is. Hoe mooi die grachtjes zijn als ze leeg zijn of het Museumplein als het vol is met blije mensen met een blij leven. Die dat dan ook weer delen #ILoveAmsterdam. Er zijn zelfs van dat soort pagina’s over het Ruhrgebied.

Bedrijven doen het ook. Zoals Schiphol, die laat zien hoe mooi de luchthaven is als er weer een uniek vliegtuig is geland. Of zoiets. En, eerlijk is eerlijk, ook het Kennislab doet aan Instagram. Ook wij hebben zo’n collagepagina. U weet wel, een beeld zegt meer dan duizend woorden.

Dat is natuurlijk allemaal prima. Als je een perfect leven hebt, mag je daar best andere mensen de ogen mee uitsteken. Dat is ook niet uniek, de werkelijkheid bijpoetsen doen we al eeuwen, of dacht u echt dat al die patriciërs die door Rembrandt werden geschilderd echt zo mooi waren? Allemaal schijn natuurlijk, net als het beroemde schilderij van de Gouden Bocht in de Herengracht waar schilder Berkheyde  de bomenrij wegliet omdat die het zicht op de grachtenpanden ontnam.

Maar Instagram doet ook iets anders. Het heeft een voorbeeldfunctie voor jongens en meisjes. En zo komt de schijnwereld die Instagram is, steeds meer tot leven. Instagram is een soort levende reusachtige Tina, Eigen Huis en Tuin en Wij Jonge Ouders in één. Er hadden nooit fit-girls bestaan zonder Instagram en ook geen babytruitjes met ‘Ik ben Sam’ erop. En die hele Kayne West had zijn kleertjes gewoon op de markt moeten verkopen.

Hetzelfde geldt voor de stad. Elke zichzelf respecterende stad heeft een logo of iets anders opvallends waarmee je kan laten zien dat je in I’Amsterdam was. Parijs had een Eiffeltoren overgehouden aan zijn wereldtentoonstelling (een Instagram-event toen fotografie net was uitgevonden), Bilbao bouwde zijn eye-catcher gewoon zelf.

We kunnen tegenwoordig alles overal. Waar willen we dan zijn? Waar het cool is natuurlijk. En hip. En happy. En waar anderen vinden dat dat is. En waar de zon altijd schijnt of een filtertje laat lijken alsof dat zo is. En zo wordt Instagram de norm voor de stad waarin we wonen en de mensen waarmee we omgaan. En dát is geen #PerfectLife

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Hogeschool moet buiten de grenzen denken

Er zijn hogescholen die hun regionale functie erg letterlijk nemen. Zo keurde een Brabantse hogeschool onze afstudeerstages die wij hebben in Gouda en Zutphen af omdat die plaatsen buiten het land van Guus Meeuwis liggen. Dat vond ik eerst een beetje raar, maar is het niet. De hogescholen hebben Nederland in regio’s verdeeld en op die regio’s richten ze zich. Dat doen ze omdat ze zo beter kunnen aansluiten bij de lokale praktijk. Ze leren zo de lokale spelers kennen, het lokale bedrijfsleven en de lokale gemeenten. En andersom. En dat is goed.

douaneMaar een stage afkeuren buiten dat gebied gaat een flinke stap verder. Regionale binding wordt dan opgevat als uitsluiting van alles van buiten de regio. Dat vind ik geen goede ontwikkeling, want het staat haaks de huidige wereld waarin alles met elkaar is verbonden. Waarin de plek waar je bent steeds minder relevant is en de netwerken waar je onderdeel van bent steeds meer. Die netwerken beperken zich soms wel tot de regio waarin je je bevindt en soms niet. Maar het is niet alleen niet van deze tijd, het is ook een verspilling van talent, omdat oplossingen die voor ’s-Hertogenbosch worden bedacht, soms heel bruikbaar kunnen zijn voor Gouda of Zutphen. Maar waarom ik het echt niet begrijp is omdat het de waarde van het onderwijs verzwakt. Zo’n hogeschool schiet zich dus in zijn eigen voet. Als je studenten verbiedt om buiten de regio stage te lopen, ontneem je ze de kans om verder te kijken dan ze gewend zijn en zo nieuwe ervaringen op te doen. Dat out-of-the-box denken is waardevoller dan menig college en wordt ook gewaardeerd door werkgevers. Een blik van buiten is vaak juist een reden om een stage aan te bieden.

Het hbo noemt zich in het Engels graag University of Applied Science, oftewel universiteit van toegepaste wetenschap. Dat is een prachtige belofte en er is ook behoefte aan. Er is behoefte aan mensen die leren ondernemend te denken en zo kennis kunnen toepassen. Aan professionals die ideeën van anderen toepassen en uitvoeren. En aan mensen die kunnen denken én doen. Maar ik ken geen universiteit die zich beperkt tot een regio. En al helemaal geen universiteit die studenten verbiedt om verder te kijken dan een provinciegrens.

Ik hoop dus dat de afwijzing die wij kregen de uitzondering op de regel is. Niet omdat wij zo moeilijker stagiairs vinden (want die vinden we vast wel), het gaat me ook persoonlijk aan het hart. Ik heb zelf op het hbo heb gezeten en er werd gepionierd en geëxperimenteerd. Ik liep niet alleen stage in een andere provincie, maar ook in een ander land. Regels waren er alleen voor diegenen die zich er aan wilden houden. Het was een prachtige leerschool waar ik ook nog wat leerde. Dat gun ik de hbo’ers van nu ook.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Wij zijn veel te eigenwijs voor een WALL•E-stad

Als ik me iets te optimistisch voel over de toekomst van de stad en de rol van technologie daarin, dan kijk ik WALL•E. Vooral het fragment waarin stadsbewoners als baby’s door de stad worden gereden, is ontnuchterend en beangstigend. Hoewel het ook weer geen klassieke dystopia is, die zijn over het algemeen nog veel enger. En minder kleurrijk ook.

Het fragment uit WALL•E lijkt helemaal niet meer zo ver weg. Communiceren via schermpjes doen we al en de projectietechniek is een kwestie van tijd. De megascreens zijn al te vinden op Times Square en komen stap voor stap ook in ons straatbeeld. De robots die drankjes brengen, dat kan gewoon, want wat kost een drone nog? En zelfrijdende voertuigen, ze staan in elk zichzelf respecterend plan voor een hoogstedelijk leefklimaat. WALL•E laat bovendien een stad zien die flexibel is, zo flexibel als de animatiesoftware waarmee die stad is geschapen. En flexibiliteit is de droom van elke moderne stedebouwer.

De wijk van de toekomst is een flexibele wijk. Smart City, betekent eigenlijk flexibel. En flexibel betekent eigenlijk efficiënt. Want dat is wat internet overal doet, het maakt processen efficiënt. Of het nu gaat over het verspreiden van nieuws, het vinden van de weg, het kopen van boeken, het luisteren naar muziek, het gaat allemaal een stuk efficiënter dan voor de tijd van het internet. Bovendien maakt internet alles kleiner. We hebben geen papier meer nodig, geen cassettebandjes, geen landkaarten, geen winkels en ook geen eigen bureau. Werken kan ook op je bank thuis die je opeens de hele dag kan gebruiken. Dag bureaustoel. Dag werkplek. Dag kantoor.

Maar maakt dat ons ook tot slaven van het systeem? Ik denk het niet en wel om twee redenen. Ten eerste omdat we technisch (nog lang) niet zo ver zijn. Internet heeft weliswaar de afgelopen jaren een digitale laag over de stad gelegd. Maar anders dan WALL•E en veel andere dystopia’s suggereren is dat niet één netwerk waarin alles met iedereen is verbonden, maar zijn het heel veel verschillende netwerkjes met verschillende eigenaren die maar matig met elkaar communiceren. Nou ja, nog niet. Misschien komt dat nog wel, net als bij elektriciteit en het spoor.

Maar de belangrijkste reden is dat ik niet geloof dat wij als mensheid dat willen. Waar al die dystopia’s vanuit gaan is dat mensen zich zo gemakkelijk laten conformeren. Maar tenzij er een of andere engerd aan de macht komt, doen we dat nooit vrijwillig. Wij willen ons onderscheiden. Wij willen heel graag laten zien dat we anders zijn dan de ander. Kijk alleen al naar de manier waarop we onze ringtones, achtergrondjes, bureaubladen personaliseren. En niet voor niets zijn hipsters in. Wat hipsters namelijk vooral willen, is geen hipster zijn. Je onderscheiden is het uitgangspunt.

Wij laten ons niet leven, domweg omdat we er veel te eigenwijs voor zijn. En dat is een geruststellende gedachte.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Kanye snapt wel wat klant wil

Het was lang geleden dat er zo’n lange rij voor een winkel stond in Nederland. Nou ja, op het sterfhuis-prijzencircus van V&D na dan. Maar Kanye West kreeg het voor elkaar dat mensen tien uur lang in de rij stonden. De rapper richtte vorige week op 21 plaatsen in de wereld een weekend lang een fanstore in (Pablo Pop Up geheten, naar zijn nieuwste album) waar een dure pet, een duur t-shirt, een dure trui en nog wat dure dingetjes te koop waren. Die waren, zo gaven ook sommige fans toe, niet bijzonder mooi. Maar Kanye had ze zelf ontworpen en dan moet je ze hebben. Daarbij, misschien kwam Kanye wel naar Amsterdam. Dat deed hij natuurlijk niet en het winkeltje bleek gewoon een winkeltje, terwijl sommige fans een soort hoger universum hadden verwacht. Het leverde Kanye een miljoen dollar op. Per winkel.

Het winkeltje van Kanye West is een mooi voorbeeld van wat de smart city ook is: betekenis en bestemming. In elke stad had hij de plaatsnaam op de verder universele collectie gedrukt. En zo verbond hij global met local en die twee weer met de zorgvuldige gecreëerde persoonscultus rondom meneer West zelf. Dat vervolgens via social media een hype werd ontstond, lag voor de hand.

Kanye West (1)Wat Kanye West heel goed snapt, is dat in een tijd waarin we met alles en iedereen verbonden zijn, de unieke ervaring het meest waardevol is. En om dat te koesteren mochten de bezoekers van de Pablo Pop Up Stores met maar een paar mensen tegelijk naar binnen, mochten ze de kleding niet passen (en zelfs niet aanraken voor ze het kochten) en mochten ze van elk artikel maar een paar stuks meenemen (om internethandel tegen te gaan).

Luxe is datgene waar je niet gemakkelijk aan kan komen. Schaarste drijft de prijs op. Dat is van alle tijden. Maar iets wordt pas echt luxe als je er blij mee kan zijn en trots op kunt wezen. Als je er mee kunt pronken. Een unieke ervaring was altijd al luxe, maar sinds we er via social media trots op kunnen zijn, is de waarde alleen maar gestegen. Ook steden maken daar gebruik van. Kijk maar hoeveel mensen trost voor de I’amsterdam letters staan. Maar de ene stad doet dat wel veel beter dan de andere. Kanye West koos dan ook niet zomaar voor Amsterdam, Berlijn en Londen. Hoewel die steden wel een beetje tweede keus waren. Al eerder was er een pop up store in Parijs en daarvoor in Los Angeles. En de allereerste was in New York. Zo uniek waren die Amsterdamse truitjes van de rapper dus ook weer niet. Daar wacht je dan tien uur op.

Maar de les die we van Kayne kunnen leren is dat het kan. Dat als je weet wat klanten willen, je ze er tien uur op kan laten wachten. En dat steden A-merken kunnen zijn. Elke stad, elke plek is uniek, het is nergens hetzelfde. De kunst is om dat zo optimaal mogelijk te benutten.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Agorafiel

Van pleinen word ik rustig. Straten zijn leuk. Parken zijn mooi. Maar niets kan tippen aan pleinen. Pleinen zijn de fijnste openbare ruimtes van de stad. Of het nu Times Square in New York is, het Sint Pietersplein in Rome of het Piazza del Popolo in Rio nell’Elba. Ik word rustig van de ogenschijnlijke chaos, waarbij iedereen zijn eigen ding lijkt te doen, de ruimte die ruimte geeft aan initiatief, een goed plein geeft je voldoende afstand om al dat gedoe te bekijken zonder er per se deel van te hoeven zijn. Althans niet van alles wat er gebeurt. Op een goed plein gebeurt er van alles te gelijk, zonder dat er een verband is tussen die activiteiten. Een goed plein biedt daar de ruimte toe.

plein sint pieter

Pleinen kunnen ook eenduidigheid afdwingen. Het Sint Pietersplein op eerste Paasdag, De Brink in Deventer als Go Ahead Eagles is gepromoveerd, Times Square tijdens New Years Eve. Maar dat vind ik de minst interessante momenten van pleinen. Collectivisme is boeiend van een afstandje, maar veel spannender is het individualisme. Bij het Sint Pietersplein in Rome wordt dat bijna naadloos doorgezet in de basiliek, die eigenlijk ook een groot plein is. Met delen waar je wel mag komen, delen waar dat niet toegestaan is en delen waar dat niet voor iedereen is toegestaan. Pelgrimsstoeten die via een speciale looproute richting het midden van de kerk lopen, een mis die wordt gehouden in een vleugel. Daar tussendoor lopen drommen atheïstische of niet zo gelovige toeristen, maar ook Romeinen die elke dag even naar de kerk komen en Katholieken van over de hele wereld op bedevaart. Maar het mooist vind ik de man op de dweilwagen die bijna onverstoorbaar de marmeren vloer dweilt. Alsof hij geen deel is van de ruimte. En toch heel erg wel. Dat dat allemaal tegelijk gebeurt, dat maakt pleinen zo mooi. En die chaos geeft mij rust.

Italië heeft de mooiste pleinen van de wereld met bijvoorbeeld het Piazza del Campo in Siena, het al genoemde Sint Pietersplein, maar het allermooiste Italiaanse plein is het Piazza dell’ Anfiteatro in Lucca, waar uit een Romeins Amfitheater een ovaalvormig pleintje is ontstaan, waaromheen op de plaats van de tribunes een rij huizen staat die allemaal verschillend zijn en toch een eenheid vormen. Op het plein is het leven, staan marktkraampjes, een terras, een goede ijscoman, spelen wat kinderen met een bal, rijdt een autootje. Daar word je niet alleen heel rustig van, maar ook heel gelukkig.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Gründerzeit der Digitalisierung

Toen ik in de jaren tachtig met mijn ouders kampeerde, wij gingen altijd naar de Alpen, was een van de hoogtepunten van de dag het weerbericht van Jan Pelleboer. Via de Wereldomroep hoorden we hoe het weer was in de streek van bestemming en in Nederland. Waarbij het natuurlijk een fijn genoegen was als we niet voor niets naar het Zuiden waren afgereisd.

analoge stadJan Pelleboer is niet meer en de Wereldomroep ook niet. Wat is gebleven is een romantisch verlangen naar de tijd waarin we via de munttelefoon aan mijn opa en oma lieten weten dat het goed ging en waarin we ons verbaasden over de mensen die dat niet deden, want zij kwamen in de ANWB-oproepen (‘ze reizen in een blauwe Volkswagen’).

Ik moest er aan denken toen ik dit jaar tijdens mijn vakantie op twitter het een artikel in de Süddeutsche Zeitung las waarin Wolfgang Christ (tot 2013 professor aan de architectuurfaculteit van de Bauhaus-Universität Weimar) stelt dat in de ‘Gründerzeit der Digitalisierung’ de steden een analoge vluchthaven worden in een gedigitaliseerde wereld. Dat is een prachtige verwijzing naar een van de belangrijkste periodes uit de Duitse geschiedenis, de Gründerzeit, waarin de Duitse steden sterk groeiden. Maar stellen dat steden een analoge vluchthaven zijn, is van dezelfde romantiek als mijn verlangen naar Jan Pelleboer. Het is een fijn soort weemoed naar tijden die voorbij zijn. Net zoals in de vorige Gründerzeit de stoommachine, de trein en elektriciteit de steden radicaal veranderden, gaat het internet dat nu ook doen. De industriële revolutie maakte het mogelijk dat onze steden bijna onbeperkt konden groeien, lees het boek ‘The Hungry City’ van Carolyn Steel er maar op na, de communicatierevolutie maakt steden flexibel door het toevoegen van een datalaag die betekenis kan geven aan de plekken die dat niet hadden (wat gebeurt bij Pokémon Go), apparaten met elkaar kan laten communiceren (via de internet of things) of verkeerstromen flexibel kan maken. Doordat we overal kunnen werken en winkelen, verandert de vanzelfsprekendheid van kantoren en winkels. Maar tegelijkertijd krijgen goede plekken ook meer betekenis. We willen alleen nog maar daar zijn, waar het goed is. En er kan nog veel meer, maar wat dat is weet ik niet zo goed, dat gaan we merken. Het is niet de vraag of er veel gaat veranderen, maar hoe. We weten nog niet wat de invloed wordt van augmented reality, van zelfrijdende auto’s, van the internet of things, we zitten immers in de Gründerzeit der Digitalisierung.

Het is spannend en eng en net begonnen, maar analoog wordt het sowieso niet. Dat is jammer voor de romantici, maar romantiek is gelukkig  van alle tijden. Ik denk dus dat mijn kinderen later met weemoed terugdenken aan de wandelingen naar de plekken op de camping waar wel wifi was. En dat hun kinderen dan vragen wat wifi is. Laat het een troost zijn voor Wolfgang Christ, van wie ik nooit had gehoord in een analoge wereld.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Stadsliefde moet je koesteren

Dat had ik dus veel eerder moeten doen. Door Rome lopen, van het Palantijn, via het Forum Romanun naar het Colosseum en ontdekken en misschien ook wel voelen dat hier al zolang mensen wonen en leven. Dat urbanisme niet alleen over de toekomst gaat, maar ook over het verleden. En dat het indrukwekkend is om door een Middeleeuwse stad als Deventer te lopen en bijzonder om de Gouden Eeuw te beleven aan de Amsterdamse grachten, maar dat dat dus allemaal volledig in het niet valt bij de Romeinen die er al een hoogwaardig stedelijk leven op na hielden toen wij nog rendiervelletjes over de Rijn dobberden.

stadsliefdeEn te begrijpen dat het een diepe menselijke behoefte is om in de stad te leven. En dat die misschien nog wel dieper is dan de behoefte om dat niet te doen. Immers, niemand dwong ons ‘de mensheid’ om die holen te verlaten en uiteindelijk Rome te bouwen. Dat kwam uit ons zelf.

Want dat vond ik het meest indrukwekkend aan Rome, de liefde voor de stad die de Romeinen hier tentoonstelden en die, tweeduizend jaar later, nog steeds voelbaar is. En zoveel andere steden met een scheppingsverhaal ken ik ook niet. Je ziet je zo lopen in het Forum Romanum of zitten in het Colosseum. Trouwens, zo anders ziet het Bernabeu in Madrid er helemaal niet uit.

Die liefde voor de stad, voelt als een liefde voor het stadsleven en voor de stadsbewoners. Niet voor iedereen natuurlijk (er werd niet bepaald gevoetbald in het Colosseum en er waren veel rare keizers), maar toch, je kan het stadsleven bijna voelen.

In Rome drong het weer tot me door hoe diep de behoefte is om in de stad te leven. Stadsleven, of beter gezegd, stadsliefde, is een diepe menselijke behoefte, die we (net als veel andere diepe menselijke behoeftes) moeten koesteren. Dat leerde Rome weer eens.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Virtual reality vult echte werkelijkheid aan (maar vervangt die niet)

Toen ik een paar maand geleden voor het eerst een virtual-reality-bril op had, voelde ik me zoals de eerste mensen die tv keken. Het was een wonderbaarlijke ervaring. Het voelde alsof ik echt in de bergen was, die de makers van het programma hadden getekend. En een paar klikken later was ik in Venetië, al net zo echt.

virtual realityWie zo’n Oculus Rift bril en een flinke koptelefoon op doet, vergeet waar hij is en waant zich ergens anders. Daar kan geen tv tegenop en de mogelijkheden lijken onuitputtelijk, zeker in combinatie met livestream. Als Real Madrid de moeite neemt om een stoeltje te vervangen door een 360-graden-camera kunnen straks miljoenen voetbalfans tegelijkertijd een stadionervaring krijgen die veel echter is dan welke tv dan ook. Houdt u niet van voetbal, maar wel van ballet, dan logt u toch in bij een van de topgezelschappen en kijkt u daar (tegen betaling) een van hun voorstellingen? Even kijken op de maan, de Atlantische Oceaan of Death Valley? Het kan straks allemaal.

Is dat dan niet sneu, zo’n grote bril op je hoofd. Beetje wel natuurlijk en daarmee zal het niet het tv-kijken vervangen (wat toch deels een sociale gebeurtenis is), maar steeds meer mensen leven alleen en vermaken zich dus ook alleen. En dan is een VR-bril een verrijking. Daarbij is het wachten op de optie om te kunnen communiceren met bekenden terwijl je kijkt. Ik kan me in ieder geval goed voorstellen dat ik zo’n ding op zet als ik in alleen in een hotelkamer zit of onverhoopt in het ziekenhuis lig.

Nou zijn die entertainment functies leuk, maar wat zijn de gevolgen voor de stad? Zitten we straks allemaal met zo’n bril op ons hoofd in een Wall-E-wereld? Misschien, maar wat virtual reality doet is in ieder geval veel fundamenteler dan de huidige toepassingen laten zien. Virtual reality geeft namelijk de mogelijk om op elk moment echt ergens anders te kunnen zijn. Dat deed televisie een beetje, maar VR gaat veel verder. Als ik zo’n virtueel kaartje koop voor Real Madrid – Barcelona, ben ik ook echt in het stadion. Ik kan om me heen kijken, zoals iedereen in het stadion, ik zie wat iedereen ziet. Mijn beeld wordt niet geregisseerd, ik ben er echt. Nou ja, virtueel dan.

De functie van de plek wordt steeds minder belangrijk. Anderhalve eeuw geleden moest ik ergens zijn om daar iets te kunnen doen. Nu kan ik online werken, kopen, leren, muziek luisteren en door de Oculus Rift kan ik ook ergens anders om me heen kijken. Het is slechts wachten op vliegende 3D-camera’s (als ze al niet bestaan) waarmee ergens anders kunnen rondlopen. En er zal tal van voorbeelden te bedenken waarbij dat heel handig is.

En toch reed ik deze zomer naar het Zuiden om Rome echt te zien. Om de zon echt te voelen. Om echt te zwemmen in de echte zee. En ik denk ook niet dat ik mijn seizoenkaart voor Go Ahead Eagles inruil voor een virtueel stoeltje. Al is het maar omdat virtueel bier minder lekker is.

Uiteindelijk worden echte ervaringen alleen maar waardevoller in een wereld vol schermen. Uiteindelijk is er namelijk maar een werkelijkheid.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

De stad is Pokémon Go

Even dacht ik dat ik hopeloos achterliep, maar die hele Pokémon-Go-rage is dus nog maar een week oud. Dat is natuurlijk op zichzelf al fascinerend. Dat iets zo snel zo groot kan worden. Dat de hele wereld letterlijk binnen een week iets nieuws omarmt. Sterker nog, binnen twee dagen. Maar Pokémon Go is vooral fascinerend omdat het van de wereld speeltuin maakt. En voor het eerst een digitale speeltuin. Want een speeltuin was het al toen ik vroeger over het fietspad naar mijn opa en oma racete, denkend dat ik Eric Breukink was, leefde ik ook in een andere realiteit. En dat is precies de essentie van het de rage. Over de stad wordt een nieuwe realiteit gespannen, een augmented reality, waarmee in je scherm elementen aan de omgeving worden toegevoegd. Dat is geen nieuwe techniek, sinds er smartphones zijn, wordt er mee geëxperimenteerd. Maar een groot succes werd het tot nu toe nooit. Je had een app waarmee je door het verleden van Berlijn kon lopen, maar ik weet niet of iemand dat ooit heeft gedaan.

pokémon goSinds we allemaal een smartphone hebben en sinds alles om ons heen (of in ieder geval steeds meer) met elkaar en met ons communiceert is de stad verandert. We zijn een internet-van-mensen in een internet-of-things. Maar daar waren we ons nooit zo van bewust. Nou ja, ik niet, want alles went heel langzaam. Je went er langzaam aan dat Google altijd weet waar jij bent je de goede weg wijst. Het went langzaam dat je altijd met elkaar in contact bent. We vinden het niet gek dat de parkeergarage ons nummerbord kan lezen en weet dat we hebben betaald.

En stap voor stad is alles om ons heen data. Klaar om te communiceren. Met ons en met de rest van de stad. De stoep, de lantaarnpaal, de bomen, het gat in de weg, de hond en vooral wij zelf. Dat klinkt heel erg als the Matrix, maar via mijn smartphone kan ik meten waar ik ben, wat de hoogteverschillen zijn, of dat gat in de weg er zit en wat voor soort hond er voorbij komt. Nou ja, dat laatste weet ik niet zeker, maar dat zou zeker een handige app zijn. Er is in onze stad een nieuwe laag gekomen, de datalaag. Die laag maakt van de stad een constant veranderd geheel, zo flexibel als de schermen op Timesquare. Wat nu een parkeerplaats is, is over een paar uur een plein. Die laag reguleert verkeersdruk, bepaalt openingstijden van parken en musea en wie weet wat nog meer. En die verandering. biedt een enorme kans voor de stedebouw en stedebouwers. Want we laten toch niet de technerds en de Googlers van de wereld bepalen hoe onze steden functioneren? Daar hebben we toch stedebouwers voor? Waarom ontwerpen die dan wel de tastbare lagen (zowel boven als onder de grond) en denken ze na over het sociale gedrag, maar bemoeien ze zich niet met die datalaag? Die op dit moment allesbepalend is. Ik pleit daarom voor een omgevingsvisie die als uitgangspunt neemt dat de hele stad flexibel is en die vanuit de datalaag ontwerpt. En ik pleit ervoor dat we daar dan de hele dag Pokémon Go spelen, omdat dat spel het symbool staat voor de grote verandering waar we nu midden in zitten.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Dan nog beter een saaie omgevingsvisie

Drie dagen lang kregen we tijdens onze Summerschool in Wijk aan Zee een spoedcursus ‘Omgevingswet’. We leerden veel over de wet en de wetgeving, maar kregen nog vaker te horen dat het daar helemaal niet om ging. De omgevingswet is een juridische kaalslag (80% minder wettekst), maar vooral (en ook wel daardoor) een cultuurverandering die vergelijkbaar is met de recente herziening in de zorg. De wereld is, als je de wetgever mag geloven, zo complex geworden dat je niet meer alles kunt regelen. En dus zoeken de gemeenten het zelf maar uit. Ik vat het een beetje kort samen.

malmö omgevingsvisieBelangrijk in de omgevingswet is de omgevingsvisie. Het Rijk omschrijft het zelf, op een van de vele voorlichtingssites als volgt: ‘In een omgevingsvisie staan de ontwikkelingen en ambities voor een grondgebied. Daarbij rekening houdend met onderwerpen als bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en  cultureel erfgoed. De visie is geen gedetailleerd plan maar toont de hoofdlijnen voor het langetermijnbeleid. Het Rijk, provincie en gemeente zijn verplicht een omgevingsvisie te maken.’ Kort samengevat: in een omgevingsvisie schrijf je op wat je visie is op een bepaalde omgeving wilt. En zoek het verder maar uit.

Een visie hebben is niet gemakkelijk. Het is niet voor niets dat er zoveel boeken over zijn geschreven. Het is niet voor niets dat de Ted-talk van Simon Sinek zo’n hit is. Een visie hebben is ook eng. Je moet dan iets vinden. Een mening hebben. Je kop boven het maaiveld uitsteken. Maar het allerlastigste is wel dat het bijna niet kan om als gemeente een langetermijnvisie te hebben.

Gemeenten, provincies, het rijk, hun visie geldt tot de volgende verkiezingen. En zo hoort dat ook. Maar hoe kan je dan als gemeente een langetermijnvisie opstellen? Wat staat daar in dat boven de politieke waan van de dag uitsteekt? Eigenlijk zijn er maar twee smaken: heel saai of heel spectaculair. De eerste smaak is niet politiek. Je zegt dat je als gemeente mee wil in de vaart der volkeren, dat je midden in de wereld ligt, goed ontsloten bent en meer van dat soort gemeenplaatsen. Er zijn in binnen- en buitenland heel erg veel voorbeelden te vinden van deze smaak. De andere smaak is juist heel politiek gevoelig. Misschien wel zo politiek gevoelig dat het niet meer gevoelig is. Dat werkt dan ook vooral in een gemeente die op sterven na dood is. Een mooi buitenlands voorbeeld is Malmö, waar in het voormalige haventerrein die prachtige toren van Calatrava werd gebouwd. In Nederland: Zaanstad, Eindhoven ook. Zo’n visie mag overlopen van ambitie. Maakt niet uit of de lat te hoog ligt, dan spring je tenminste.

Er zitten veel gemeenten in de eerste categorie, veel minder in de tweede. Maar het slechtst af zijn de gemeenten die iets er tussenin doen. Die een beetje visie hebben. Of een visie die niemand echt begrijpt. Stel dat Amersfoort de sportiefste gemeente van Nederland wil zijn (dit is een fictief voorbeeld), dan vind ik dat niet logisch. Of dat Deventer een logistieke centrum wil zijn. Ook niet logisch. Ik heb medelijden met die gemeenten. Gemeenten die uitkomen op zo’n niksige poldervisie. Waarbij de visie niet inspireert maar irriteert. Dan kun je nog beter lekker saai het middelpunt van de wereld denken te zijn.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Behoefte aan spiegelglas en roestvrijstaal

Bij ons thuis hingen vroeger oranje gordijnen met grote bruine bloemen. Of andersom, dat weet ik niet meer. Ook paars en geel waren populaire kleuren in de tijd waarin ik opgroeide. Bielzen langs de tuintjes, grote planten in de kamer. Mijn moeder had een wandkleed geknoopt en ergens in de kamer stond een grote glazen pot waar iets in groeide. Ik weet niet precies wat. Niemand wist dat. Maar nee, ik was geen bloemenkind, ik liep niet op blote voeten over straat (wel in van die schattige rode klompjes) en mijn ouders zaten niet elke avond te blowen. Nooit eigenlijk. Het waren de jaren zeventig waarin de hippie-trend mainstream was geworden.

Ik moest er aan denken toen ik vorige week ergens bij het Vondelpark had afgesproken en struikelde over de handgeschreven borden waarop craft-beer, echte burgers en ander stoer voer werd aangeboden. Langs fietsenmakers die kale frames en wielrentenues uit de jaren tachtig verkochten en een kiosk waar je kon bbq-en. Of zo iets. En ik begreep dat de hipstertrend mainstream was geworden, zoals in de jaren zeventig de sixties via de gordijnen de huiskamers van de gewone Nederlanders waren binnengedrongen. Want niet alleen bij het Vondelpark staan die borden en zitten die fietsenmakers, heel Nederland is aan het verhipsteren. De handgeschreven bordjes liggen bij de Blokker (die nu zelf ook hipster uit ziet) en het Stoer Voer Festival wordt gesponsord door de grote merken waar hardcore hipsters zich tegen afzetten. Alles moet authentiek en verantwoord en vooral stoer. Met baarden en tattoos en zo. En ik gun iedereen zijn tot foodtruck verbouwde helblauwe Citroën-bus, maar ik word er wel een beetje moe van als ik weer zo’n kind op een baal stro zie zitten.

Die hele hipster-mode van nu is in feite niets meer dan een sterk verlangen naar vroeger. Toen mannen nog ruig (ook zo’n woord) waren en vrouwen bevallig. Toen we nog onze eigen koeien hielden, ons eigen brood bakten en ons eigen bier brouwden. En daar nachtenlang over konden ouwehoeren. Nou ja, denk ik niet. Dat doen we nu. Dat verlangen naar vroeger is er eigenlijk altijd. Eigenlijk zijn de baarddragers die naar stoer-voer-festivals gaan niet anders dan de mensen die rondstruinen op brocantes en landleven-festijnen. Hun verlangen naar vroeger klinkt hetzelfde als dat van de brexiteers. Vroeger was alles beter. En dat mag je natuurlijk vinden.

Het interessante van de échte hipsters is dat ze nieuwe ideeën bedachten en vooral dat ze op een nieuwe manier keken naar oude fabrieken (daar kun je in wonen), de zorg (dat kun je ook zelf doen), het milieu (dat kan ook autarkisch), voedsel (stadslandbouw). Enzovoort. De vraag voor nu is hoe die ideeën groot kunnen worden. Hoe je van een mooi idee een mooi bedrijf kan maken. Hoe grote organisaties kunnen profiteren van deze vernieuwing. Ideeën zijn er ondertussen genoeg. De echte vraag is hoe we met al die ideeën business gaan maken. Dat doen de technerds in Silicon Valley natuurlijk allang (kijk naar Facebook, kijk naar Google), maar dat gaat ook gebeuren in de vernieuwende vormen van stadslandbouw, zorg, milieu en stedebouw. En ik hoop soms stiekem dat het in de stedebouw geval gepaard gaat met een flinke dosis neo-modernisme. Na al dat retro-flower-power-gedoe, ben ik toe aan spiegelglas en roestvrijstaal.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Geen misschien-wel-hele-mooie-woningbouw op Nederlandse dorpsweides

Er is een woningtekort. En dus willen bouwers bouwen. En daar mocht Taco van Hoek, directeur bij het Economisch Instituut voor de Bouw, iets van zeggen. In Nieuwsuur van afgelopen donderdag stelt hij dat gemeenten ‘creatief moeten nadenken over de groene ruimten, de weilanden, rond om steden, waar misschien ook hele mooie woningbouw te creëren is.’ Van Hoek pleit in de uitzending voor meer bouwlocaties in de steden, inbreiding dus, en ook daarbuiten. Maar dat laatste mag je eigenlijk niet vinden, weet ook Van Hoek. Dus noemt hij het ‘hele mooie woningbouw’, want daar kan toch niemand tegen zijn? Nou ja ‘misschien’ dan.

dorpsweides wijk aan zeeMet zijn uitspraak gaat Van Hoek nogal in tegen Neprom-voorzitter Bart van Breukelen die op dezelfde dag pleit voor een mooi Nederland. De vastgoedbaas bood donderdag Minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu de visie ‘Ruimte maken voor het Nationaal Geluk’ aan. Daarin verwijt de Neprom het ministerie niet alleen een totaal gebrek aan visie, maar stelt ze ook dat Nederland ‘met haar netwerk van middelgrote steden in het open blauw-groene landschap een enorm sterke uitgangspositie ten opzichte van monocentrische miljoenensteden als Londen en Parijs.’ Kortom, we kunnen gewoon het coolste land van de wereld worden als we het willen en niet de hele donderse bende volbouwen met misschien-wel-hele-mooie-woningbouw.

Maar ja, zo stellig is Van Breukelen dan ook weer niet. ‘Gezien de omvangrijke huishoudensgroei, de differentiatie in woonvoorkeuren en de beperkte ruimte in bestaand stedelijk gebied moet een deel van de nieuwe huizen gebouwd worden in relatief kleinschalige, ruim opgezette nieuwbouwwijken, aansluitend op bestaand stedelijk gebied en gebruik makend van bestaande voorzieningen en infrastructuur’, zo staat het in het persbericht van de vastgoedclub. Hé? Wat wil je nou? Wie heeft er nou geen visie? Of kwam de Neprom er niet helemaal uit en moest iedereen tevreden worden gehouden? Ongetwijfeld dat laatste. En dat is precies waarom Nederland vol wordt gerommeld met misschien-wel-hele-mooie-woningbouw.

De afgelopen weken was ik, ter voorbereiding op onze summerschool, een paar keer in Wijk aan Zee. Dat is een soort eilandje in de Tata-steel-zee. Ingeklemd door beperkingen van de staalgigant aan de ene kant en het Natura-2000-gebied aan de andere kant kan er alleen maar iets nieuws worden gebouwd als er een ander gebouw verdwijnt. Dat vinden de dorpelingen vast niet allemaal prettig, het staat de economische en sociale groei van het dorp in de weg.

Maar mooi dat de dorpsweide midden in Wijk aan Zee niet wordt volgebouwd. Waar er in andere kustdorpen beetje bij beetje is aangerommeld met misschien-wel-hele-mooie-woningbouw, leidt hier een nieuw toegangshek al tot een stevige discussie. En gelijk hebben ze. De dorpsweide is het allermooiste wat Wijk aan Zee heeft. En wat heel mooi is, moet je heel goed beschermen. Want wat heel mooi is biedt ‘ons een enorm sterke uitgangspositie ten opzichte van monocentrische miljoenensteden als Londen en Parijs.’ En anders geniet je er gewoon lekker zelf van.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

 

Ik wil helemaal geen efficiënt leven

Er zijn pakketdiensten die je pakje bezorgen waar jij bent. In ruil voor je privacy bezorgen ze je nieuwe bikini (hun voorbeeld) precies waar je die nodig hebt. Dus je bent je hond aan het uitlaten (ook hun voorbeeld) en dan staat daar opeens een pakketbezorger met een grote smile (weer hun voorbeeld) en je nieuwe bikini. Dat klinkt natuurlijk erg gemakkelijk. En reuze-efficiënt. En dat is dan ook hun belangrijkste argument, je bent nooit meer tijd kwijt voor het halen van een pakje bij de buren of Albert Heijn. Het is efficiënt.

Wat is dat met streven naar efficiency van al die tech-nerds? Ik wil helemaal geen efficiënt leven. Ik wil een gelukkig leven. En geluk heeft maar weinig met efficiëntie te maken.

Ik klaag niet over vooruitgang. Ik gebruik Google Maps om te weten waar de files staan, ik app met mijn familie als ik werk en met mijn collega’s als ik thuis ben, kortom ik begrijp dat de wereld is veranderd en dat het begrip tijd is veranderd. Ik vind het ook wel echt wel fijn dat in Nederland alles goed geregeld is, dat de overheid goed zijn werk doet, dat de treinen vrijwel altijd rijden en dat vrijwel nergens in de rij hoeft te staan. Een beetje efficiëntie is nuttig en fijn.

Lekker inefficiënt bij GoAheadEaglesMaar mij bekruipt soms het bange gevoel dat de jongens en meisjes uit de tech-wereld werkelijk denken dat het efficiëntie mijn hoogste doel is. Dat het mijn leven gelukkiger maakt. Ze bedenken tools waarmee ik op afstand mijn verwarming thuis aan kan doen of kan weten wat er in mijn koelkast ligt. Ze denken zelfs dat ik het prettig vind dat Spotify voorspelt wat ik leuke muziek vind. En het argument daarbij is altijd dat ik dan tijd over hou om leuke dingen te doen. Omdat ik dan geen tijd kwijt ben aan inefficiënte dingen.

Maar ik word helemaal niet ongelukkig van de verwarming aan doen, zelfs niet van een koude kamer. Het maakt me niet uit dat ik niet precies weet wat er in mijn koelkast ligt. En wat kan mij het nou schelen dat ik mijn pakje bij de buren moet ophalen, zie ik die ook nog eens. Kortom, al die handige tools die mijn zogenaamd gelukkig zouden moeten maken, doen dat helemaal niet. Ik word niet gelukkig van een efficiënt leven. En ik wil al helemaal geen leven dat wordt voorspeld door apps.

Ik word juist gelukkig van een inefficiënt leven. Van uitslapen, van lummelen in mijn tuintje, van kijken naar mijn bloeiende rozenstruik. Van het geouwehoer met mijn gezin. Van een pontje in plaats van de brug. Van te vroeg naar het stadion gaan omdat je dan kan kijken naar het inspelen. Van te lang blijven hangen in de kroeg. Ik word gelukkig van een parkeerplaats vol mensen die hun clubje zien promoveren en daar heel blij bij kijken. En toen de tickets voor de play-offs-finale niet werden gemaild en ik ze zelf moest ophalen vond ik dat niet erg. Sterker nog, de echte kaartjes die ik toen kreeg waren me dat ritje meer dan wel waard.

Als de tech-nerds ons leven steeds efficiënter maken, wordt inefficiëntie vanzelf een luxegoed. Dat wil ik niet. Ik wil een zo inefficiënt mogelijk leven.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Startups zijn de nieuwe Valleys

Neelie Kroes kwam, zag en veranderde Nederland van een Valleyland in een Startup-land. Dat is knap. En goed ook. En een beetje dommig.

Een jaar of tien geleden waren Valleys een hit in Nederland. Als reactie op het succes van Silicon Valley noemde elk gemengd bedrijventerrein zich voortaan een Valley. Elke provincie had sowieso zijn eigen Silicon Valley (die dan bijvoorbeeld de ‘Silicon Valley van Drenthe’ werd genoemd), waar het dan ging over ict en andere techdingen, er werden ook allemaal andere Valleys geopend. Energy Valley, Health Valley, Food Valley. Nederland veranderde in een heuvellandschap vol met valleien.

Een paar jaar laten was Richard Florida heel hip en moest elke stad een creatieve hotspot worden. Je moest de creatieve sector aan je binden en dat kon het best op sterk verwaarloosde haventerreinen en in lege kantoorgebouwen. Creatieven hielden blijkbaar van kaal beton en lege silo’s.

20071015 Silicon Valley (23)En nu zijn startups de nieuwe hype. Nederland is een of heeft (dat is me niet helemaal duidelijk) een StartUpDelta en Amsterdam is daar het middelpunt van. Met man en macht wordt daar van een historisch marineterrein een bedrijventerrein voor startende bedrijven gemaakt. Dat is een briljante keuze van de stad, al was het maar omdat de druk om er dure appartementen neer te zetten ongetwijfeld groot was. Met deze keuze verbindt Amsterdam de de IJ-oevers met de binnenstad en brengt ze leven in een voorheen afgesloten stuk stad. Erg slim. Net zoals het reuze slim en knap is hoe grootst Amsterdam het op de kaart zet. Niemand twijfelt meer aan Amsterdam als startup-hoofdstad van West-Europa. Hoewel ook niemand precies weet waarom ze dat is. Maakt niet uit. In korte tijd heeft de stad zich tussen Londen, Berlijn en Stockholm genesteld.

Maar waarom moet vervolgens elke Nederlandse stad dat kopiëren? Waarom focust iedereen zich op startups? Waarom stop je als gemiddeld middelgrote stad geld in het aantrekken van kleine bedrijfjes die hoogstwaarschijnlijk failliet gaan en als ze wel overleven nog waarschijnlijker gaan verhuizen? Wat heb je er aan?

Het is natuurlijk heel goed dat de Nederlandse overheid een liefdevolle houding aanneemt ten opzichte van startende ondernemers. Dat stimuleert een gezond ondernemersklimaat en de snel veranderende wereld waarin we leven is dat verstandig. Maar je krijgt toch af en toe het idee dat veel van die startup-aantrekkers geen benul hebben wat startups echt nodig hebben. Net zoals ze geen benul hadden wat de essentie van een Valley of creativiteit was. Terwijl bij startups vrij simpel is, wat ze nodig hebben zijn klanten. Echt betalende klanten. Geen subsidiepotten, geen gratis huisvesting en zelfs al die events (ook wij maken ons er schuldig aan) zijn vaak niet nodig. Klanten daar gaat het om. Wie startende bedrijven wil helpen, brengt vraag en aanbod met elkaar in contact. Dat is veel gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar wel nodig voor startups. Voor al wat langer bestaande bedrijven trouwens ook.

Ach al wordt er maar één startup mee geholpen, ik vind het prima. Wat ik niet prima vind is de hijgerigheid waarmee deze hype door gemeenten wordt opgepakt. Startups zijn de nieuwe Valleys. Het is beleidstaal geworden, ‘waarmee we onze gemeente helemaal op de kaart zetten.’ En over een paar jaar is weer een nieuwe hype en zijn labs hip. Of academies. Of hallen. Of weet ik wat. En zoeken die startups het weer lekker zelf uit.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

PS. Het was 2007 en ik ging met fotograaf Roelof Pot voor het blad Bedrijventerrein naar Silicon Valley. De foto bij deze blog artikel is het bewijs. De eerste ontdekking was dat Silicon Valley een vallei is. Met bergen enzo. De tweede dat niemand in Silicon Valley het Silicon Valley noemde. Als je er woont, heet het de Bay Area. En de derde ontdekking was dat het helemaal niet over tech ging, maar over ondernemerschap. Over rare vernieuwende dingen doen en daar geld mee verdienen.

Stop de Dome-Duurzaamheid

Nederland doet het bizar slecht op het gebied van duurzame energie. Niet alleen zijn we hekkensluiter in de productie ervan (slechts 5,5 procent van de energie die we hier opwekken is duurzaam), we zijn ook nog eens het verst verwijderd van de doelstelling die is afgesproken in de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie voor 2020. Dat heb ik niet bedacht, dat meldt CBS.

Dat is om je kapot te schamen. Niet alleen omdat we als land zo ongeveer helemaal onder de zeespiegel liggen en dus alle reden hebben om eraan bij te dragen dat die niet verder stijgt. Maar ook omdat we een van de meest welvarende landen van die wereld zijn. We hebben geld genoeg om het probleem aan te pakken. Dat doen we niet, liever kopen we overtollige emissierechten van andere landen op. Dat helpt de wereld dus niets. Of we investeren in ‘dome-duurzaamheid’. Dat is duurzaamheid binnen een afgebakend stukje werkelijkheid, je eigen ‘dome’. Alsof er daar buiten geen andere wereld is. Maar wie die werkelijkheid even iets vergroot, merkt dat het niet meer klopt.

dome

Op papier kloppend
Een mooi voorbeeld daarvan is de nul-op-de-meter (NOM)-woning. Dat is een woning die over een heel jaar gerekend geen energie verbruikt. Die woning is dus energieneutraal. Nou ja, over dat hele jaar gerekend dus. Want de woning produceert in de zomer te veel duurzame energie, dan schijnt de zon immers het meest. En die overproductie mag worden gecompenseerd met in de winter ingekochte grijze energie, als de zon veel minder vaak schijnt.

Op papier klopt dit verhaal. Maar toch wringt het, want een groot deel van het energieverbruik wordt in dit verhaal verzorgd met kolenstroom. En het wringt ook omdat er in de zomer energie wordt geproduceerd, waar weinig behoefte aan is. Het is dan immers ook zomer bij de buren. Dit is niet erg zolang er weinig nul-op-de-meter-woningen bestaan en er kolencentrales stil gelegd kunnen worden in de zomer. Maar vergroot de businesscase één stap in schaal of tijd en je snapt dat het niet klopt.

Niet alleen woningen
Natuurlijk is het op zich niet slecht dat er NOM-woningen worden gebouwd. Alle kleine beetjes helpen. Het probleem is: we hebben geen kleine beetjes nodig, we staan laatste in de duurzame-energie-index. Dan helpt alleen een totale systeemverandering. We moeten daarom stoppen met focussen op woningen; héél Nederland moet duurzaam.

En Nederland als geheel is een stad, of in ieder geval een complex stedelijk systeem dat het hele jaar door, dag en nacht energie gebruikt en verspilt. Daar moeten we naar kijken. En dat moet zo flexibel mogelijk. We moeten stoppen met de oude manier van denken vanuit de Industriële Revolutie, waarin we alles wat we maken en doen zien als lineaire processen die leiden tot een eindproduct. Los van hun omgeving. Nederland in stukjes.

Impact daarbuiten
In de huidige, circulaire-netwerk-economie houdt dat denken geen stand. De nieuwe stad, de smart city, is een netwerkstad. Zoals ons hele leven een netwerk-leven is geworden. Daarin volstaat het niet om te denken dat als het onder jouw ‘dome’ geregeld is, het probleem is opgelost. Je eigen stoepje schoonvegen ten koste van de ander, helpt ook jou niet. We moeten ons altijd bewust zijn van de impact van ons handelen (of het ontbreken daarvan) op de wereld buiten onze postzegel. Anders kunnen we net zo goed niets doen en staan we in 2020 nog steeds onderaan in de ranglijstjes.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Deze blog verscheen ook in Cobouw,

Logistiek gaat weer over kwaliteit, gelukkig maar

Mijn overgrootvader was postbode. In het huis van mijn grootouders hing daarvan een getuigschrift aan de muur vol mooie gekrulde letters. De statigheid straalde er van af. In het dorp van mijn grootouders en overgrootouders was hij een man met aanzien.

logistiek kwaliteit postbode 1915Als het aan Herna Verhagen ligt, de bestuursvoorzitter van PostNL ligt, wordt dat weer zo. In een interview met de Volkskrant van een maandje geleden stelt ze: ‘De kwaliteitsbeleving van PostNL wordt grotendeels bepaald door de man of vrouw die bij jou aan de deur komt. Een vertrouwd gezicht dat jou vriendelijk te woord staat. Dat is cruciaal in het succes van ons bedrijf en ook in het succes van going forward.’ Ik werd er blij van. Eindelijk eens iemand in de logistieke wereld die het niet had over kostenreductie. Eindelijk eens geen verhaal over hoe het nog sneller kon. Eindelijk ging het weer over kwaliteit. Dat heeft wel even geduurd. De voorgangers van Verhagen hebben ‘Tante Pos’ omgebouwd tot een efficiënt bedrijf waar postbodes postbezorgers werden omdat dat goedkoper was. Maar net nu zo ongeveer alle postbodes ontslagen zijn, ziet Verhagen dat dat niet de goede weg is. Althans voor de pakketdiensten.

Beter laat dan nooit, want waar komt toch het idee vandaan dat logistiek alleen kan overleven als je sneller of goedkoper bent dan je collega? Wie heeft bedacht dat je iets wat je bestelt, direct in huis wil hebben? Zijn er echt mensen die dat willen? Ik in ieder geval nooit,  nou ja, alleen bij een pizza. Op al het andere dat ik via internet bestel, wil ik echt wel een dag wachten. Vaak ook wel twee. En soms heb ik het zelfs niet dezelfde week nodig. Ik heb veel liever kwaliteit. Dat de bezorger precies aangeeft wanneer het pakje wordt bezorgd. En dat dan ook doet. En dat ik dat last-minute nog kan veranderen. En als dat niet lukt, dat de bezorger dan een sms of app stuurt met de vraag wanneer het wel schikt. Kortom, dat het een beetje past in mijn leven.

Tot een jaar of tien geleden kwamen de pakketdiensten van PostNL vrijwel niet in woonwijken. Consumenten kochten in winkels. Dus reden ze met hun busjes naar bedrijventerreinen en businessparks. Daar konden ze de hele dag terecht en daar wilde iedereen alles zo snel mogelijk hebben. Maar ik ben thuis geen bedrijf. Ik heb thuis een gezin, dat draait niet om efficiency maar om geluk. Een gezin is geen bedrijf. Ik ben blij dat de pakketdiensten dat ook door hebben.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Beetje wantrouwen is best goed

De grootste blijk van vertrouwen kreeg ik van een van de partners van ons lab in Duitsland. ‘We hebben het nu te druk. Maar kom over een jaar maar terug, dan steunen we je initiatief.’ En dat deden ze. Ik had zoiets nog nooit meegemaakt.

wantrouwen vertrouwenHet maakt het des te opvallender dat juist in het lab in Duitsland zoveel discussies gaan over wantrouwen. Over de angst om je idee te delen. Over de angst dat het dan gestolen wordt. Die angst zit diep. Toen een van de laboranten een co-working-concept bedacht waarbij het delen van ideeën een onderdeel was, ging de discussie erover hoe je voorkwam dat iemand anders je idee zou jatten. Toen een groepje studenten hun idee tot een bedrijf wilde ontwikkelen, waren ze bang dat dat idee gestolen zou worden. Wie actief wordt op het social netwerk Xing (de LinkdIn voor Duitsers) merkt dat alles gemodereerd wordt. Vertrouwen is niet vanzelfsprekend en dat is af en toe even wennen voor een Nederlander. Gekscherend vergeleken we in het lab de Duitse start-up-scene met een verzameling kelders. Waar de bedrijfjes in Silicon Valley starten in garages, open voor iedereen die hun goede idee nog beter wil maken, lijken Duitsers te beginnen in kelders. Bang dat iemand ziet waar ze mee bezig zijn. En niet bewust van wat andere bedrijven doen. Nederlanders lijken hier meer op Amerikanen. We zijn pragmatische opportunisten, open voor elk nieuw idee. En op sociale media zijn we de kletskousen van de wereld.

Vertrouwen is een van de randvoorwaarden voor een gezonde economie. Hoe mee we erop kunnen vertrouwen dat de ander ons niet bedondert, hoe beter we zaken kunnen doen. Vertrouwen leidt tot efficiency. Daar is ons hele monetaire systeem op gebaseerd. Net zoals onze open grenzen trouwens. En je zag de afgelopen maanden direct hoeveel tijd (en dus geld) het kost als die grenzen weer dicht moeten. Maar juist in een snel veranderend systeem is vertrouwen moeilijk. Hoe weet ik of ik een nieuwe dienst of nieuw product kan vertrouwen? Hoe weet ik of bedrijven als Facebook, Google, Apple, mij niet bestelen? Wat is de waarde van iets nieuws? Op die verandering reageren Duitsers en Nederlanders verschillend. Waar Nederlanders blijmoedig het nieuwe omarmen (want wie dat niet doet, is ouderwets en dat is een doodzonde in Nederland), vertonen Duitsers dat lemmingengedrag minder. Ze zijn voorzichtiger en adopteren daardoor de vernieuwing trager. Dat maakt ze minder innovatief. Het pragmatisch opportunisme van de Nederlanders zorgt ervoor dat ideeën zich bij ons snel verspreiden en daardoor misschien ook wel snel tot business leiden. Misschien wel sneller dan in Duitsland. Het vertrouwen maakt Nederlanders flexibel. Maar we gaan ook sneller op ons bek. We worden sneller bedonderd.

Als geboren en getogen Nederlander, voel ik me het meest senang bij de open en blijmoedige aanpak. Maar ik ben de Duitse benadering wel gaan waarderen. Het gemak waarmee wij zeggen anderen te vertrouwen, zorgt ook voor uitholling van dat begrip. Wat is vertrouwen waard, als je er niet bewust voor kiest? Vertrouwen ligt dan dicht bij onverschilligheid en dat is gevaarlijker dan een beetje wantrouwen.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

PS. Om misverstanden en scheve gezichten te voorkomen, ook in Nederland heb ik gelukkig zeer trouwe en betrouwbare klanten. En die koester ik.

Openbare ruimte: weggeven aan burger óf zelf blijven doen

Slechts 8% van de Nederlanders doet, als vrijwilliger, aan het beheer en onderhoud van de openbare ruimte. Onderhouden van speeltuinen of openbaar groen, de meeste Nederlanders hebben er geen zin in. Volgens onderzoeksbureau I&O Research is dat daarmee een van de ‘minder voorkomende terreinen van actief burgerschap’. I&O zocht samen met Binnenlands Bestuur uit hoe actief wij in de openbare ruimte zijn en willen zijn en openbare ruimte’ scoort veel slechter dan bijvoorbeeld sport, zorg, veiligheid en kunst. En dan te bedenken dat niet eens iedereen sport of iemand hoeft te verzorgen. Relatief gezien is de score dus nog slechter.

Het bureau zocht ook uit hoeveel mensen wel iets willen doen, maar dat vervolgens toch niet doen (zie onder voor de cijfers). Dat is 19% van de ondervraagden. 73% van de Nederlanders wil dus helemaal niets doen. En er werd onderzocht wát mensen dan wel kunnen en willen doen. Nou ja, bij dat kunnen werd gevraagd wat ze vinden dat ‘burgers kunnen doen’. Ook dat leverde een interessant grafiekje op. Ten eerste vonden de ondervraagden dat ‘burgers’ meer kúnnen doen dan zijzelf wíllen doen. Dat is niet zo gek. Niet alles wat je vindt dat gedaan kan worden, wil je ook zelf doen. Neem bijvoorbeeld het opruimen van hondenpoep. Dat kunnen burgers inderdaad prima zelf, maar wie geen hond heeft wil dat natuurlijk niet doen. Opvallend genoeg is het verschil tussen willen en kunnen bij de meeste vragen slechts een procentpunt of tien. Oftewel, de meeste mensen vinden dat wat de ander kan, zij zelf ook wel kunnen en zelfs willen.

Maar ja, dat verschil mag dan klein zijn, de meeste Nederlanders vinden dan ook dat ze überhaupt niet zoveel kúnnen. Ze willen wel opletten of er niets kapot wordt gemaakt en sneeuwruimen willen ze ook nog wel, maar het als het echt op de zaken aankomt die die overheid wil overdragen aan burgers, namelijk het onderhoud van de openbare ruimte en speeltoestellen, dan is de bereidheid een stuk kleiner. Dat wil slecht 19% van de ondervraagden. En ze vinden dat ze het ook niet kunnen. Die cijfers wijken amper af van vorig jaar.

De openbare ruimte is een overheidstaak, zo vinden de Nederlanders. En gelijk hebben ze. De overheid is er zo ongeveer voor uitgevonden. We hebben in Nederland allemaal met de openbare ruimte te maken, dus waarom zou de overheid dat dan niet verzorgen? En dat wij daar dan belasting voor betalen. Dat is niet alleen het eerlijkst, ik kan me ook niet voorstellen dat er een burgerinitiatief is dat de openbare ruimte efficiënter kan onderhouden dan de overheid (rekeninghoudend met alle kosten). En als dat wel bestaat, moet de betreffende gemeente dat initiatief direct inhuren.

Burgers willen vooral actief bezig zijn met het algemeen belang dat dicht bij hun eigenbelang staat. De zorg bijvoorbeeld, sport, cultuur of veiligheid. Dus als de overheid wil dat burgers meer doen in de openbare ruimte, moet ze die ruimte gericht overdragen aan burgers, inclusief het exploitatierecht (via een vorm van eigendom of huur). Dat leidt tot meer semiopenbare speeltuinen, parken, zwembaden en wat niet meer zij. Dat kan ook best. De afgelopen jaren is er op dat vlak zoveel geëxperimenteerd dat ondertussen wel duidelijk is wat wel werkt en wat niet. En het is ook bekend dat in veel wijken minder openbare ruimte niet per se leidt tot een lagere levenskwaliteit.

In alle overige openbare ruimtes moet de overheid gewoon zelf aan de bak.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

 

grafieken openbare ruimte

Steden bouw je met idealen

Ik kwam al zappend terecht bij het programma ‘Ondersteboven Nederland in de jaren 60’ dat ging over de ruimtelijke ordening in die tijd. Ik bleef hangen. Want hoewel ik de geschiedenis van de Tweede Nota ken en weet waar die plannen toe geleid hadden, was me nooit zo opgevallen met welk idealisme ze waren bedacht. Nou ja, ik wist wel dat er een geloof in de betere wereld achter zat, ik weet wat CIAM is, maar ik kende de beelden van de aanleiding niet, of was ze vergeten. Het programma liet zien onder welke vreselijke omstandigheden mensen woonden in de jaren ’50 en ’60 en de term verkrotting was meer dan terecht.

Bekijk de hele aflevering hier: http://www.npo.nl/ondersteboven-nederland-in-de-jaren-60/23-04-2016/VPWON_1246649

En dus begreep ik landschapsarchitect Han Lörzing toen hij vertelde dat het idealisme was waarmee de Bijlmer en Hoog Catherijne waren gebouwd. Han en zijn collega’s wilden de betere stad bouwen. Het was het ’10 x beter denken’, waar we binnen het Kennislab voor Urbanisme zo van houden, in optima forma. Met een soort weemoed vertelde Lörzing over het verse beton en de kilometers asfalt die waren gestort. En dat er mensen speciaal vanuit Amsterdam naar Utrecht kwamen om te winkelen in Hoog Catherijne. En terwijl hij langs de net weer open gegraven Catherijnesingel liep, sprak hij weemoedig over de mooie tijd waarin er vanaf maquettes steden werden gebouwd. Lörzing begreep tegelijkertijd ook wel dat we nu in een tijd leefden waarin de singel weer open gegraven wordt, omdat de stedebouwers van die tijd wellicht de mens een beetje vergeten waren. Maar het pleitte voor hem dat hij zijn idealen niet verloochende.

Maar met een zelfde soort idealisme werden de idealen van Lörzing bestreden door mensen als Corrie Ulenberg die er voor zorgde dat de Rotte niet werd gedempt. En door de Delftse studenten die de snelweg A4 tegenhielden. De mannen, nu oud en grijs, werden gefilmd op een viaduct boven de weg die er toch was gekomen. De pijn in het hart was voelbaar. Het idealisme had het verloren. En, om het verhaal af te maken, met een vergelijkbaar idealisme worden die gebouwen nu weer bewaard. Het hoofd planologie van de Stadt Marl in het Ruhrgebied vertelde dat er een enorme belangstelling was voor de grote hoeveelheid jaren ’60 gebouwen in zijn stad. Enigszins tot zijn verbazing overigens, maar fascinerend vond hij het wel.

Wie door de stad fietst ziet niet alleen een staalkaart aan bouwstijlen, maar ook een waaier van idealen. Want steden worden gebouwd met idealisme. Of het nou de tuindorpen zijn, de Bijlmer of de bloemkoolwijk, het idealisme spat eraf. En het mooie is, dat is niet verdwenen. Met een zelfde soort idealisme wordt nu bijvoorbeeld gebouwd aan de circulaire wijk Buiksloterham in Amsterdam Noord. Idealisme is het fundament onder de stad. Goede stedebouw wil de stad beter maken.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Waarom is een gebouw meer waard dan een gemeenschap?

Op weg naar huis hoorde ik op de radio een reportage over de Torentuin. Ik leerde dat de Torentuin een paradijsje is. Waar mensen elkaar ontmoeten. Waar lekkere groenten worden verbouwd en bloemen bloeien. Waar niets wordt gestolen op af en toe een bloemkool na. Ik had direct zin om er heen te gaan. Maar de Torentuin wordt bedreigd. Ik hoorde een gelaten voorzitter van de tuinvereniging die zei dat hij wist dat hij de grond mocht gebruiken zolang de eigenaar er geen plannen mee had. De redelijkheid spatte uit mijn autoluidsprekers. De tuinvereniging was helemaal niet bedoeld als succes, maar alleen maar om met een braakliggend stukje grond iets moois te doen. En dat lukte toevallig heel goed. En hoewel de afspraak met de eigenaar was om de grond terug te geven als het weer beter zou gaan met de economie, was het toch jammer dat niet alleen de tuin, maar ook gemeenschap die de tuin verzorgt uit elkaar zou vallen.

torentuinDie eigenaar bleek de gemeente. En nu het weer beter gaat met de economie wil de gemeente op de tuin een gebouw neerzetten. Want dat levert geld op. Dat bedrag staat nu eenmaal in de boeken, zo zei de wethouder. En zo’n bedrag krijg je er dan niet zomaar uit. En ja, hij vond het ook jammer. Ik moest denken aan Pluk van de Petteflet en de Torentuin werd de Torteltuin.

Ik moest ook denken aan onze Koning die vindt dat we een participatiesamenleving moeten zijn. Daar waren ze in de Torentuin aardig in geslaagd met elkaar. Een mevrouw vertelde dat er (naast de bloemkool) ook een keer een tuinkabouter was gestolen, maar de postbode had hem teruggevonden. Ik moest weer denken aan Pluk van de Petteflet.

Hoe kan het dat een gemeente waar zomaar zo’n mooi initiatief ontstaat, dat weg wil bulldozeren? Hoe kan het dat een wethouder van zo’n gemeente op de nationale radio vertelt dat hij zich nu eenmaal aan afspraken met de raad moet houden? Terwijl hij natuurlijk ook wel weet dat die afspraken rekbaar zijn. Dat er wel vaker dingen in zijn gemeente gebeuren die geld kosten. Zoals in elke gemeente. Gelukkig maar. Een gemeente is geen bedrijf, maar een samenleving, en die kost geld. Hoe kan het dat een wethouder de waarde van zo’n initiatief niet op waarde weet te schatten? Niet figuurlijk, maar ook niet letterlijk? Hoe kun je zo niet aanvoelen waar het heen gaat met de samenleving? Hoe kan een gebouw nog steeds meer waard zijn dan een gemeenschap? Ik snapte er niets van. En nog steeds niet. Maar ik hoop dat ze in de Torentuin een Pluk van de Petteflet vinden die Hasselbramen poot zodat iedereen weer kind wordt en de wethouder het malle plan afblaast.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

De binnenstad is dood, leve de nieuwe stad

Nu ook HoutBrox en Duthler afstormen op een faillissement, kan zo langzamerhand de overlijdensadvertentie van de Nederlandse binnenstad worden opgesteld. In de gemiddelde Nederlandse stad (dat is alles na de G4) staat het begrip binnenstad tegenwoordig gelijk aan leeg en verlaten.

Maar niet getreurd, want de binnenstad mag dan dood zijn, de stad is dat allerminst. De stad bloeit als nooit te voren. Als je tenminste op de goede plekken bent. En dat is in een stad als Amersfoort De Nieuwe Stad en de Wagenwerkplaats en in Deventer het Havenkwartier. Zaanstad bouwt aan iets soortgelijks op het Hembrugterrein en zo zijn er tal van andere voorbeelden in het land.

MarkthalHet boeiende van deze nieuwe ontwikkelingen is dat ze teruggaan naar de kern van wat een stad is: elkaar ontmoeten, samen wonen, samen werken, handeldrijven. Wat dat betreft is de term De Nieuwe Stad mooi gekozen. De nieuwe stad, is de stad zoals die altijd al was. En daarom is het niet raar dat in als die nieuwe steden eten zo centraal staat. In het Deventer’ Havenkwartier opende onlangs FoodDock en dat was direct een succes. FoodDock is de Oost-Nederlandse vertaling van Markthalle Neun in Berlijn, BoroughMarket in Londen en de FoodHallen in Amsterdam. Dat mag er in Nederland momenteel nogal hipsterachtig uitzien, dat het concept veel sterker is dan dat, bewijst de Markthalle in Freiburg die al sinds 1985 bestaat en anders dan in veel Nederlandse steden pal in het centrum ligt.

In al die markthallen staat het samen eten centraal. Lange tafels, kraampjes, wisselend aanbod. Dat zorgt er al snel voor dat je met wildvreemden in gesprek komt. En dat is de essentie van de stad. De stad moet je verrassen en blij maken. De stad moet er voor zorgen dat je met een verhaal thuiskomt. Dat je wat beleeft. En juist dat gevoel missen de grote winkelstraten, waar menselijk contact is vervangen door koopstromen en ondernemerschap door filiaalhouders. De kunst is om die essentie van de stad ter vertalen naar de hele stad. In De Nieuwe Stad, het Havenkwartier en al die andere projecten gebeurt dat al. Het zijn bijna dorpjes in de stad. Kleinschalig, afwisselend, regelluw. En dat is fijn. Want de stad, dat is geen verzameling gebouwen, of winkelketens, of winkelstraten. De stad is een verzameling mensen die het fijner vinden om bij elkaar te zijn dan alleen. De ‘nieuwe steden’ begrijpen dat. En beetje bij beetje zal ook de binnenstad dat begrijpen en overnemen. En daarom zal de stad altijd blijven bestaan.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

 

Bedrijfsleven moet regie ruimtelijke ordening overnemen

Wie wil weten hoe Nederland eruit ziet als het blijft bezuinigen op het onderhoud van de openbare ruimte, moet in het Ruhrgebied kijken. Jarenlange structurele bezuinigingen leidden tot een openbare ruimte die vooral armoede uitstraalt. Slecht onderhouden straten, verwaarloosd openbaar groen, vuil op straat.  Zover zijn we nog niet in Nederland, maar we hollen wel die kant op. Uit onderzoek van Binnenlands Bestuur blijkt dat gemeenten een vervangingspiek voorzien die niet is begroot. Het is natuurlijk een wrang gelijk, maar daar waarschuwden wij (Cees Jan Pen en ikzelf) al voor in 2013.

bedrijfslevenBinnenlands Bestuur onderzocht (samen met I&O-research) ook de beleving van burgers. Die blijken nog steeds redelijk tevreden en geven de openbare ruimte een 6,7. Het is jammer dat de onderzoekers niet ook het bedrijfsleven hebben ondervraagd, want dat heeft ook baat bij een goede openbare ruimte. Daarbij is het wederom interessant te kijken naar het Ruhrgebied, dat te kampen heeft met een stevige braindrain. Veel van het talent dat wordt opgeleid aan de universiteiten in het Ruhrgebied vindt werk ergens anders in Duitsland of de wereld. Zeker het toptalent kiest vaak voor een baan elders. Dat komt enerzijds omdat er in absolute zin veel meer banen buiten dan in het Ruhrgebied zijn, maar ook omdat de levenskwaliteit van het Ruhrgebied als laag wordt ervaren. En niet zo’n beetje laag, in de Städteranking van WirtschaftsWoche en Immobilienscout24 stond zo ongeveer het hele Ruhrgebied stijf onderaan. Je hoeft maar een beetje thuis te zijn in de theorieën van Richard Florida om te begrijpen dat de creatieve klasse alleen daarom al niet kiest voor het Ruhrgebied. Met als gevolg dat de recruiters van de grote werkgevers harder moeten zoeken naar toptalent of genoegen moeten nemen met de net-iets-minder-goede mensen. Uiteindelijk kost dit die grote bedrijven geld. Ze moeten meer moeten investeren in recruitment en die investering levert relatief weinig op.

De vraag is waarom werkgevers dit laten gebeuren. Waarom grijpen ze niet in? Waarom investeren ze niet in de levenskwaliteit van de steden in het Ruhrgebied? Waarom laten ze de overheid zijn gang gaan? Natuurlijk betalen ze belasting, maar als het niet werkt dan grijp je toch in? Als je merkt dat toptalent kiest voor München, Hamburg en zelfs Jena of Leipzig en niet voor Dortmund of Essen, dan doe je toch wat?

Dezelfde vraag geldt voor de Nederlandse ruimtelijke ordening. Waarom is de interesse van het bedrijfsleven in de levenskwaliteit in onze steden zo laag? Waarom was het Jaar van de Ruimte en het bijbehorende manifest vooral een overheidsfeestje? Waarom maken grote (en kleinere) bedrijven zich niet openlijk zorgen dat er geen één Nederlandse stad in de toptien van de Mercer Quality of Living Index staat (terwijl zeven van de tien steden Europees zijn)? Een goede ruimtelijke ordening draagt bij aan de kwaliteit van leven en daarmee aan de economische kracht van Nederland. Daar moeten Nederlandse bedrijven zich openlijk mee bemoeien. Het is in hun belang.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Bouw steden terrorisme-proof

Het ligt voor de hand dat terrorisme de komende jaren en misschien wel de komende decennia een onderdeel blijft van ons leven. Het is ook niet ondenkbaar dat Nederland met een aanslag te maken krijgt. En daarmee is het een van de vele risico’s waar we dagelijks mee te maken hebben. Dagelijks wagen we ons in het verkeer, doen we gevaarlijk werk (nou ja, sommigen van ons) en accepteren we de risico’s van ontploffende treinen, chemische fabrieken, LPG-stations, tankwagens en wat niet meer mis kan gaan. Hoe veilig ons werelddeel ook is, helemaal zonder gevaar is ons leven is het niet.

De meeste van die risico’s zijn gereguleerd. Er gelden maximumsnelheden en veiligheidseisen voor auto’s om het verkeer veilig te houden en bij omgevingsrisico’s gelden er per type risicobron normen en eisen. Al die normen en eisen zorgen er niet voor dat gevaren helemaal verdwijnen. Een ontploffende fabriek levert een geaccepteerd aantal gewonden én doden op. Dat is afschuwelijk, maar die doden horen bij onze manier van leven en maken onze manier van leven ook mogelijk.

terrorisme stedenTerrorisme staat daar haaks op. Terrorisme is geen geaccepteerd gevaar. Terrorisme levert ons geen voordelen op en vinden we onrechtvaardig. Maar met die constatering schieten we natuurlijk niet zoveel op. We kunnen ons beter voorbereiden op de gevolgen. Wat doen we als er terroristen zichzelf opblazen in een van onze metro’s, stadsbussen, voetbalstadions of op Schiphol? Daarbij kunnen we veel leren van de lessen van het Netwerk Ontwerp Veilige Omgeving. Zij vertaalden externe veiligheid in stedebouwkundig jargon. Het enige verschil tussen ontploffende LPG-stations en ontploffende zelfmoordterroristen is dat de risicobron (de zelfmoordterrorist dus) onvoorspelbaar is. Zowel qua locatie als qua impact van de ontploffing.

Maar als de bom eenmaal afgegaan is, zijn er veel overeenkomsten. Omstanders moeten kunnen vluchten, hulpdiensten moeten de rampplek kunnen bereiken, er is bluswater nodig, stelplaatsen voor reddingsvoertuigen enzovoort. Dat zijn stedebouwkundige ingrepen. Die zijn natuurlijk lastig omdat je natuurlijk niet weet hoe groot de bom is en waar die afgaat. Hoewel daar wel wat zinnigs over is te zeggen. Zo lopen locaties die een sterk onderdeel zijn van ons dagelijks leven én waar veel mensen aanwezig zijn een bovengemiddeld groot risico. Dat type locaties kunnen we gemakkelijk in kaart brengen om er vervolgens fysieke maatregelen te nemen die kans op een succesvolle aanslag verkleinen. Denk aan de poortjes op stations of de hoge stoepen bij het ministerie van BuZa.

Het voorkomen van aanslagen is het werk van geheime diensten, politieagenten en buurtwerkers. Het beperken van de impact van een aanslag doen planologen en stedebouwers. Dat verlaagt de kans op slachtoffers, maar maakt ook het gevaar overzichtelijker en de angst kleiner.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

‘Er is meer waarde dan geld alleen’, wat een onzin

‘Er is meer waarde dan geld alleen.’ Dat zinnetje staat op nummer één in mijn irritante-zinnen-toptien. Op de hielen gevolgd door ‘Ik geloof heel erg in delen’ en ‘In de nieuwe economie werkt dat anders’.

‘Er is meer waarde dan geld alleen’ combineert arrogantie met onnozelheid en dat leidt tot ergernis. De arrogantie zit in de toon waarop het zinnetje wordt uitgesproken. Met ‘Er is meer waarde dan geld alleen’ wordt bedoeld dat de ander een geldwolf is die denkt in verderfelijke termen als verdienmodellen of, nog erger, businessmodellen. Terwijl het daar volgens degene die ‘Er is meer waarde dan geld alleen’ uitspreekt helemaal niet om gaat. Het gaat in het leven om geluk, om levenskwaliteit, om schoonheid, om samenzijn. En dat is natuurlijk ook zo. Immers wij allen streven naar de hoogste treden van de piramide van Maslow. Iedereen wil liefde, verbondenheid, zelfvertrouwen en zelfontplooiing. Maar daarvoor kan de trede ‘bestaanszekerheid’ helaas niet worden overgeslagen, want dan wordt de piramide een beetje wankel.

De onnozelheid zit dan ook daar in. Dat wordt ontkend dat een verdienmodel cruciaal is voor succes. Dat er meer geld binnen moet komen, dan er uit moet gaan. En dat het goed organiseren daarvan niet gemakkelijk is. Zeker niet voor vernieuwende concepten als burgerinitiatieven of andere community’s.
De ergernis, tenslotte, ontstaat door de combinatie van arrogantie en onnozelheid. Niets is irritanter dan onnozele mensen die toch arrogant zijn. Het zijn vaak de mensen die zich niet druk hoeven te maken om geld (omdat hun budgetten toch wel bijgevuld worden) die zich het slechtst kunnen voorstellen dat er sukkelaars zijn die dat wel moeten doen.

Burgerinitiatieven en andere community’s worden eigenlijk nooit opgezet op basis van een businessmodel. Bijna altijd is er een idealistische grondslag. Er is een hoger doel dat behaald moet worden: een duurzame leefomgeving, samen de zorg organiseren, energie opwekken enzovoort. Het halen van dat doel staat voorop. Terecht, maar vaak met het gevolg dat veel van die initiatieven het niet zo lang volhouden. Na een jaar of drie is de lol eraf, vinden de initiatiefnemers een betaalde baan of een andere hobby of verhuizen ze naar een andere wijk. Of de frustratie wint van het plezier, ook dat komt voor. Wie dat niet wil, doet er wél goed aan om even serieus te focussen op geld. Op de vraag hoe het initiatief in leven kan blijven als het even tegen zit. Bijvoorbeeld door Business to Community. Want, het spannende van deze nieuwe manier van zakendoen is dat niet subsidiepot, maar bestaande particuliere geldstromen worden ingezet om community’s sterker te maken. En dat grote bedrijven daar in geïnteresseerd kunnen zijn, maar dat ze hooguit niet weten hoe ze dat moeten doen. Business to Community maakt community’s financieel onafhankelijker, autarkisch zoals wil, en als dat eenmaal het geval is, kan volledig worden gefocust op de andere waarden. Want inderdaad ‘Er is meer waarde dan geld alleen’.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

De enge openbare ruimte

Wie wil weten hoe snel ons vakgebied verandert, moet aardrijkskundeboeken lezen. Natuurlijk, de theorie van de platentektoniek kan nog jaren ongewijzigd mee, maar het hoofdstuk over steden moet toch aardig op de schop. Ik werd er een beetje melancholisch van. Zo dachten we een jaar of acht geleden dus.

Maar grappig werd het bij de paragrafen over de openbare ruimte. ‘De openbare ruimte’, zo leerde ik uit het boek, ‘dat is de ruimte die er voor iedereen is, maar van niemand lijkt te zijn.’ ‘Diep’, vond mijn dochter, die me er speciaal over appte. ‘Onzin’, reageerde ik. En ik moest terugdenken aan de vele discussies die we ruim tien jaar geleden op de redactie hadden tijdens de eerste jaargang van het vakblad Stedelijk Interieur. Over publieke en private ruimtes en over de vraag of die ruimtes wel of niet openbaar waren. Sindsdien zijn er alleen maar meer tussenruimtes (ook zo’n begrip) bijgekomen, en vaak zijn ze bijzonder succesvol. Neem de Markthal in Rotterdam, twee jaar na de opening dé toeristentrekker voor de Maasstad. Dat is natuurlijk gewoon een winkelcentrum, maar je ervaart het als een overdekte openbare ruimte. Openbare ruimte is dus niet de ruimte die van niemand lijkt te zijn, maar die van iedereen lijkt te zijn.

Maar de definitie in het boek was nog niet klaar. ‘Sommige openbare ruimtes vinden mensen eng’, vervolgde het schoolboek. Ik vond het een wonderlijke toevoeging. Sommige kantoren vinden mensen ook eng. En sommige woonhuizen. Maar om dat dan op te schrijven. Maar het paste natuurlijk wel in de context. Want ruimte die van niemand lijkt te zijn, die is zeker eng.

openbare ruimteWaar het boek op vastliep is het verschil tussen eigendom en gebruik. Openbare ruimte, dat is de ruimte die door de eigenaar wordt opengesteld voor het gebruik door verschillende doelgroepen. Zonder bij de ingang van de ruimte te bepalen wie er wel of niet binnenkomt. Natuurlijk hangen er soms bordjes, maar dat moet dan. Een openbare ruimte heeft geen portier, maar een bewaker.

Maar een goede openbare ruimte straalt wel uit dat er een eigenaar is die er zich om bekommert. Die de boel onderhoudt, repareert wat kapot is en ingrijpt als iets misgaat. In Nederland gaat dat heel vaak best goed. Het gras wordt bijna overal nog gemaaid en de straatstenen liggen er meestal recht in. Het is niet allemaal even mooi, maar er is wel een eigenaar.

Een tijdje geleden was ik in Halle in oostelijk Duitsland. Sommige delen van de stad waren zo slecht onderhouden dat je het ook verloederen kon noemen. De openbare ruimte was er van iedereen, maar leek van niemand te zijn, omdat het niemand iets uitmaakte. Dat was pas eng.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Hou het klein en doe aan Alice in Wonderland Planologie

Wat nou als het allerkleinste de allergrootste oplossing is voor de problemen van onze steden? Een paar weken geleden was ik te gast in Halle, een stad vlakbij Leipzig, waar niet alleen de geur van bruinkool nog deed denken aan de toch al weer lang vervlogen DDR-tijden. De vraag in Halle is hoe de wijk Freiimfelde weer mee kon in de vaart der volkeren. Het was een vreemde wijk. De leegstand was met 30% nogal fors, ook voor Oost-Duitse begrippen, maar de ligging was wel weer ideaal. Op 5 minuten van het station. Het echte probleem was dan ook niet de kwaliteit van de wijk zelf, maar het imago daarvan. Dat was al slecht voor de val van de Muur, Freiimfelde lag namelijk vlakbij het slachthuis en hoewel dat al jaren geleden gesloten was, roken de Hallenaren nog steeds de lucht van vers geslacht vee. En, zoals overal in Oost-Duitsland, was er een bottom-up initiatief, maar het bleef gerommel in de marge. Aan ons, als ingevlogen deskundigen, de vraag wat te doen. Bedenk iets grootst. Iets alomvattends. We bedachten iets kleins.

We bedachten de Freiimflede-Micro-Bank op. Met als doel het stimuleren van ondernemerschap in Freiimfelde. Ondernemerschap ontbreekt vrijwel volledig in het gebied en een oorzaak kan zijn dat het voor startende winkeliers en andere ondernemers lastig is om te starten. Freiimfelde is een moeilijke hoek van de stad en een beetje financiële back-up kan helpen. Geen hulp, maar ondersteuning en een vangnet. Microkrediet is redelijk normaal in ontwikkelingslanden en ook steeds normaler in Europa.

En we bedachten dat die bank een hypotheek-afdeling moest hebben. Woningbezit kan leiden tot kwaliteitsverbetering van de stad. Uit verschillend onderzoek blijkt dat woningbezitters meer investeren in hun eigen woning én zuiniger omgaan met hun omgeving dan huurders. De binding is, door het eigen belang, groter. Eigen woningbezit maakt de wijk ook minder interessant voor speculanten.

Een woningkopen in Freiimfelde is echter ingewikkeld en riskant. Bovendien zijn reguliere banken steeds minder geneigd hypotheken te verstrekken. De eisen zijn streng.

Alice in WonderlandDe hypotheekafdeling van de Freiimflede-Micro-Bank ondersteunt woningbezitters die willen investeren in hun eigen woning en omgeving. De eisen zijn dat ze moeten investeren in de wijk. En dat ze niet met hun woning mogen speculeren. Ze moeten er willen blijven wonen.

Maar vooral bedachten we de Alice-in-Wonderland-Planologie. Geïnspireerd door een prachtig kunstwerk op een van de muren in de wijk. We leven in een tijd waarin onze omgeving snel verandert. Soms lijkt het of we als Alice in Wonderland zijn. De Alice-in-Wonderland-Planologie stimuleert dat. Alice-in-Wonderland-Planologie zorgt ervoor dat de huizen, straten, parken, tuinen in Freiimfelde er telkens anders uitzien. Waardoor het leven in Freiimfelde een beetje bizar en daardoor aantrekkelijk wordt. Dat klinkt raar? Het is als wonen op een camping of in een jachthaven, waar ook telkens veranderingen plaatsvinden. En het sluit erg goed aan bij de graffiti-cultuur in Freiimfelde. De Alice-in Wonderland-Planologie wordt aan de ene kant gefinancierd uit reguliere middelen van de gemeente en is aan de andere kant zelf verantwoordelijk voor de financiering.

Door het klein te houden, willen we iets groots bouwen in Halle. En wat in Halle kan, kan overal waar we het kleine groot willen maken.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Deze column verscheen ook op http://romagazine.nl/category/weblogs

Circulaire bouwers bouwen ook niet

Ik vond eerlijk gezegd de hele milieubeweging altijd een beetje zuur. Ik heb in de jaren negentig een jaartje milieukunde gedaan, dus ik weet over wie ik het heb. Geheven vingertjes en van je dit mag niet en dat mag niet. Het is vast allemaal goed bedoeld, maar een goed gevoel kreeg je er nooit van. Eerder het gevoel dat je het nooit goed genoeg deed.
Dat gevoel heb ik niet bij de circulaire economie. Van de circulaire economie word ik blij. En dat komt omdat de circulaire economie een businessmodel is. En dat businessmodel gaat er vanuit dat je overal geld mee kunt verdienen. Afval bestaat niet, alles is een grondstof, de cirkel moet gesloten blijven en alles moet in die cirkel blijven.

Die ondernemende insteek is ongetwijfeld de reden dat veel grote bedrijven opeens wel oprecht geïnteresseerd zijn om milieubewuster te opereren. De circulaire economie gaat over geld verdienen, en dat snappen de meeste bedrijven. Maar dat is dan wel weer een hele lineaire insteek. ‘Ik wil geld verdienen en ík doe dat nu circulair.’ Veel meer dan over geld verdienen gaat de circulaire economie over het anders combineren van vraag en aanbod. Het is opvallend dat veel van de artikelen en voorbeelden die je tegenwoordig leest en hoort gaan over het slim hergebruiken van afval. Afval bestaat niet is de insteek en als er wel afval is, dan moet daar een slimme bestemming voor worden gevonden. Dat kan ook vaak, in bepaalde productieprocessen zijn bijvoorbeeld edelmetalen nodig en in plaats van die te delven uit mijnen, kunnen ze ook worden gewonnen uit afgedankte apparaten.

Maar waarom produceren we dat – te hergebruiken – afval eigenlijk? Waarom maken we die spullen die een cirkeltje terecht moeten komen überhaupt? Wie echt circulair wil zijn moet ook op die manier zijn marktonderzoek insteken. En dan is het niet alleen de vraag óf er een markt is voor een product, maar ook of er voor die vraag al een goed alternatief bestaat. Of een alternatief dat met een beetje upgraden weer aan de vraag voldoet? En als dat allemaal niet het geval is, blijft de vraag of we aan de marktvraag moeten willen voldoen.

Een markt waarin dit vrij gemakkelijk kan is de bouw. Grote delen van de stad worden al eeuwen creatief hergebruikt. Grachtenpanden werden van opslagloodsen tot woonhuizen tot kantoren tot banken, tot hotels. En zo zijn er tal van voorbeelden. We hoeven dus niet te bewijzen dat het technisch kan. We hoeven ook niet uit te leggen dat al die herbestemmingen niet helemaal aan de wensen van de nieuwe gebruikers voldeden. Soms is het behelpen om een kantoor te hebben in een omgebouwde kerk, maar dat zij zo.

Ik vind het vreemd dat er in tijden waarin delen van onze steden leeg staan er ook nieuw gebouwd wordt. Ik vind het niet circulair dat we nieuwe bedrijventerreinen ontwikkelen (hoe duurzaam gebouwd ook) als er tegelijkertijd leegstand is. Ik vind die vraag naar nieuwe woningen, bedrijventerreinen, kantoren, oneigenlijk als er in dezelfde regio leegstand is. Er is geen vraag naar nieuwe woningen, maar naar woonruimte. Geen vraag naar een bedrijfspand, maar naar werkruimte. En als er dan leegstand is, dan zit daar je oplossing. Het aller moeilijkste van de circulaire economie is het niet willen voldoen aan de vraag.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Deze column verscheen ook op http://www.cobouw.nl/opinie

Ziekenhuisrestaurant moet troost bieden

Mag je friet eten in een ziekenhuis? Het was de discussie van vandaag. Morgen waarschijnlijk niet meer en dat is jammer, want de discussie gaat volgens mij niet over frituren, maar over de veranderende functie van een ziekenhuisrestaurant, van het ziekenhuis daar omheen en de stad waar dat ziekenhuis staat. De discussie gaat over het begrijpen van wat je echt doet. Waarom je echt bestaat.

frietDe anti-ziekenhuisfrituurlobby wordt aangevoerd door Henk Voormolen die als baas van cateraar Albron vijftien ziekenhuisrestaurants uitbaat die, dat vindt hij zelf, vaak niet meer zijn dan veredelde snackbars. En dat is niet goed. Voormolen vindt dat de restaurants namelijk gezonde levensstijl moeten bevorderen. ‘Een ziekenhuis is een plek om beter te worden, dan helpt het niet als mensen geconfronteerd worden met ongezond eten.’ Dat sluit mooi aan bij de uitleg die architect Max van Huut geeft over het nieuwe Isala Ziekenhuis in Zwolle. Een ziekenhuis zou eigenlijk een beterhuis moeten zijn, vindt Van Huut. Dat klopt natuurlijk. En dus is het goed dat patiënten zich op hun gemak voelen, dat een ziekenhuis er prettig uitziet, dat er veel groen te zien is en kleur, want dat bevordert het welbevinden en dus het genezingsproces.

Maar is dat ook de functie van het restaurant? Ik denk van niet. Het restaurant moet vooral troost bieden. In het restaurant drink je een kop koffie, of eet je iets, terwijl je er eigenlijk helemaal niet wil zijn. Niet als patiënt en al helemaal niet als bezoeker. In het ziekenhuisrestaurant zit je bij te komen van slecht nieuws. Van zware gesprekken. Van de achtbaan die het leven soms kan zijn. Dat kan prima met lekker en goed bereid voedsel, maar het is het niet het belangrijkste. Het belangrijkste is dat er personeel werkt dat zonder iets te zeggen laat blijken dat ze je begrijpen. Het belangrijkste is dat een ziekenhuisrestaurant altijd open is (dus ook midden in de nacht als je de laatste bezoeker bent en een lange autorit voor de boeg hebt). Het belangrijkste is dat het prettig is ingericht, sfeervol als een goede kroeg zonder iemand af te schrikken, intiem en uitnodigend. Troostrijk. In een goed ziekenhuisrestaurant kun je ook een goede fles wijn krijgen en een goed glas bier omdat je dat je soms nodig hebt in zware tijden. De beste koffie. Een flink stuk chocoladetaart. Een puntzak friet met mayonaise. Troost daar gaat het om. En als iemand getroost wordt door gezond eten, is dat natuurlijk goed, maar dat is niet de functie van het ziekenhuisrestaurant en niet het product dat meneer Voormolen in zijn winkeltjes moet verkopen.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Knappe van Daan Roosegaarde is juist zijn handelsgeest

Daar stond ik op 29 december in de klei van de Noordoostpolder. Samen met duizenden anderen mensen keek ik vol verbazing en bewondering naar het kunstwerk Waterlicht van Daan Roosegaarde. Of misschien was het dus wel helemaal niet van Daan Roosegaarde, maar heeft hij het idee samen ontwikkeld met een collega uit zijn studio. Of helemaal gejat. En ach, technisch gezien is een combi van laser en wat mist ook weer geen hoogstandje.

roosegaardeWie terugkijkt op het stormpje in een glas water na de uitzending van CollegeTour zag bewonderaars én haters. De bewonderaars waren simpel in hun standpunt: ‘Blijf van onze Daan af. Hij maakt mooie dingen. Hij betovert ons. En dat willen we houden.’ De haters waren al net zo overzichtelijk: ‘Daan is een oplichter, een vriendje van het establishment. Ik heb het altijd al gezegd.’ De nuance kwam pas later meedoen aan het gesprek in de vorm van een artikel in de Volkskrant, waarvan de strekking was dat Bono ook geen goede sier maakte met een drumsolo. Grappig genoeg had de auteur van dat stuk vervolgens weer niet de moeite genomen om te melden dat de drummer van U2 ook een naam heeft, namelijk Larry Mullen. Sterker nog, zonder Larry had U2 nooit bestaan. Wat in feite het ongelijk van het Volkskrant-verhaal bewijst. Bono is wel U2, hoewel hij de band niet heeft opgericht. En het is dat we Bono nooit zien drummen, omdat we dan Larry Mullen zien, maar anders hadden we dat direct geloofd. Zo werkt het nou eenmaal en zolang de meeste bands (uitzonderingen als Genesis en Direct daargelaten) een wisseling van hun frontman niet echt overleven, zal het ook nog wel even zo blijven werken.

Het knappe van Daan Roosegaarde is niet dat hij mooie dingen bedenkt. Of dat hij die jat. Of leent. Of weet ik wat. Het echt knappe van Daan Roosegaarde is dat hij die mooie dingen realiseert. Dat hij mensen met geld en invloed zo ver krijgt dat ze in hem investeren. Het echt knappe zijn zijn sales-kwaliteiten. Dat ministers, captains of industry, dijkgraven en leden van het Koninklijk Huis zijn ambassadeurs zijn. Dat is zo razend knap en meer nog op zijn creativiteit kijk ik vol bewondering naar die vaardigheid.

Nederland is een handelsnatie. Vraag aan Duitsers waar wij goed in zijn en ze roemen ons vermogen om van een drol een gebakje te maken. ‘Wij máken dingen, jullie verkopen dingen’, zeggen ze. Daan Roosegaarde kan dat als de beste. Laten we daar dan ook met z’n allen heel trots op zijn. En ook daardoor geïnspireerd raken. En laten we genieten van blauwe laserstralen boven de klei bij Schokland.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Vluchtelingenstroom is grootste gemeentelijke stedebouwkundige opgave sinds Vinex

Wie verbaasd is over de grote groep vluchtelingen die naar ons land komt, heeft gewoon niet goed opgelet. Al aan het begin van deze eeuw kwamen er containers met illegale Chinezen aan in de Rotterdamse haven, het migrantendorp bij Calais staat er al jaren en elk jaar worden er wel een paar ongelukkigen gevonden in de wielkasten van pas gelande vliegtuigen.

vluchtelingenDe huidige stroom was te voorspellen en dat is ongetwijfeld ook gedaan. Politici hadden hier dus op kunnen en moeten anticiperen. Net als planologen. Zeker zij. En al helemaal als ze werken bij gemeenten. Want het ligt nu op hun bord.
Planologie is het voorspellen van de verre toekomst. Ruimtelijke ordening het concreet maken van de nabije. Daarbij leunend op de kennis van sociologen, urbanisten, stedebouwkundigen. En dus mag je verwachten dat deze beroepsgroep de plannen klaar hebben liggen om de grote groep vluchtelingen die nu naar ons land komt op te vangen. En daarvoor een aantal scenario’s heeft uitgedacht. Het beloofde land zijn we immers al decennia, het was hooguit wachten op het moment dat de rest van de wereld daar achter zou komen.

De huidige vluchtelingenstroom is een enorme opgave voor gemeenten. Daar kun je van alles van vinden. Daar kun je blij mee zijn, of tegen. Je kunt vinden dat de grenzen potdicht moeten, iedereen moet worden teruggestuurd of je kan vinden dat iedereen van harte welkom is, feit is dat een grote groep mensen hier al is en dat een deel van hen zal blijven. En het is niet onwaarschijnlijk dat, hoe dicht de grenzen ook zijn, die groep zal groeien. Dat stelt gemeenten voor een aantal lastige ruimtelijke, sociale en economische vragen. Dat maakt de vluchtelingenstroom tot de grootste stedebouwkundige opgave voor gemeenten sinds de Vinex.

Op korte termijn, waar nu ook al hard aan wordt gewerkt, maar ook op de iets langere. Want waar gaan die mensen wonen? Hoe lang is de term ‘noodopvang’ houdbaar? En waar willen deze mensen wonen als ze straks zelf de keuze hebben? Sluiten ze aan bij al bestaande gemeenschappen en waar zitten die dan? Welke steden krijgen een sterke Syrische of een sterke Noord-Afrikaanse gemeenschap? Of zullen ze zich juist gelijkmatig spreiden? Hoe vullen deze mensen hun dagen? Hoe doen ze dat nu en wat doen ze als ze mogen werken? Wat kunnen ze, wat willen ze en wat willen wij dat ze doen? En in hoeverre hebben wij of zij wat te willen? Hoe gaan ze met elkaar om? Ontstaan er eigen sportclubs, geloofsgemeenschappen, bendes? Hoe reageren we daar op? Of gaan ze allemaal naar Duitsland omdat daar de meeste familie woont? Of andersom? Het zijn vragen waar met name gemeenten mee bezig zouden moeten zijn. Waar de ruimtelijke ordening op moet reageren. Het is een urbanistische discussie. En dus is het vreemd dat die discussie amper wordt gevoerd. Dat we het overlaten aan een klein groepje specialisten bij rijk, provincie en gemeenten. Dat we het laten kapen door de politiek, die de discussie direct inkleurt. Het is onze taak als urbanisten om daar mee aan de slag te gaan. En dat geldt zeker voor urbanisten bij gemeenten. Het is ons werk.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Begrenzing maakt bouwsector creatief

Ik woon in een nieuwbouwhuis. Uit 1972. Daarvoor was mijn straat een weiland. Wie zonder zonde is, gooie de eerste steen. Wanneer is een huis geen nieuwbouwhuis meer? Wanneer mag je klagen over de bouwwoede die Nederland weer te pakken heeft? Over ministers die de kust willen volbouwen, over mannen die zeggen dat lelijke weilanden best wel volgebouwd mogen worden, had het maar een mooi weiland moeten zijn?

De hele stad was ooit een weiland, een bos, een moeras, een oever, een duinlandschap en soms zelfs de zeebodem. Mensen zetten hun omgeving naar eigen hand. Net als mieren overigens, bijen, dassen, bevers en merels. Of dacht u dat een vogelnestje door de boom zelf werd gemaakt? De enige reden dat we een vogelnestje wel natuur vinden en de A12 niet, is omdat we ons ver boven de dieren hebben geplaatst.

Is natuurlijk allemaal een kwestie van perspectief. Zo bezien mag je niet alleen lelijke weilanden (ook een uitvinding van de mens) volbouwen, maar ook mooie weilanden. Zo bezien is natuur in Nederland ook slechts een uitvinding van de mens. Mooier kunnen we het niet maken.

Ja, ik ergerde me aan het interview met Taco van Hoek in Cobouw. Eerst bang zijn dat je wordt neergezet als iemand die weilanden wil volbouwen, en dan in bijna elke zin die angst bevestigen. Gelukkig wil meneer Van Hoek alleen de lelijke weilanden bebouwen. ‘Er zijn gebieden die er mooier door worden’, vindt hij en daar heeft hij gelijk in. Sommige weilanden zijn zelfs spuuglelijk. En het is ook niet erg dat die onooglijke hoekjes worden volgebouwd. Nee, ik ben niet cynisch.

bouwsector weilandWat ik me wel afvraag is hoe meneer Van Hoek dat gaat bepalen. Komt er een kaart met lelijke weilanden? Mogen kiezen? Komt er een tv-show voor het mooiste weiland met elke week een weiland dat afvalt en waar de graafmachines dan al klaar staan? Of wordt schoonheid onderdeel van het ruimtelijk beleid? Ik ben benieuwd. Net zoals ik benieuwd ben of al die lelijke weilandjes genoeg zijn om de vraag naar nieuwbouwwoningen (het artikel heeft het over 50.000 tot 80.000 woningen per jaar) aan te kunnen.

Maar naast geërgerd, was ik vooral verbaasd. Verbaasd over het gemak waarmee de weg van de minste weerstand is gekozen. Alsof er geen binnensteden, bedrijventerreinen, kantoorgebieden en nog veel meer leegstaan. Alsof de gemiddelde gezinsgrootte niet krimpt de komende jaren, en de omvang van het gemiddelde huis mee kan krimpen. Meneer Van Hoek doet het af met de opmerking dat de binnenstad al verdicht wordt. En dat is me wat al te gemakkelijk.

Ooit konden steden niet groeien. Er stond een muur omheen die de groei tegenhield. Het leverde de prachtige binnensteden op waar mensen nog steeds, in hoge dichtheid, met veel plezier wonen. Grenzen maken creatief en grenzeloosheid haalt niet zelden het slechtste in de mens naar boven. Alleen daarom al mag de bouwsector blij zijn met de gepolariseerde discussie over bouwen in het groen. Het dwingt de bouw tot creativiteit. En die creativiteit zal uiteindelijk meer opleveren dan het volstouwen van weer een lelijk weiland.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Maak van de stad één groot pakhuis

Online shoppen heeft eigenlijk maar één groot voordeel boven winkelen in de stad: alles is er te koop. En alles is te koop op één plaats, namelijk mijn schoot. Verder valt het wel mee met de voordelen. Je kunt niets passen op internet, je kunt er niet rondsnuffelen, het is er niet per se goedkoper. Ja, je hoeft je huis niet uit. En het is altijd open. Ook dat is praktisch.
Internet heeft ook vrij veel nadelen. Het is kil, afstandelijk, maar vooral: het duurt vrij lang voor ik iets in huis heb. Als ik een boek of een broek bestel, wil ik die graag zo snel mogelijk hebben. Het liefst nu meteen. En dus bouwen bedrijven als Coolblue pakhuizen in elke stad, van waaruit ze binnen een uur kunnen leveren. Probleem opgelost.
Misschien wel, maar waarom zo’n dure oplossing? Een distributiecentrum bouwen kost geld, je moet er personeel voor aannemen, busjes laten rijden. Dat laatste is bovendien niet prettig voor de steden die toch al te maken hebben met een groeiende logistieke druk.

de stad als pakhuis

Kunnen we van de stad niet één groot distributiecentrum maken? Neem een middelgrote stad als Amersfoort of Arnhem. Daar is ongeveer alles te koop. In ieder geval alles wat Coolblue in z’n warehouse zou opslaan. Schoenen, kleding, elektronica, boeken. De stad is in feite één groot pakhuis vol met goederen. Je moet alleen maar weten wat waar ligt. En dat is vaak het probleem. Je loopt door de stad en je hebt geen idee wat waar te koop is. En na drie keer vragen naar het laatste boek van Ronald Giphart geef je het op en vlucht je naar Bol.com. Maar dat is natuurlijk op te lossen. Kijk hoe booking.com en Trivago de hotelmarkt ontsluiten. Weet u nog hoe ingewikkeld het 25 jaar geleden was een hotelkamer te vinden? En hotels klagen wel over de afdracht die ze moeten doen aan die sites, ze kunnen ook niet meer zonder.

Hetzelfde kan met andere goederen. Winkels hoeven alleen maar hun data uit voorraadsystemen te delen met Coolblue, Bol.com en welke webshop dan ook. Zo wordt de stad één groot pakhuis, waarbij de ene unieke Levi’s in de ene straat ligt en een braadpan in de andere. Technisch is dat helemaal geen rocketscience, de meeste winkels hebben kassa- en voorraadsystemen die dat al kunnen. De voordelen liggen daarbij voor de hand: extra omzet voor de winkels in de stad en minder kosten voor de Coolblue’s van deze wereld. Bovendien kunnen die webshops hun klanten nog sneller en specifieker bedienen. De praktische problemen zijn te overzien: je moet afspraken maken over de marges, wie verdient wat? En je moet natuurlijk een fijnmazig distributiesysteem opzetten (of je lokt de klant naar de winkel door het daar te laten ophalen), maar bedrijven als ColliBox, experimenteren al met fijnmazig vervoer, dus ook daar wordt aan gewerkt. Het lijkt me kortom een win-win in de maak. Waarbij de grootste voordelen liggen bij de maatschappij als geheel, want door zo te denken over onze binnensteden verkleinen we én de vervoersbewegingen binnen de stad én geven we de binnenstad extra bestaansrecht. En ik weet niet hoe het bij u zit, maar ik wil graag dat onze binnensteden blijven bestaan.

Het grootste obstakel is de winkelier in de binnenstad die de webshop als concurrent ziet en niet als afzetkanaal. Het probleem heet vertrouwen: durft de winkelier zijn voorraden te delen? Kan die omdenken en partijen als Bol.com opeens vertrouwen? En wil Coolblue of Bol wel samenwerken met tientallen winkeliers?

Maar het kan wel. De stad is al één groot pakhuis. We hoeven het alleen maar te gebruiken.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

 

Wat doen we nou met Doetinchem?

Een paar weken geleden was ik weer in Doetinchem. Ik was er bijna 24 jaar niet geweest. En dat terwijl ik er toen ik op de middelbare school zat elke dag kwam. Doetinchem was voor mij ‘de stad’. Maar toen er een alternatief kwam, bleef ik weg uit Doetinchem. En was er 24 jaar geen aanleiding om terug te gaan. Niet omdat ik er een hekel aan had, maar gewoon, omdat er geen reden was.

Het weerzien was bijzonder. Doetinchem was veranderd en daar had ik natuurlijk niet op gerekend. De tijd was in mijn hoofd stil blijven staan en dat maakte dat ik duizelig door Doetinchem liep, met mijn ene been in het verleden dat ik kende en mijn andere been in het heden dat mij vreemd was. Ik herkende de stad en toch weer niet. Ik liep langs kroegen (Merleijn, Trinity’s) die ik kende en cafés (De Borrel) waar ik nooit van had gehoord. Ik wandelde door straten waar vroeger ook winkels stonden en straten die vroeger niet bestonden. Of misschien ook wel en was ik ook dat vergeten. En langzaam, heel langzaam vielen de stukjes op zijn plaats en raakte ik gewend aan de nieuwe stad. Gelukkig was modezaak WE niet verhuisd vanaf de plek toen WE nog Hij heette. En gelukkig zat boekhandel Raadgreep en Berrevoets ook nog op dezelfde plek, hoewel die vroeger nooit zo’n hippe etalage had. En winkelcentrum de Veentjes, waar ooit een Torro zat, was ook al niet meer zo nieuw als toen het werd geopend.

doetinchemMaar toen ik eenmaal gewend was, zag ik ook wat anders. Ik zag een stad met gaten. Want middenin de Hamburgerstraat, de hoofdwinkelstraat van Doetinchem, stonden drie winkelpanden leeg. In een aantal andere panden zaten discountwinkels en een stukje verderop zat de V&D. Het zal ook de heimwee naar vroeger zijn geweest, maar ik werd er verdrietig van. Want, vroeg ik me af, wat moeten we nou met Doetinchem?

Toen ik 24 jaar geleden voor het laatst in Doetinchem was, bestond er nog geen internet. Althans niet in Doetinchem. Maar nu wel. En dat had niet alleen de stad bereikt, maar ook het buitengebied rond de stad. En juist die regio maakte het winkelgebied zo groot. Doetinchem verzorgde de regio. En internet veranderde dat. Internet maakt ons leven sneller en breekt daardoor bestaande werkwijzen af. Internet maakte van couranten dagelijks verschijnende achtergrondbladen die geen nieuws meer bevatten. Internet maakte van het praatje op het schoolplein een continue chatbox op WhatsApp. Internet verving bankfilialen door online bankieren en het winkelcentrum werd over genomen door de iPad op schoot.

Internet maakte zo de regionale krant overbodig, en ook het regionale winkelcentrum. De dagelijkse boodschappen kan je ook in je dorp of wijk halen en voor bijzondere dingen rijden mensen uit de Achterhoek wel iets verder, naar Arnhem, Utrecht of als ze er echt zin in hebben naar Amsterdam. Het heeft toch geen haast, want voor haast zijn de online shops. Internet zorgt voor schaalverkleining en in Doetinchem (maar ook Zutphen, Emmen en Tiel) zie je wat dat betekent.

Dat is geen bedreiging, maar een feit. Doetinchem heeft geen regiofunctie meer, maar is een groot dorp geworden. En dat was de keiharde werkelijkheid waar ik doorheen liep.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Binnensteden veranderen en dat werd tijd ook

Een paar weken geleden ging een er een foto viral waarop online-shoppers verantwoordelijk worden gesteld voor de leegstand in ‘het dorp’. Ik heb geen idee welk dorp het betrof, maar blijkbaar was het een breed gedeeld ongenoegen, want de foto werd gedeeld van Rotterdam tot Hoogeveen, vaak door ambtenaren, makelaars of winkeliersverenigingen, kortom door direct betrokkenen.

Ik vond het een gênante vertoning. De klant een beetje de schuld geven dat hij of zij niet meer in ‘het dorp’ koopt en dat daarom de panden in dat dorp leegstaan. Het is de wereld op zijn kop. De klant moet namelijk helemaal niets, hij hoeft niet te shoppen in het dorp en niet online. Hij doet wat hij wil en daar moet de winkelier maar op inspelen. De klant is dan ook niet verantwoordelijk voor de leegstand in onze binnensteden en dorpskernen, dat zijn de winkeliers zelf die niet meer luisterden naar hun klanten. Hoe erg ik het ook vind voor ondernemers dat ze failliet gaan en werkennemers die hun baan kwijt raken, de klant betaalt je succes en als je dat niet snapt, gaat het een keer mis.

binnenstedenEn een schaalniveau hoger zijn de gemeenten zelf verantwoordelijk voor de leegstand in de winkelstraten. Zij bepalen immers waar de winkelstraten zijn en hoe groot het aanbod is. Zij maken outletcentra mogelijk bij steden waarvan de binnenstad op sterven na dood is en verleggen koopstromen naar nieuwe zwaartepunten in de stad, waardoor andere delen het opeens veel lastiger krijgen. En zij gingen er vanuit dat de groei maar door zou gaan, alsof er geen crisis was en alsof webwinkels niet bestonden. Overigens hebben makelaars en pandeigenaren net zoveel boter op het hoofd omdat ze vanuit dezelfde naïviteit de huren bleven verhogen.

Niets is voor eeuwig en alles verandert telkens een beetje. De meeste winkelpanden zijn niet ouder dan een eeuw of 125 jaar. Daarvoor hadden de straten in onze steden een veel gemengdere en kleinschaligere opzet en functie waarbij wonen en werken centraal stonden. In de Smedenstraat zaten de smeden en in Kalverstraat was een veemarkt. Het echte winkelen is nog jonger, pas vanaf de jaren ’60 werden onze binnensteden autovrij en gingen mensen steeds massaler shoppen.

De vraag is dan ook niet hoe we het oude behouden, maar hoe we het nieuwe de ruimte geven en er van profiteren. En hoe we onze centra weer zo aantrekkelijk maken dat mensen er graag komen. Ik zou daarbij inzetten op diversiteit. En dat is niet hetzelfde als kleinschaligheid. Een keten als Urban Outfitters verkoopt geen kleding, maar een lifestyle met alles wat daar aan spullen bijhoort en is in feite het warenhuis voor de nieuwe generatie. Primark is, in een heel ander prijssegment, met hetzelfde bezig. Doel: de klant zolang mogelijk binnenhouden. Echte doel: omzet. Beide ketens vullen panden zo groot als de gemiddelde V&D.

Diversiteit kan ook op straatniveau, waarbij opnieuw moet worden uitgevonden hoe de klanten er zolang mogelijk kan worden vastgehouden. Het liefst tot diep in de nacht. De oplossing is simpel: zorg er voor dat ze er niet weg willen. Bied de ideale mix van winkels, horeca, maar zorg ook dat je er kan werken en sporten. Maak er een tweede huis van. Bied ook dat huis aan. Maak het super aantrekkelijk. En ja, dan ontstaan er straten die niet voor elk wat wils bieden, maar die zich richten op een doelgroep. En ja, dan moet je functies mengen en met openingstijden spelen. En ja, dat vergt creativiteit en ondernemerschap. En ja, je moet daar bovenop zitten, streng zijn, durven twijfelen.

En ja, dat is veel leuker dan het ophangen van A4tjes vol gemopper.

Jan-Willem Wesselink, hoofdlaborant

Deze blog verscheen ook op de blogsite van ROmagazine.

Ik wil een Minister van Schoonheid

Toen ook Neprom-voorman Jan Fokkema zich tegen de kustbebouwingsplannen van Minister Schultz van Haegen keerde, was ik een beetje van slag. Je zou immers verwachten dat de projectontwikkelaars blij zijn met de kansen die ze kregen. De wereld wordt er niet overzichtelijker op als ook de partijen die ik in het hokje ‘voor’ had gestopt ‘tegen’ blijken te zijn en oproepen om de schoonheid van de kust te behouden.

schoonheidEn juist dat woord is de kern van de discussie. Schoonheid, daar gaat het om. Wat me het meest ergert aan de kustbebouwingsplannen is het gemak waarmee iets dat goed geregeld is en een mooi resultaat heeft, te grabbel wordt gegooid. En dan vooral het laatste.
Ooit was dat dat anders. Ooit hadden we een minister die vocht tegen de verrommeling. Maar met de crisis is ‘Mooi Nederland’ in het kastje ‘luxe producten’ gezet en wordt schoonheid gezien als bijzaak. Ja, ik weet ook dat er momenteel prachtige stations worden opgeleverd en dat Rotterdam met de Markthal een internationale trekker heeft gekregen, maar dat is het resultaat van oud beleid. Telt dus niet. Vanaf heden wacht ons de sombere middelmaat.

Dat is niet alleen jammer, maar ook bedreigend voor onze welvaart. Want schoonheid wordt de komende decennia belangrijker dan ooit. In een mooi betoog in het tijdschrift Wired, stelt designer Stefan Sagmeister dat in 2016 schoonheid weer een functie in het ontwerp heeft. Daar heeft hij als eigenaar van een ontwerpstudio ook alle belang bij, maar zijn argumenten zijn wel overtuigend. In een wereld die steeds complexer wordt, en waarin we worden overladen met informatie, is schoonheid letterlijk een onderscheidend vermogen, zo stelt hij. En bepaalt het welk product we kopen, in wel restaurant we eten, waar we werken, in welke stad we willen wonen. Zeker in onze huidige tijd, waarin we alles altijd en overal kunnen doen, wordt schoonheid letterlijk een unique selling point.

En laten we als Nederland daar nu net mooie een traditie in hebben. Laten we nou een van de landen zijn die al een eeuw lang mooie dingen maakt. En laat het nou net zo zijn dat we daar om bekend zijn. Wij worden in het buitenland nog steeds gezien als dat rare land waar vanuit unieke experimenten de meest prachtige dingen worden gerealiseerd. Praat met Duitse of Engelse vakgenoten en ze kijken verlekkerd naar onze ontwerptraditie. Waarbij de A2 tussen Utrecht als Amsterdam als hoogtepunt wordt genoemd, een land dat zijn snelwegen zo mooi ontwerpt, moet wel een goed land zijn.
Daar kunnen we dus enorm van profiteren. Dagelijks denken multinationals over de hele wereld na over hun vestigingsbeleid. Daarbij speelt de kwaliteit van leven een belangrijke rol. In welke omgeving komen de dure topkrachten het beste tot hun recht? Waar hebben ze het naar de zin? Waar willen ze zijn? Daarin zijn we vaak een middenmoter. Op veiligheid scoort Zwitserland beter, Engels kunnen ze ook best goed in Londen, voor cultuur is Wenen the place to be, klimaat: zo’n beetje elke stad rond de Middellandse Zee.

Maar wij zijn wel het mooiste land om te wonen. Met de aardigste mensen, dat ook, maar vooral het mooiste land. En daarom we hebben een minister nodig om dat te behouden. Schoonheid is van landsbelang.

Jan-Willem Wesselink
Hoofdlaborant

Deze column is geschreven op verzoek van Cobouw en ook daar te lezen.

Daarom doen wij mee aan het Netwerk Ontwerp Veilige Omgeving

plaatjeruhrEerlijk is eerlijk, toen wij een jaar geleden werden gevraagd door het Netwerk Ontwerp Veilige Omgeving om samen te werken aan de organisatie van kennisateliers, hadden we geen idee waar het over ging.
Maar nu weten we hoe belangrijk het is. En we hopen dat u ook meedoet om Nederland veiliger te maken.

Ja, natuurlijk kenden we de vuurwerkramp in Enschede, natuurlijk hadden we gehoord van bijna rampen in Moerdijk, natuurlijk wisten we dat chloortreinen maar beter niet konden ontsporen. Maar dat je daar in het ruimtelijk ontwerp van de omgeving rekening mee moest houden, daar hadden ook wij nooit bij stilgestaan. We wisten niet van micromorts, veiligheidszones, plasbranden.

Wij gingen er altijd vanuit dat ontwerpers er in hun ontwerp rekening mee hielden dat wij ons zo veilig mogelijk door de stad konden bewegen. Dat zij rekening houden met groepsrisico’s. Maar dat is dus niet zo. Ontwerpers maken keuzes. De hele dag door. En soms zijn die keuzes gunstig voor de externe veiligheid en soms niet. En heel vaak houden ze er helemaal geen rekening mee. Omdat ze geen idee hebben waar het over gaat. Dan worden ze wel achteraf terecht gewezen door veiligheidsexperts. Maar dan is het te laat, dan komt er hooguit een compromisje uit. Met iets minder slachtoffers, als het misgaat.

We leven in een onzekere wereld. Een wereld vol risico’s. En ik weet ook echt wel dat we al die risico’s niet kunnen vermijden. En dat doodgaan hoort bij het leven. Maar ik stel dat moment graag nog even uit. En ik wil ook niet dat mijn geliefden wat overkomt. En daarom hoop dat ruimtelijke ontwerpers er in hun ontwerp wél rekening mee houden dat impact van een ontploffing, brand of aanslag zo klein mogelijk is. Hoe groot dat misschien ook is.

Daarom zijn wij er trots op dat we mogen meedoen aan Netwerk Ontwerp Veilige Omgeving. Daarom erger ik me dat veel studenten die een ruimtelijke opleiding doen, hier maar zijdelings van weten. En daarom doen wij dat. Via summerschools, bootcamps en kennisateliers. En we willen u vragen om dit aan zoveel mogelijk studenten door te vertellen, zodat uiteindelijk onze omgeving nog veiliger wordt.

Volgende activiteiten:

‘Bootcamp Veilig Ontwerpen in het Ruhrgebied’ (24-26 feb) – http://www.kennislabvoorurbanisme.nl/bootcampveiligruhr/

Kennisatelier Veilig Ontwerp (9 feb Leerdam) – http://www.kennislabvoorurbanisme.nl/studenten-gezocht-voor-kennisatelier-veilig-ontwerp-9-feb-leerdam/

In 2016 wordt de economie on demand

Aan het eind van dit jaar is het niet meer de vraag waarom je Netflix hebt, maar waarom niet. Dat is een belangrijk moment, kijken naar Netflix is dan normaal. Wie dan niet kijkt, heeft redenen om dat niet te doen. ‘Te veel gedoe’, ‘te duur’, ‘nog niet aan toegekomen’, dat soort argumenten.

Dat is leuk voor Netflix, de impact is veel groter. De opkomst van Netflix gaat immers gelijk op met de ondergang van de publieke en commerciële omroepen, althans op tv. De tijd dat zenderbazen bepalen wat wij wanneer kijken is voorbij. De volgende vraag is wat hun toegevoegde waarde dan nog is. En of dat niet met een paar zenders minder kan. Bij commerciële omroepen gaat die discussie iets anders, maar als er niemand meer naar reclame kijkt (omdat naast de netflixisering, ook het opnemen van programma’s normaal is geworden), zullen adverteerders zich afvragen wat ze daar nog doen. Slechts bij live-events kijken we massaal met z’n allen. En bij de finale van Boer zoekt Vrouw natuurlijk, al is het maar omdat het dan het leukst is om ondertussen te twitteren.

on demandDe aangekondigde dood van de publieke omroep is een les voor de Nederlandse binnensteden. Ook daar is de tijd van de ‘omroepbazen’ voorbij. Van de winkelmanagers die bepalen wat ik wanneer moet kopen. Dat het voor het management van V&D jarenlang praktisch was om al in september de wintercollectie in de schappen te hangen, klinkt ondertussen net zo oubollig als de omroepbaas die voorschrijft wanneer ik welke serie moet kijken. Het is ook niet voor niets dat in veel van de necrologieën over V&D de spruitjeslucht overheerst. Het zijn weemoedige verhalen die terugverlangen naar een tijd toen geluk nog heel gewoon was.

In 2016 wordt de economie on demand. Dat betekent dat ik nu alles kan krijgen ik wat ik wil. En dat alles is daarbij belangrijker dan het nu. Ik wil Japanse snoepjes, een biologisch groentepakket, een abonnement op de Britse Wired, een nieuw rubberen ringetje voor mijn espressokoker. Ik wil in één keer alle afleveringen van The Bridge kijken of naar het nummer Lila Wolken luisteren als ik daar zin in heb. En tijdens het autorijden wil ik leren hoe schoonheid werkt. Ik heb die behoeftes en ik wil dat ze worden vervuld. En via Japan Crate, BeterBio, Wired.co.uk, Amazon, Netflix, Spotify en Ted Radio kan dat ook. Dat hoeft niet per se direct. Op dat rubberen ringetje voor mijn espressoapparaat moest ik een week wachten. En Japan Crate werkt met een abonnementenmodel.

In een wereld waarin letterlijk alles te koop is, steekt de binnenstad – zeker die van steden buiten de Randstad –schril af. Maar waar dat vroeger een voldongen feit was, is het nu het begin van een zoektocht. Als de tas van Nordface die ik wil, net niet in de winkel ligt, bestel ik hem wel online.

Om te overleven moet de stad onderdeel worden van de on demand economie. Dat kan op drie manieren. Ten eerste door te concurreren op snelheid. Als ik nu iets nodig heb, moet het in de buurt zijn. Bijvoorbeeld: ik heb hoofdpijn, de paracetamol is op, ik ga naar de winkel. Ten tweede op gemak. Voorbeeldje: het is zaterdagochtend, ik heb zin in verse croissants, maar wil mijn bed niet uit: ik bel de verse-croissant-bezorgservice. En tenslotte op service: niets is fijner dan het kopen van een nieuw pak in een winkel waarin de verkoper direct je maat weet. Of de opticien die precies dat model pakt dat jou staat. En die veelgenoemde beleving dan? Dat is aankleding, waar geen product meer door wordt verkocht. Toen Deventer afgelopen kerst vol liep voor het Dickensfestijn, waren de hoofdwinkelstraten opvallend leeg en de winkels daaraan nog leger. Voor beleving ga ik wel naar Disneyland.

Adriaan Geuze, help ons!

Beste Adriaan Geuze (en andere topstedebouwers en –landschapsarchitecten van Nederland),

Help ons onze kust te beschermen!

Ik was onder de indruk van jouw betoog tegen de verrommeling tijdens je uitzending van Zomergasten. Vol vuur vroeg je je af wie er had bedacht dat het landschap langs onze snelwegen verramsjt mochten worden. Wie ons had gevraagd of wij dat wilden. Jij wilde het in ieder geval niet. En ik niet. En als ik de reacties op twitter mocht geloven wilde niemand het.

geuzeNu dreigt een nieuw debacle. Minister Schultz van Haegen heeft onze kust vogelvrij verklaard. Gemeenten en provincies mogen voortaan zelf weten wat er wordt gebouwd en we moeten er op vertrouwen dat dat goed komt. Maar, eerlijk gezegd, ik vertrouw daar niet op. Ik ga er vanuit dat het een nieuwe verrommeling wordt. Een smurrie van onder architectuur gebouwde goede bedoelingen. En dat wil ik niet. Omdat ik wil dat niet alleen ik, maar ook mijn kinderen, kunnen genieten van het unieke duinenlandschap dat we daar hebben. Ik wil geen huisjes, hotels, appartementencomplexen en andere lelijkheid in en bij de kustlijn. Ik wil rust en leegte.

En met mij willen veel vakgenoten dat, kijk naar de discussie op twitter vandaag. Kijk naar de artikelen in de kranten en naar de acties van de natuurbeweging. Ik maak me zorgen of dat uitmaakt. Of onze Minister en onze Kamerleden onder de indruk zijn van onze bezorgdheid. Ik vrees van niet.
Maar goed, niets doen helpt ook niets. En daarom hoop ik dat ook jij én je collega’s, zich willen uitspreken tegen de verrommeling van onze kust. En met jullie zoveel mogelijk andere vakgenoten. Via social media, vakmedia, kranten en via de directe lijnen die jullie ongetwijfeld hebben met de politiek. Want jullie stem is krachtiger dan die van mij.

Niemand vroeg ons ooit of wie de lelijkheid langs de snelweg wilden en niemand vroeg ons of wilden dat onze duinenlandschap opgegeven werd. Maar ik wil dat niet en ik hoop jullie ook niet.

Jan-Willem Wesselink, hoofdlaborant Kennislab voor Urbanisme

Onze kust verrommelt onder architectuur

Je zal maar minister van Ruimtelijke Ordening zijn. Dan neem je dus de ene week het Manifest 2040 aan, waarin je wordt opgeroepen om van Nederland het gaafste land van de wereld te maken en amper twee weken later vernachel je de kust van datzelfde Nederland door je handen er van af te trekken en gemeenten en provincies verantwoordelijk te maken voor het behoud daarvan. Het lijken mij moeilijk te verenigen grootheden, maar Minister Schultz van Haegen kan het blijkbaar wel rijmen.

kust oostende Persoonlijk ben ik een fan van de Belgische kust. Het is zo’n bizarre verzameling lelijkheid dat het weer mooi wordt. En het staat zo haaks op de aangrenzende kusten in Nederland en Frankrijk, dat je in ieder geval weet in welk land je bent. Ik ben ook niet bang dat onze kust verbelgt, dat is alleen al vanuit waterveiligheid totaal onwenselijk. De stad Oostende heeft bijvoorbeeld veel moeite om de zeedijken op te hogen, omdat er hotels en appartementencomplexen in de weg staan.
Nee, onze kust zal niet verbelgen, maar langzaam verrommelen. Zoals onze hele land langzaam verrommelt. Wie wil weten hoe dat er uitziet, hoeft alleen maar naar de rand van de gemiddelde Nederlandse stad te gaan en te genieten van het zoveelste lege bedrijventerrein. Of, beter nog, naar het platteland in Overijssel of Gelderland, waar het vrije uitzicht steeds vaker verpest wordt door grote boerderijen. Mooi voorbeeld is te vinden in het Ruimte voor de Rivier Project bij Deventer waar een enorme boerderij is gebouwd die daar mag staan omdat het officieel een natuurderij is. Won tal van architectuurprijzen, maar blijft een lelijke puist in een voorheen ongeschonden uiterwaardenlandeschap. En het allerbeste voorbeeld is natuurlijk het Groene Hart, dat door gemeenten, provincies én Rijk is opgehakt en opgevreten tot er alleen een papieren werkelijkheid overbleef.

De Nederlandse kust zal niet worden volgebouwd zoals in België. Het zal niet één groot Scheveningen of Zandvoort worden. Het wordt veel erger, het wordt een verzameling van zogenaamd bij de omgeving passende hotels en appartementencomplexen. Allemaal mooi weggewerkt in het landschap. Met gebruik van natuurlijke materialen en ontworpen door goede architecten. Sommige van die gebouwen zullen prijzen winnen en in jaarboeken komen. En dat is dan nog terecht ook. De Nederlandse kust wordt een smurrie van goede bedoelingen, waar je nergens meer ongezien kan rondstruinen. Dat is het ergste van het voornemen van de Minister, dat het geheel zoveel minder is dan de som der delen. En dat daar straks niemand voor verantwoordelijk is.

Weg met de bakfietscultuur

Met ondernemerschap bereik je meer in de wijk

Als er minder geld is, moet je het vermogen in de wijk beter benutten. Maar hoe doe je dat? Nathan Rozema: ‘Ondernemerschap moet leidend worden. De participatiesamenleving vraagt om ondernemende burgers en een overheid die inzet op prikkels waarvan bewezen is dat ze werken. Een overheid die wegblijft van de bakfietscultuur.’

Decentralisatie. Er wordt al jaren over gepraat, maar in 2015 werd het realiteit. Met een kleiner budget moet de komende jaren binnen het sociaal domein meer gebeuren. Overigens niet alleen bij de zorg en bij werk en inkomen (al grijpt de verandering daar wel het hevigst in), maar ook bij de openbare ruimte en bij energie. Het signaleren en activeren van onbenut vermogen en geldstromen binnen wijken, buurten en andere gebieden is de missie van Geldstromen door de Wijk, een initiatief van Nathan Rozema (Labyrinth Academy) en Pieter Buisman (Pieter Buisman Advies). ‘Door lokale geldstromen te analyseren, kun je verborgen waarden opsporen. Maar “waarde” is een vaag begrip. Geld is concreet, het maakt de zaken scherp en je kunt het volgen: waar komt het vandaan, waar gaat het heen en wat lekt er weg of blijft ergens onderweg hangen? Op beleidsniveau kunnen er heel mooie plannen worden gemaakt, maar uiteindelijk gaat toch elk voorstel langs de afdeling Financiën’, aldus Buisman. timpaan

Verborgen vermogen opsporen

Geldstromen door de Wijk is een effectieve aanvliegroute voor het opsporen van onbenut vermogen in wijken. Een voorbeeld: We willen dat mensen langer thuis wonen. Daarvoor moeten woningen worden aangepast. Als het om sociale huurwoningen gaat is dat een taak van woningcorporaties. De kosten liggen dus bij hen, maar de baten komen in de boeken van de gemeenten en de zorgverzekeraars. ‘Omdat de kosten en baten niet bij dezelfde partij liggen, zal er weinig neiging zijn tot investeren. In het ergste geval gebeurt er niets, blijven de zorgkosten hoog en is het er voor de huurder niet beter op geworden. Er ontbreekt een gezamenlijk verdienmodel. Daardoor blijft er ergens geld hangen’, stelt Buisman. Geld dat daardoor niet wordt ingezet om meer rendement te halen.

Ruimte voor de ondernemer

Met inzicht in dergelijke geldstromen kan lokaal ondernemerschap deze patstelling doorbreken. Bijvoorbeeld door het levensloopbestendig maken van vastgoed anders en goedkoper aan te pakken. ‘Misschien is die traplift à 7.000 euro helemaal niet de beste manier, maar voldoen een paar Easysteppers (eenvoudig te plaatsen extra tussentreden op de trap) van een paar honderd euro al. Deze alternatieve oplossingen worden door de traditionele instellingen nu niet meegenomen, maar we betalen ze wel. Moet ik zelf betalen en heb of krijg ik daar het budget voor, dan zou mijn keuze weleens anders kunnen uitvallen. Bovendien ligt de markt dan open voor kleine ondernemers met slimme oplossingen die nu in het grote systeem buitenspel worden gezet.’

Maak economische prikkels leidend

Ondernemerschap is hét middel om de geldstromen te veranderen en meer te bereiken met minder geld in de wijk. De reden daarvoor is eenvoudig: ‘Bij ondernemerschap is het businessmodel leidend. Het draait om economische prikkels, om de vraag “What’s in it for me?”. En als die prikkel weg is, dan gaat de stekker eruit. Bij gesubsidieerde projecten van de gemeente is dit te vaak niet het geval, waardoor er veel geld wordt gestoken in projecten waar helemaal geen vraag naar is’, stelt Rozema.

De economische prikkels zouden daarom bij ieder project leidend moeten zijn. Daarnaast gaat het ook om competenties. ‘Ondernemers zien waar de kansen in de markt liggen, willen investeren en zullen zich drie slagen in de rondte werken als het moeilijk gaat. Dat is bij grote instituties als zorgverzekeraars en corporaties verdwenen. In het begin stonden ze nog dicht bij de mensen en had iedereen zicht op hun manier van werken, maar door de hele industrie die eromheen is ontstaan, is dit verdwenen. Ze zijn niet bezig met de vraag: hoe kan ik met zo min mogelijk geld zo veel mogelijk waarde creëren, maar met regels, administratie, verantwoording, controle en overleg. Ook bij de overheid gaat dit niet goed. Aanbestedingen worden grootschalig uitgezet, waarbij de kosten leidend zijn in plaats van het rendement, en kleine ondernemende en innoverende aanbieders geen kans hebben.’

Wij zijn de overheid

Willen we hiervan af, dan moet de ‘bakfietscultuur’ overboord. Rozema legt uit: ‘Sociaalpsychologisch gezien is voor de meeste mensen de eigen omgeving het meest voor de hand liggende referentiekader: “ons soort mensen”. Het referentiekader van de participatiesamenleving zijn de handige mensen, de kartrekkers en de mensen met organisatievermogen. Niet iedereen kan op die manier denken. Realiseer je als beleidsmaker dat die bakfiets waarmee je de kinderen naar school brengt net zo duur is als een tweedehands dieseltje waarmee een ondernemer naar zijn klanten moet. En dat is een andere wereld. Het is schrijnend dat een commerciële webwinkel als de Wehkamp of een platform als Thuisbezorgd.nl wél in staat is om die massa aan te spreken, en onze overheid niet. Zij verplaatsen zich in wat de doelgroep nodig heeft en passen hun referentiekader aan.’ Dat er nog steeds gesproken wordt in termen als ‘wij’ en ‘zij’ als we het over de relatie tussen burgers en de gemeente hebben, bevestigt dit en dat moet anders. Wij zijn de overheid.

En dat vraagt om een nieuw maatschappelijk arrangement met andere rollen voor de grote instituties en meer afstemming tussen burgers, ondernemers en bestuur. Als het aan Buisman en Rozema ligt, moeten burgers meer mogelijkheden krijgen om zelf de keuze te maken die bij hun budget past. Dat geeft het beste resultaat. Daarnaast zijn er veel taken die een gemeente kan uitbesteden of – nog beter – kan overdragen aan partijen die daar veel beter in zijn. Buisman: ‘Laat financiering over aan platformen als Oneplanetcrowd of Kickstarter en ga je als overheid al helemaal niet bemoeien met de ondernemers zelf door het uitkeren van subsidies. Door uit te besteden kun je als (semi-)overheid twee vliegen in één klap slaan. Laat je catering verzorgen door een sociale onderneming als The Colour Kitchen. Dat bespaart op uitkeringen en drop-outproblematiek én levert nog betere en gevarieerdere catering op ook. Want zo’n onderneming kan alleen sociaal zijn, als ze commercieel denken, kunnen concurreren en zwarte cijfers draaien: alleen dan zijn ze duurzaam’

Dit betekent niet dat de overheid alles aan de markt kan overlaten. Er blijft een belangrijke taak voor de overheid weggelegd. ‘Laat de markt zijn werk doen, pas wetgeving daarop indien nodig aan en zorg dat je zelf daardoor tijd hebt om midden in die samenleving te staan en mensen de weg te wijzen. Dát is de USP van de gemeente.’

2015-12-29 14_46_17-FLyer_DinLarge_Festijn_HQ (003).pdf - Adobe Acrobat Reader DC

Denk en doe mee

Op het Geldstromen door de Wijk Festijn op 4 februari in Utrecht leren we hoe het anders kan. Lokaler, met meer ruimte voor sociaal ondernemerschap en met meer waarde voor de wijk als gevolg. Ondernemers, bewoners, professionals en bestuurders denken op het Festijn samen na over nieuwe verdienmodellen, lokaal vermogen, geldstromen, wet- en regelgeving en financiering. Een interactief programma vol succesverhalen en ervaringen uit de praktijk in ZIMIHC Theather Stefanus in de wijk Overvecht prikkelt om na te denken over hoe het ook anders kan.

U ontmoet:
  • Titaan Zwart van de Mantelaar, die lokaal zorgvermogen activeerde door het stimuleren van de peer2peer-economie;
  • Robin Berg van LomboXnet, die erin slaagde om internet, energie en mobiliteit in zijn wijk te verduurzamen door lokale infrastructuur aan te leggen;
  • Marieke Boeije van Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners, die als geen ander weet wat bewoners kunnen bijdragen aan de wijkeconomie;
  • Walter Klein Nienhuis van Bruishuis Arnhem, die u leert hoe een bewonersinitiatief uitgroeide tot een sluitende businesscase;
  • Saskia Müller van Stadslab Buiksloterham, die samen met bewoners een circulaire wijk ontwikkelt binnen een woud aan regels;
  • Paul G. van Oyen van Stichting Fair Finance Funds, die alles weet van kredietunies, een vorm van maatschappelijk bankieren door en voor ondernemers;
  • Roy Spit van Qredits- Microfinanciering Nederland, die startende en bestaande ondernemers verder helpt door het verlenen van kleine kredieten.
  • Peter Pronk van Timpaan en Fred Baptist van Fortierra over transparantie, zeggenschap en de waarde van de woning;
  • Senna Bouteba van Blooming projects en Mark Heijne van Mark my Words over businessmodellen voor de maatschappelijke en culturele sector;
  • Dorine Putman van ASN-bank, die het wijkperspectief van de bank centraal stelt;
  • De studenten van het Kennislab voor Urbanisme, die onderzochten hoe burgerinitiatieven en marktpartijen kunnen samenwerken voor meer lokale waarde;
  • Plus vele anderen!

Kijk op www.geldstromendoordewijk.nl/festijn voor aanmelding en de rest van het programma. Met de kortingscode ELB-02 ontvangt u 10 procent korting op het voltarief, boven op de 20 procent die u krijgt als u vóór 31 december bestelt.

geldstromen

Beeld: FaceMePLS

 

 

Gezocht: bedrijven die burgerinitiatieven als afzetkanaal (willen) benutten

In Lab Amersfoort zijn we alweer een paar maanden bezig met het thema business2community. Dat communities van actieve bewoners (of burgerinitiatieven) een potentiële afzetmarkt vormen bedrijven is ons inmiddels wel duidelijk. Tallozen voorbeelden onderstrepen dit. Denk aan bedrijven die zonnepanelen aanbieden voor groepen bewoners die deze collectief willen aanschaffen, aan autofabrikanten die deelauto’s op de markt brengen, aan banken die speciale leningen verstrekken, maar ook aan organisaties als Social Impact Ventures die (financiële) steun geven aan sociale ondernemers.

Community2business en vice versa

Voor het benutten van deze afzetmarkt is het inzichtelijk maken van de behoeften van deze burgerinitiatieven een belangrijk punt om bij stil te gaan. Hebben ze juridisch advies nodig, of juist inhoudelijke kennis over het gezamenlijk opwekken van energie? Lopen ze vast op financiële kwesties of is het de organisatievorm wat een struikelblok vormt? Dit zijn logische eerste vragen voor een bedrijf dat business2community als afzetkanaal wil benutten. Maar om deze markt inzichtelijk te maken is ook de andere kant van het verhaal interessant.

We kunnen er namelijk niet van uitgaan dat een bedrijf puur en alleen uit goodwill zal investeren in een burgerinitiatief. Een bedrijf moet zélf ook voordeel kunnen halen uit een eventuele samenwerking. Daarom is onderzoek vereist naar de kenmerken van een burgerinitiatief dat interessant is voor bedrijven om mee samen te werken. Is dat een sterk businessplan, waarmee kan worden aangetoond dat er winst zal worden gemaakt een vereiste? Of moet een burgerinitiatief draagvlak hebben en uit meer dan 20 personen bestaan? Vragen waar nu nog geen antwoord op is, maar of niet al te lange tijd wel.

Gezocht: marktpartijen met ambitie

Deze en andere mogelijke factoren die een burgerinitiatief interessant kunnen maken voor bedrijven brengen Bodil en ik als laboranten in kaart door kwalitatief en kwantitatief onderzoek. We gaan gesprekken voeren met verschillende marktpartijen die op zoek zijn naar een nieuwe afzetmarkt en mogelijkheden zien voor een samenwerking met communities of burgerinitiatieven. Daarnaast zoeken we de verbindende partijen op, zoals het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve Bewoners, om mee in gesprek te gaan. Doel hiervan is om erachter te komen welke kenmerken een initiatief moet hebben om potentiëel interessant te zijn voor samenwerking.

Aan de hand van deze factoren kunnen burgerinitiatieven vervolgens gebenchmarkt worden op potentie en kan de afzetmarkt voor business2community letterlijk in kaart worden gebracht. En daarmee kunnen we business2community naar een hoger niveau tillen en meehelpen aan een goed functionerende participatiesamenleving, waarin burgerinitiatieven, marktpartijen en de overheid een andere rol krijgen.

Bent u zo’n marktpartij die de samenwerking met burgerinitiatieven of communities wel ziet zitten, of zelfs al heeft opgestart? Dan gaan we graag met u in gesprek! Hoe meer marktpartijen wij kunnen spreken, hoe beter ons eindresultaat.

We zijn te bereiken via labamersfoort@kennislabvoorurbanisme.nl.

Tom Gerritsma

Bestuurskunde/overheidsmanagement – Hogeschool van Amsterdam
Kennislab voor Urbanisme, Amersfoort

Sociaal ondernemen is ook geld verdienen

Nu de overheid zich terug trekt, burgers ondernemender worden en onze economie vraagt om een duurzamere inrichting, wordt sociaal ondernemerschap gezien als een soort heilige graal. Ondernemen met maatschappelijke winst als hoofddoel. De sociale, maatschappelijk verantwoorde bedrijven zijn stuk voor stuk wereldverbeteraars. Ze vullen een gat op die de participatiesamenleving heeft gecreëerd of hebben de ambitie hebben om de economie (of een klein takje daarvan) duurzamer in te richten zodat iedereen mee profiteert.

En dat is ook alleen maar goed. Niemand zegt nee tegen slaafvrije chocolade, minder plastic in zee, minder E-nummers in de supermarkt of minder CO2 uitstoot. Maar dat deze bedrijven hun maatschappelijke winst vóór hun financiële winst zouden stellen, daar heb ik moeite mee.

‘Financiële winst is nodig om de maatschappelijke winst te halen’

Om je eigen broek op te houden en te voorkomen dat je als maatschappelijk verantwoorde onderneming aan de subsidiekraan komt te hangen is financieel winst maken keihard nodig. Zonder financiële winst is continuïteit van een onderneming niet gewaarborgd en failliet gaan is het laatste wat we willen. Kortom, het behalen van financiële winst is nodig om de maatschappelijke winst te halen. En mag daarom dus ook gewoon hoofddoel genoemd worden.

https://c1.staticflickr.com/1/58/4551978138_a43549f669_b.jpgDe ervaring leert dat sociale ondernemingen die financiële winst ook vaak gewoon maken. De kritische consument is meer dan ooit ontvankelijk voor producten die op een verantwoorde manier zijn geproduceerd of die een meerwaarde hebben voor de maatschappij. Geld verdienen aan maatschappelijke tekortkomingen gaat goed samen. Daarmee rijst ook de vraag of het label ‘sociale onderneming’ voor (een deel van) de bedrijven niet gewoon een slimme marketingtruc is om óók meer financiële winst te halen. Laten we eerlijk zijn, als het écht de missie zou zijn van Marqt om duurzame producten onder een groot publiek onder de aandacht te brengen, dan zou de rijkeluissupermarkt een iets toegankelijker prijsje hanteren. Met andere woorden, staat die maatschappelijke winst wel écht voorop of is het een handige dekmantel? Daarnaast impliceert de term sociaal ondernemerschap dat er ook zoiets is als asociaal ondernemerschap..

‘Communities worden een steeds interessanter afzetkanaal’

Je kunt niet tegen ‘maatschappelijk verantwoord’ of ‘sociaal’ ondernemen zijn. Dat ben ik ook niet. Wel vind ik dat met het creëren van maatschappelijke meerwaarde gewoon geld mag worden verdiend. En dat dat ook mag worden gezegd. We hoeven niet te doen alsof financiële winst ‘slechts’ een welkome bijvangst is; ondernemen betekent zorgen dat er voldoende winst wordt gemaakt zodat de begroting sluitend kan worden gemaakt.

Dat is ook een van de redenen dat we in Lab Amersfoort bouwen aan een marktplaats voor burgerinitiatieven en marktpartijen. De veranderende samenleving heeft ervoor gezorgd dat burgers binnen bepaalde thema’s (recycling, bouw, zorg, openbare ruimte etc.) de handen ineen hebben geslagen. Er zijn communities gevormd (of zichzelf vormende) van mensen met een gemeenschappelijk doel. En er zijn daardoor ook nieuwe behoeften ontstaan waar marktpartijen handig op in kunnen spelen door het aanbieden van op maat gesneden producten en diensten. Denk aan banken die speciale leningen aanbieden, waarmee een glasvezelnet kan worden gefinancierd of aan verzekeraars die straatbudgetten uitkeren.

Naast business2consumer en business2business is business2community een derde afzetkanaal aan het worden voor commerciële partijen. Communities kunnen van de steun van marktpartijen alleen maar beter worden. Hun (latente) behoefte wordt ingevuld. Marktpartijen idem dito, die zien hun afzetmarkt, en daarmee financiële winst, groeien. En als maatschappij worden we er gezamenlijk ook alleen maar beter van als de ‘gaten’ die door de terugtrekkende overheid zijn ontstaan op een financieel duurzame manier worden ingevuld.

Ontdekken wat de kansen zijn op het gebied van business2community? Of meebouwen aan de marktplaats? Kijk op www.kennislabvoorurbanisme.nl of kom vrijdag 23 oktober naar de gratis werksessie business2community met gastdocent Jurgen van der Heijde.

Lisette van Beusekom
(labmanager Lab Amersfoort en redacteur Elba-rec)

Duitsland ligt ver weg

Als we vanuit ons lab in Amersfoort met de trein naar ons lab op Schiphol willen rijdt er elk halfuur een goede verbinding. Dat begint om een uur of 6 en gaat door tot voorbij middernacht. Elk halfuur. Als we straks naar ons lab in het Ruhrgebied willen, kan dat 7 keer per dag. De eerste trein komt om een uur of 9 in Oberhausen aan (en zijn we nog lang niet) en het zal de eerste keer niet zijn dat we de laatste trein terug missen. En een taxi van Oberhausen naar Arnhem is erg duur hebben we gemerkt.

ver wegDus gaan we met de auto. En wachten we maar tot in 2017 elk halfuur een stoptrein naar het Ruhrgebied gaat. Maar raar is het wel dat 25 jaar na het akkoord van Schengen het Nederlandse spoorwegnet zo enorm slecht verbonden is met het Duitse en Belgische netwerk. Het is ook symbolisch voor de manier waarop we met onze buren omgaan. In het ene Europa dat we zeggen te hebben, werkt vrijwel geen Nederlander over de grens en omgekeerd is het al niet veel beter. En natuurlijk zijn er bedrijven actief in de buurlanden. Natuurlijk hebben ze er vestigingen, maar het is nog lang niet de norm. Vraag een gemiddeld Nederlands MKB-bedrijf (bij voorkeur in de dienstverlening) op de kaart aan te geven waar zijn klanten zitten en je zult de landsgrenzen zien liggen. De gemiddelde architect of stedebouwer, zelfs die uit de grensregio, neemt dat aan als een fact of life. Zoals een bureau uit Den Haag niet verder naar het westen kan dan het strand bjj Scheveningen, houdt de markt voor een bureau uit Arnhem op bij Zevenaar. Dat maakt je markt wel erg klein, zeker als je het vergelijkt met bureaus uit het Ruhrgebied die vissen in een vijver die 5 keer groter is.

Nu we het lab in het Ruhrgebied opzetten, begrijpen we ook waarom. Naar Duitsland gaan is ook een flinke stap. Duitsers doen dingen anders en ze doen het ook nog op een andere manier. Duitsland kent een andere taal, een andere cultuur en andere regels en wetten. Maar dat biedt ook enorme kansen. De creatieve en open manier waarop wij processen aanpakken, is gewild in Duitsland. Onze focus op design, ons oog voor maakbaarheid en schoonheid vinden ze prettig. Aan de manier waarop wij met elkaar polderen moeten ze weliswaar wennen, maar dit willen ze wel graag. Kortom, in Duitsland hebben we een extra USP: we zijn er Nederlands.

En het nadeel? Dat lossen wij zelf op door met Duitsers te werken. Vanuit een simpele ruil: wij helpen jullie in Nederland, als jullie ons in Duitsland helpen. Zij vertalen figuurlijk (en soms letterlijk) de Duitse taal en cultuur voor ons. Dat is, gezien de omvang van de beide landen, voor ons een prima deal. En het mooie is, van die deal kunt u ook profiteren. Want vanuit het Kennislab in Dortmund kunnen we nog veel bedrijven de Duitse markt op helpen. En zo ontstaat er, nog voor de stoptrein naar Oberhausen rijdt, vanzelf een betere band met onze buren.

Weer 50 jaar voetbalhistorie aan de Vetkampstraat

Zondag speelt Go Ahead Eagles thuis tegen Telstar. Dat is niet leuk. Na twee jaar Eredivisie spelen de Eagles weer Jupiler en dat is niet iets om trots op te zijn. En na de troosteloze openingswedstrijd tegen Jong PSV van afgelopen maandag is het nog minder leuk. Toch wordt het een mooie dag, want het is de eerste wedstrijd in de vernieuwbouwde Adelaarshorst. De hele zomer is gewerkt aan het vervangen van twee tribunes. Zondag beleven we het resultaat. Tja, in een restaurant waar het menu tegenvalt, ga je je vanzelf concentreren op de inrichting.

Maar daar is bij de Adelaarshorst dan ook veel aandacht aan besteed. De vernieuwboude tribunes zijn met gevoel voor voetbalhistorie gebouwd. De architect, zelf Kowet-fan, liet zich inspireren door Engelse clubs die al net zo cult zijn als Go Ahead Eagles zelf. Hij bouwde een tribune die doet denken aan de Bosuil in Antwerpen met baksteen die past bij de volkswijk waarin het stadion staat. Hij behield de lichtmasten, die er in 1963 zijn neergezet tijdens de allereerste (en ook laatste) Europese wedstrijd in de Adelaarshorst. Net zoals de stadionmuur achter het stadion. Zo maakte hij een stadion dat nog mooier is dan het stadion dat we hadden. De vernieuwbouw is de belangrijkste verandering aan de Adelaarshorst in de afgelopen 50 jaar.

Maar het allerbelangrijkste is datgene wat er niet verandert. Want door de investeringen die zijn gedaan in de Adelaarshorst zijn we er zeker van dat Go Ahead Eagles aan de Vetkampstraat blijft voetvallen. Sinds een jaar of 20 geleden verhuist de ene naar de andere voetbalclub naar een betonbak aan de rand van de stad. Mooie oude stadions worden ingeruild voor anonieme bouwsels op bedrijventerreinen. Dat lot bleef Go Ahead Eagles bespaard. Niet omdat het clubbestuur dat niet wilde, maar omdat de club zo dicht bij een faillissement zat dat het geen optie was. Vanuit die achterstand is een voorsprong gecreëerd. Toen Kowet twee jaar geleden promoveerde werd er vol lof gesproken over het voetbal zoals voetbal bedoeld was. ‘Wie de Engelse sfeer wilde proeven, moest naar Deventer’, vond Voetbal International.

Aan de Vetkampstraat ligt voetbalhistorie. Al sinds 1920 speelt Go Ahead hier zijn wedstrijden. 95 jaar lang bezoeken mannen en vrouwen met een rood-geel-hart hun club. En de tribunes mogen dan gebouwd en verbouwd zijn, de doelpalen en hoekvlaggen staan al die jaren op dezelfde plek. In een snel veranderende wereld is dat een niet te onderschatten waarde.

Zondag gaan we, net als vorig jaar en het jaar daarvoor en daarvoor naar de Vetkampstraat. Daar zetten we ons fietsje neer tegen dezelfde lantaarnpaal. Halen we een broodje döner (de beroemde gehaktballen hebben ze niet bij onze tribune) en een biertje en lopen dan langzaam naar ons vak. Lekker op tijd. Beetje relaxen. Beetje ouwehoeren. Hopen op een mooie wedstrijd, mopperen als die niet komt. We zingen dat rood en geel de kleuren van juweel zijn en dat wie niet springt voor Zwolle is. Dat gebeurt hier al 95 jaar en gaat nog 50 jaar door. Dat is mooi.

Ruim die troep dan gewoon op

Amsterdam is een vieze stad. Sterker nog, er is geen doorkomen aan. Als ik de ingezonden brieven in het Parool mag geloven, stond wie 2 augustus op Amsterdam CS arriveerde tot zijn enkels in de troep. Het is een wonder dat de trams nog reden. Wie wethouder Van den Burg, het Parool en de sociale media serieus neemt, komt de komende maand niet de hoofdstad. Vies. Bah. (meer…)

Vers van de pers: 7 nieuwe eindproducten

Het is opleverweek bij het Kennislab voor Urbanisme. Vijf maanden lang werkten de laboranten aan hun onderzoeken en oplossingen in het lab op Schiphol en in Amersfoort. En dit is het resultaat: zes manieren om de Westasregio een economische, logistieke en circulaire impuls te geven en PlayVol, een spel tegen leegstand. Op donderdag 25 juni en vrijdag 26 juni werden ze gepresenteerd tijdens de slotevents.  Een korte samenvatting, voor wie er niet bij was.

PlayVol: serious gaming tegen winkelleegstand

NaamloosMet een vloeiende eindpitch voor een jury van leegstandexperts sleepten Serdar Agdere, Robin de Krijger, Cihan Berkcan en Joren Tijmensen direct hun eerste opdracht in de wacht. Aanstaande woensdag presenteren ze PlayVol aan de gemeenteraad in Almelo.
Eigenlijk gaat PlayVol niet over leegstand, maar om het revitaliseren van buurten. Daarvoor zijn ontmoetingsplekken voor bewoners nodig op centrale plekken in de wijk. Robin: ‘Onder invloed van economische crisis en e-commerce zijn deze plekken, met name in wijken aan de rand van de stad, schaars geworden. Leegstand is het gevolg en versterkt het effect.’

Ontmoetingsplekken terug in de wijk
Serious game PlayVol brengt ontmoetingsplekken terug in de wijk. Cihan: ‘De methode bestaat uit drie delen: een inventarisatie van de behoeften van het verzorgingsgebied aan de hand van een enquête, het spelen van het bordspel met alle stakeholders uit het gebied, waarbij de enquête-uitkomsten de spelregels bepalen, en economische toetsing aan de hand van bestaande data.’
De oplossing hoeft zich niet per definitie te beperken tot retail. Joren: ‘Het kan ook goed zijn dat er behoefte is aan een zorgservicepunt of horeca. Dat bleek ook uit de pilot die we hebben gedaan in Amersfoort, bij winkelcentrum de Nieuwe Hof.’
Binnenkort zal het eindverslag verschijnen met ook de resultaten van deze pilot. De enquête werd door ca. 250 buurtbewoners ingevuld, mede door het effect van het artikel in de krant DeStadAmersfoort. De game zelf moet nog gespeeld worden, in overleg met de stakeholders uit het gebied.

Het eindverslag volgt binnenkort. Bekijk hier alvast de videopresentatie: https://youtu.be/0m_ErgfMVRw 

Begin de dag met een Frisse Start

Fietsen is hip. De speed pedelecs, e-bikes en racefietsen vliegen als warme broodjes over de toonbank. En met deze snelle jongens is de reikwijdte niet meer beperkt tot enkele kilometers. Met een gemiddelde snelheid van 40 km/u is het niet ondenkbaar dat de fietspendelaar dagelijks een afstand van enkele tientallen kilometers aflegt. En dat maakt dat fietspendelen ook voor langere afstanden een optie wordt. Míts je het goed faciliteert, natuurlijk.

Fietsfanaat en laborant Santini Heijmans studeert af aan de opleiding Stadsgeografie. Santini: ‘Het is eigenlijk vreemd dat er op een plek als Schiphol, waar dagelijks duizenden mensen aan het werk zijn, amper gebruik wordt gemaakt van de aangeboden fietsenstallingsruimten onder de kantoren. Natuurlijk, bij Schiphol denk je niet 1-2-3 aan de fiets als vervoersmiddel. Maar als je je bedenkt dat heel Amsterdam binnen de 25-kilometerstraal ligt, dan kan ook een aanzienlijk aantal mensen op de fiets komen.’ Potentie genoeg dus, maar het ontbreekt aan de juiste voorzieningen. Niemand wil in een bezweet pak op de werkvloer komen, dus heb je op de plek waar je je fiets stalt ook een douche en een kluis voor kleding nodig. Frisse Start is daarom meer dan een fietsenstalling, het is een luxe zeecontainer voorzien van zelfreinigende douches en kluisjes. Met abonnementen van 80 euro per maand (3,80 per dag bij elke dag stallen) is dit concept al rendabel te maken. Het businessmodel staat op de website.

Lees hier meer of kijk de videopresentatie: https://youtu.be/nQPocI8lIKA 

Wat moet de overheid doen aan circulaire economie?

westasDe afgelopen maanden hebben we heel wat discussies gevoerd over de circulaire economie. Opmerkelijk genoeg gaat het dan vooral over de vraag wat anderen – overheid of bedrijfsleven – moeten doen. Maar als we een circulaire economie willen, moeten álle partijen meedoen. Ook de overheid. Daarom onderzocht Robin Wientjes, student Milieukunde, wat het voor de overheid zou betekenen als zij de circulaire gedachte als uitgangspunt zou nemen voor haar ruimtelijke ordening. Ze bracht de Westas in kaart, van bodemlagen tot stromen. Deze analyse mondt uit in een programma van eisen, met zeven uitgangspunten voor een circulaire Westas:

  1. Er mag geen onbenutte warmte meer ontsnappen.
  2. Bestaande gebouwen moeten worden gebruikt voordat wordt uitgebreid met nieuwbouw.
  3. Er mogen geen lege vrachtwagens meer door de Westas rijden.
  4. Huizen mogen geen energie meer kosten, maar moeten energie opleveren.
  5. In de Westas bestaat geen afval meer.
  6. Elke functie in de Westas moet meervoudig zijn.
  7. Grote energie vragende bedrijven zoals Schiphol moeten ook energie opwekken.

Lees hier meer of kijk de videopresentatie: https://youtu.be/nQPocI8lIKA 

Heatmapping als methode voor transformatie

beukenhorstBeukenhorst-West in Hoofddorp is al jaren onderwerp van discussie. Een groot deel van de kantoren staat leeg. En dat terwijl het gebied veel potentie heeft als woonlocatie. Deze transformatie is om verschillende redenen nog niet in gang gezet, zoals versnippering van eigendom en ingewikkelde vastgoedconstructies. Eerdere overleggen met eigenaren over vastgoedtransformatie liepen daarom op niets uit.

Sabine Takken, student Vastgoed en Makelaardij, ontwikkelde om die reden de methode heatmapping. Sabine: ‘Als je de transformatie op gang wilt brengen moet je weten hoe vastgoed denkt. Wat zijn de beweegredenen van eigenaren om over te gaan tot transformatie? Aan de hand van verschillende indicatoren kun je deze bereidheid inschatten. Is hij bijvoorbeeld eigenaar van de grond, of is er sprake van erfpacht? Hoe staat het bedrijf er financieel voor?’ De resultaten legt Sabine vervolgens over andere data heen, zoals leegstandcijfers en kwaliteit van openbare ruimte. Op deze manier ontstaat een hittekaart, op basis waarvan bepaald kan worden waar in het gebied moet worden gestart met het proces.

Lees hier meer of kijk de videopresentatie: https://youtu.be/nQPocI8lIKA 

Herstructureren vanuit de toekomst

herstructureren‘Als je bedrijventerreinen wilt herstructureren, redeneer dan vanuit de toekomst – niet vanuit het nu.’ Het is boodschap van Alex Maat en Anne Luz Pijnenburg, studenten Sociale Geografie en Planologie. Hiermee doelen ze met name op bedrijventerreinen die ooit aan de rand van de stad lagen en na verloop van tijd steeds meer in stedelijk gebied zijn komen te liggen. Alex en Anne Luz maakten een trendanalyse voor Sloterdijk II, welke vervolgens over het gebied heen werd gelegd om de kansen voor herstructurering te ontdekken. ‘We hebben drie trends geanalyseerd die volgens ons de grootste impact hebben op bedrijventerreinen: constante verbondenheid, flexibilisering en bewustwording. Vervolgens hebben we het gebied volledig ontleed per functie, per gebouw en per stroom. Daarna hebben we gekeken naar hoe ieder onderdeel verandert onder invloed van de huidige trends. Bijvoorbeeld: is de voorgevel van een gebouw wel passend als je in de toekomst ook horecafuncties op een terrein gaat toestaan?’ Daar waar mismatches tussen de huidige en toekomstige situatie op het bedrijventerrein het grootste zijn, liggen de kansen voor herstructurering.

Lees hier meer of kijk de videopresentatie: https://youtu.be/nQPocI8lIKA 

‘Maak AEO een beetje sexy’

AEO-certificering kent vele voordelen voor bedrijven die internationale handel drijven met Azië en Amerika. Snellere doorvoer, minder administratieve handelingen en minder controles bij de douane bijvoorbeeld. Als de hele MRA dit douanecertificaat zou doorvoeren, kan dit de toppositie van de regio versterken. Toch zijn er maar weinig bedrijven AEO-gecertificeerd. Waarom?

Studenten van de minor Airport Seaport Logistics van de Hogeschool van Amsterdam zochten het uit. ‘We hebben verschillende bedrijven in de regio gevraagd naar hun motieven om wel of geen certificaat te nemen. Daaruit bleek dat de voordelen van het certificaat niet duidelijk zijn en ook pas op lange termijn zichtbaar worden. Daarnaast is er ook te weinig bekendheid. Het certificaat zou volgens ons meer vermarkt moeten worden, net als bij Lean & Green is gebeurd. Daar hadden ze in het begin te maken met soortgelijke problematiek, en nu rijdt iedere vrachtwagen met zo’n embleem.’ Met andere woorden: AEO moet een beetje sexy worden gemaakt.

Lees hier meer of kijk de videopresentatie: https://youtu.be/nQPocI8lIKA 

Circulaire PET

Plastic Flessen, Flessen, RecyclingPET-plastic kennen we vooral van de frisdrankflessen. Maar het zit in veel meer producten. In tapijt, in kleding en gordijnen bijvoorbeeld. En waar we voor frisdrankflessen een prachtig systeem hebben voor recycling, ontbreekt dat voor alle andere plastics. Laszlo Teunissen, student Climate & Management, onderzocht op welke manier je deze plastics op een rendabele manier kunt terugwinnen. ‘De techniek monomeren brengt de plastics terug naar de oorspronkelijk grondstof: aardolie. Hiermee kan opnieuw plastic worden gemaakt.’ Ook is het volgens hem mogelijk om hier een sluitend businessmodel bij te krijgen. Het zoeken is nu naar partijen die het aandurven om dit in de Westas, dat zich qua locatie en aanwezige bedrijven uitstekend leent als circulaire hotspot, te realiseren.

Het eindverslag volgt binnenkort, kijk hier alvast de videopresentatie: https://youtu.be/nQPocI8lIKA 

Geïnspireerd geraakt? Wilt u zelf aan de slag met een van deze ideeën? We brengen iedereen graag in contact met de studenten. 

 

Zes vragen aan lab Westas

Afgelopen vrijdag kwam het Kennislab voor Urbanisme samen bij SADC op Schiphol, voor de één-na-laatste voortgangspresentatie van Lab Westas. De generale repetitie voor als ze straks écht voor de haaien gaan tijdens de Shark Tank op 25 juni. Dan pitchen ze hun businesscase, welke op dit moment nog volop in ontwikkeling is, aan een jury van investeerders op zoek naar een goed idee. Een impressie van de voortgang in zes vragen aan lab Westas. 

We zijn hier in de Outlook op Schiphol. Waarom is het aantal fietsen dat beneden in de stalling staat op één hand te tellen?

Santini_Westas_FotoSantini: ‘De twee belangrijkste nadelen voor fietspendellaars zijn a) het weer (dat het vandaag wat laat afweten) en b) dat je niet te veel spullen mee moet nemen. Wat er volgens mij moet gebeuren om de doelgroep die hier werkt op de fiets te krijgen is het bieden van de juiste faciliteiten. En dat betekent meer dan alleen een fietsenstalling. Mensen moeten er ook kunnen douchen, zodat ze daarna fris in pak op hun werk kunnen verschijnen. Ik ga proberen om dat hier op Schiphol voor elkaar te krijgen.’

Bekijk hier zijn Pecha Kucha voor het concept Frisse Start: https://www.youtube.com/watch?v=06xNo6XHXJk

Waarom zouden bedrijventerreinen moeten meebewegen met huidige trends en ontwikkelingen? 

Foto Alex MaatAlex: ‘Er zijn heel veel kleinere terreinen aan de rand van de stad die te maken hebben met een veranderende context. Verstedelijking, multifunctioneel gebruik, duurzaamheid en tijdelijke invullingen bijvoorbeeld. Hierdoor verandert ook de potentie van het terrein.’

Bekijk hier de Pecha Kucha van Alex en Anne-Luz waarin zij uitleggen hoe hun trenddocument helpt bij het blootleggen van deze potentie: https://youtu.be/06xNo6XHXJk?t=4m47s

Waarom moet circulaire economie een plek krijgen binnen de ruimtelijke ordening van de Westas?

robinwRobin: ‘Wat ik heb onderzocht is een vervolg op het Westas Manifest dat ik maart werd uitgereikt. Het gebied wil toewerken naar een circulaire economie, en dat heeft ook een hele duidelijke ruimtelijke consequentie.’

Bekijk hier het Programma van Eisen dat Robin opstelt: https://youtu.be/06xNo6XHXJk?t=8m57s

 

Hoe kan het dat in Beukenhorst-West al jaren gepraat wordt over transformatie, maarer nog steeds geen duidelijke afspraken zijn gemaakt?

foto_SabineTakken_kennislabSabine: ‘Klopt, er wordt door meerdere partijen in het gebied gewerkt, maar duidelijkheid is er nog niet. Vastgoedeigenaren vinden dat de gemeente actie moet ondernemen en vice versa. Wat ontbreekt is inzicht in wat de beweegredenen zijn voor vastgoedeigenaren om wel of niet te investeren in vastgoedtransformatie. Die zou helpen om te ontdekken bij welke eigenaren op welke plek je moet zijn om het proces te starten. ‘

Bekijk hier hoe de methode van Sabine helpt om deze beweegredenen inzichtelijk te maken: https://youtu.be/06xNo6XHXJk?t=17m10s

Hoe kan het dat er in de Westas relatief gezien zo weinig bedrijven AEO-gecertificeerd zijn?

mariskaMariska: ‘Dat kan verschillende oorzaken hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld opereren in een nichemarkt waarin de voordelen minder groot zijn. Ook kan het zijn dat ze zo weinig im- of exporteren dat AEO-certifiering geen nut heeft. Maar het grootste probleem dat we hebben ontdekt is de onwetendheid over het certificaat.’

Bekijk hier welke aanbevelingen Mariska en haar mede-studenten hebben om dit op te lossen: https://youtu.be/06xNo6XHXJk?t=24m39s

Wat is er nodig om de PET-keten circulair te maken en dit te laten plaatsvinden in de Westas? 

laszloLaszlo: ‘Geld. Ik heb onderzoek gedaan of het rendabel is om de techniek “monomeren” (hiermee kan 90 procent van alle plastics worden gerecycled) in de Westas toe te passen. Deze techniek is echter zeer prijzig, waardoor de investering pas na 35 jaar zichzelf zal terugverdienen. Wat nodig is, is een flinke subsidie om je als regio op deze manier te profileren.’

Bekijk hier hoe Laszlo tot deze conclusie is gekomen: https://youtu.be/06xNo6XHXJk?t=30m

 

 

Slotevent Amersfoort – vrijdag 26 juni

26 juni – Slotevent Amersfoort

Met de tools PlayVol en Heatmapping brengt het Kennislab voor Urbanisme twee nieuwe methoden om leegstand op te lossen op de markt. De één gericht op wijkwinkelcentra, de ander op bedrijventerreinen. Tijdens een informele werktuinsessie op vrijdag 26 juni presenteren de bedenkers de ins & outs, om er vervolgens met u over in gesprek te gaan. Doet u mee?

Datum: Vrijdag 26 juni 2015
Locatie: Paulus Borstraat 41, 3812 TA Amersfoort
Tijden: 15.00-17.30 uur met aansluitend netwerkborrel
Aanmelden: Stuur een e-mail naar l.vanbeusekom@kennislabvoorurbanisme.nl

onderzoeksdag Borne 7 meiMet presentaties van:

  • Joren, Cihan, Robin & Serdar – PlayVol
    PlayVol is een combinatie van serious gaming, ruimtelijk behoefteonderzoek en economische toetsing om leegstand in wijkwinkelcentra te verminderen. Geen advies, maar daadwerkelijke oplossingen. PlayVol werd getest op buurtwinkelcentrum De Nieuwe Hof in Amersfoort. Een traditioneel centrum, waar onder invloed van huidige ontwikkelingen steeds meer panden leeg zijn komen te staan. Doordat PlayVol de behoefte vanuit de wijk als uitgangspunt neemt, hoeft de oplossing niet per se te liggen in retail, maar kunnen ook zorg, horeca en andere voorzieningen behoren tot de opties.
  • Sabine – Heatmapping
    Zo’n 15 procent van onze kantoren staat leeg. Reken je de verborgen leegstand mee, dan is dit zelfs 30 procent. Transformatie lijkt onoverkomelijk, maar waar en hoe begin je? Het proces loopt vaak traag en stroperig door ingewikkelde vastgoedconstructies en veel verschillende eigenaren die niet direct staan te springen om te investeren. Als je zou weten welke eigenaren wél mee willen werken, ben je een flinke stap verder. Sabine ontwikkelde een tool waarmee dat aan de hand van heatmapping bepaald kan worden, en waarmee je kunt zien waar in het gebied je zou moeten beginnen om het proces op gang te brengen. Ze toetste het aan de hand van Beukenhorst-West in Hoofddorp.

Meld u nu aan en leer van deze nieuwe methodes tegen leegstand!

 

Werktuinsessie 29 mei: Wat leert logistiek van Airbnb en Uber?

De groei van bedrijven als Airbnb en Uber is niet bij te houden. Het zijn exponentiële organisaties, die mede door de slimme systemen erachter in staat zijn om met weinig middelen snel te kunnen groeien. Wat kan de logistieke sector leren van deze succesfactoren? Kunnen we de deeleconomie doorvertalen naar deze sector?

uberlogistiekDaar denken we samen met u over na op vrijdag 29 mei 2015 tijdens een Werktuinsessie in ons lab op Schiphol. Een alternatieve vorm, in plaats van het maandelijkse kenniscafé. Hierbij geen gastspreker, want de denktank zijn we zelf. We gaan onze eigen kennis delen, netwerken maken en oplossingen vinden rondom dit actuele thema. Doe mee!

Datum: vrijdag 29 mei, 16:00 uur ‐ 18:00 uur
Locatie: Amsterdam, bij de vestiging van ons lab op Schiphol
Kosten: gratis, maar maximaal plaats voor 10 externe gasten

Geef u nu op en doe mee!

Ja ik doe mee aan de werktuin ‘Uber meets logistiek’:

Aanmelden is niet meer mogelijk.

Wat willen die hipsters nou met de stad?

Een paar weken geleden was ik voor een stedentripje in Londen. Ik liep met mijn puberdochter door de hipsterwijk Shoreditch en we kwamen tot de conclusie (nou ja, vooral zij dus) dat het leek of we door Tumblr liepen. En zo was het.

Voor de mensen die niet op elk social medium zitten, geen puberdochters hebben of gewoon niet alles volgen: Tumblr is een blogmedium waar een wereld vol mooie beelden, gedichtjes en spreuken is gecreëerd. Een soort poesiealbum in het heel groot en voor grote mensen. Tumblr gaat natuurlijk ook over liken en delen, maar vooral over geliked worden.

De vergelijking tussen Tumblr en Shoreditch is dan ook niet zo raar. Shoreditch is immers de hipsterwijk van het London van nu. London heeft elk decennium minstens één wijk waar het heel erg gebeurt. Ooit was Nothing Hill bijvoorbeeld zo’n plek en nu is het Shoreditch. In Shoreditch de hipsters, maar zit ook de Silicon Roundabout, het Londense filiaal van Silicon Valley.

kapper voor hipstersNu snap ik van die Silicon-jongens en -meisjes redelijk wat ze willen: de wereld verbeteren! Het zijn vaak nerds met idealen. Wat je ook van Google en Facebook vindt (en eerder van Steve Jobs) ik geloof oprecht dat zij wilden dat de wereld er anders uit ging zien. En Steve Jobs is daar ook aardig in geslaagd.

Dat deel van Shoreditch snap ik dus. Ik snap ook van de nerds er van verwachten. Maar wat de hipsters met de stad willen, begrijp ik niet. Wie in hipsterwijken als Shoreditch of Williamsburg (NYC) rondloopt, loopt in een gesloten gemeenschap. De hipsterwijk in Williamsburg grenst aan de Joodse wijk van de stad. Op het eerste gezicht is dat een wereld van verschil, maar in beide gevallen gaat het sterke monoculturen. Waarin de Joodse wijk de keppeltjes, letters in Ivriet en mannen met baarden het straatbeeld inkleuren, bepalen in de hipsterwijk de mutsjes, graffiti en mannen met baarden het straatbeeld.

Maar het verschil is, dat in de Joodse wijk een gemeenschap is gebouwd die bedoeld is om te blijven. Daar hoor ik dan wel niet thuis, ik zie wel dat hij functioneert. De hipsterwijken zijn bizar vluchtig en vooral niet bedoeld om te blijven. De graffiti, posters, wonderlijke bouwwerken, vintage winkels, koffiebarretjes, tijdelijke-werplek-concepten en platenwinkels (vinyl natuurlijk) stralen een unieke vluchtigheid uit. Dat kan je natuurlijk ook tijdelijkheid of flexibiliteit vinden, en dat is het ook wel, maar dan klinkt het zo positief. En ik vraag me af of het dat is.

niet iedereen houdt van hipstersHebben hipsters (net zoals de hippies of de punkers) idealen? Ik kan ze namelijk niet ontdekken. Hipsters lijken vooral heel veel met zich zelf bezig te zijn. Met hun eigen unieke ik die je vooral niet mag kopiëren of zelfs maar waarderen. Noem een hipster geen hipster, want dat is hij of zij niet. Het lijkt mij dodelijk vermoeiend en ook knap zinloos.

De vraag is wat deze poesiewijken met de stad doen. Worden ze, als de pioniers zijn weggetrokken (en dat is bij hipsters erg snel) overgenomen door de vastgoedwereld en doorontwikkeld tot de high-end delen van de stad? Zoals bijvoorbeeld in Shoreditch gebeurt? Of vervagen de grafity’s en worden de poesieplaatjes vaal? Ik hoop het eerste en vrees het laatste. Hoewel, de laatste optie is natuurlijk ook wel mooi. Want wat ik ook vind van de egocentrische levensstijl van hipsters, wat ze creëren vind ik prachtig. En het verval daarvan is misschien nog wel spannender.

Wat hebben pop-up stores en games met elkaar gemeen?

Blog van Kennislaborant Robin de Krijger, student Nieuwe Media en Digitale Cultuur aan de Universiteit Utrecht. Hij loopt stage bij Lab Wonen & Zorg, waar momenteel wordt nagedacht over een oplossing voor leegstand in buurtcentrum Nieuwland.

Het fenomeen ‘pop-up’ is geen speeltje, maar heeft wel speelse kwaliteiten

Als gamer en gameonderzoeker ben ik gewend om in geheel nieuwe werelden te stappen. Van post-apocalyptische werelden in Fallout tot mijn eigen utopische wereld in Sim City. Op donderdag 26 maart stap ik in een voor mij geheel nieuwe magische wereld. Dit keer geen game, maar een event. Ik ga naar het nationaal kennisevent Pop-up Now te gaan. Hier zal ik mijn kennis verbreden over pop-up winkels.

Een pop-up winkel is in het kort een tijdelijke winkel, die plotseling in het straatbeeld verschijnt. Vaak verschijnen deze winkels in een bestaand gebouw, dat leeg staat. Echter wil ik niet alleen veel leren, ook wil ik een vermoeden toetsen. Ik denk namelijk dat de werelden van games en de pop-up retail wel eens dichter bij elkaar zouden kunnen liggen dan je zou denken. Als we namelijk de kwaliteiten en eigenschappen van beiden vergelijken, dan zie je dat games en pop-up winkels allebei speelse kwaliteiten bezitten.

Beiden hebben namelijk de verleidings- en verkoopkracht van tijdelijkheid in zich met hierbij de mogelijkheid om te experimenteren. Ze zien daarbij onzekerheid als een kwaliteit, in plaats van een gevaar.

Een game wereld of spel is altijd een tijdelijke staat, met zijn eigen regels, waar men in en uit kan stappen. Dit geeft de speler de mogelijkheid om te experimenteren. Het spel kan immers opnieuw worden begonnen, mocht de speler game over gaan of het anders willen aanpakken. Daarnaast weet je vaak nooit helemaal, hoe een game gaat uitpakken en zorgt deze onzekerheid voor een spanning, die het leuk maakt games te spelen.

The_Beatles_Double_Decker_Pop-up_BusDezelfde kwaliteiten gelden naar mijn mening voor pop-up winkels. Door tijdelijkheid van de contracten van de pop-up winkel is er meer ruimte om te experimenteren. Mocht een concept niet werken zitten retailers niet vast aan langdurige contracten en kan een andere ‘speler’ het opnieuw proberen. Voor de consument is de nieuwigheid en onzekerheid, die een pop-up winkel met zich meebrengt, een extra trigger om de winkel te gaan ontdekken.Beiden hebben hiermee een fun factor en zijn ervaringsgericht, iets wat mensen graag willen (de Lassus & Freire, 2014).

Rupert Parker Brady van Retailwatching.nl ziet, dat de gevestigde orde ook de trend van pop-up winkels om deze reden omarmt. Het is volgens hem een direct gevolg van de behoefte om te experimenteren in reactie op veranderend winkelgedrag. Het fenomeen pop-up is hiermee geen speeltje, maar een serieuze business-propositie voor kleine en grote partijen, die actief zijn in de dienstverlening, consumer brands, media, retail en technologie (Brady, 2014). Ik denk echter wel dat pop-up stores alleen succesvol kunnen blijven als ze hun speelse kwaliteiten blijven omarmen, omdat dit de pop-up store leuk maakt.

Een andere reden waarom ik benieuwd ben naar het event is, omdat de wereld van de pop-up retail mij en Kennislab misschien wel wat te bieden heeft voor het probleem, waar wij mee bezig zijn. Namelijk winkelcentrum ‘de Nieuwe Hof’ in de wijk Nieuwland in Amersfoort. In dit winkelcentrum staan een relatief groot aantal winkels leeg, wat vervelende consequenties heeft.  Onder andere omzetdalingen voor de winkeliers en een verminderd aanbod van winkels dan voorheen.

Zou het mogelijk zijn om hier pop-up winkel te starten? Dat zal vanmiddag tijdens het kenniscafé met Joost Nicasie nog wel ter sprake komen. Reageren mag ook door hieronder een bericht met je mening te plaatsen. Of een pop-up winkel tot de mogelijke oplossing behoort lees je in een volgende blogpost.

popupHet kennisevent voor pop-upretail vindt plaats in het toekomstige ‘Forum Rotterdam’ in het Rijksmonument Coolsingel 119 in Rotterdam op donderdag 26 Maart 2015, van 9:00 tot 17:30 met aansluitend een borrel. Voor meer informatie kijk op: http://www.startpopupnow.nl/.

Bronnen

Brady, R. P. (2014). De doorbraak van 2015: Pop-up retail.http://www.retailwatching.nl/formules/artikel/wTV0YBBaSWWpuL9AUK1U1w-0/de-doorbraak-van-2015-pop-up-retail-.html

Lassus, C. de, & Freire, N. A. (2014). Access to the luxury brand myth in pop-up stores: A netnographic and semiotic analysis. Journal of Retailing and Consumer Services, 21(1), 61-68.

 

Lees hier Robin’s vorige blog over de sociale, smart city.

Wie niet innoveert gaat failliet

Toen de eerste vliegtuigen ruim een eeuw geleden door de lucht scheerden, maakten de reders zich naar verluidt totaal geen zorgen. Scheepvaart was immers het summum van moderne techniek. Schepen waren onverwoestbaar veilig, comfortabel en snel. Wie zou er nou zijn leven wagen door zich naar de andere kant van de wereld te laten vliegen. De rest is geschiedenis. De logistieke sector zag destijds de concurrentie letterlijk over zich heen vliegen, maar herkende de bedreiging niet. Een hele branche ging zo bijna failliet door kortzichtigheid.

De logistieke sector (net als veel andere markten) heeft vaker last van kortzichtgheid. Zo wordt op dit moment 3D-printen gezien als een bedreiging. Maar je kunt 3D ook als kans zien. Een aantal studenten in ons Kennislab voor Urbanisme in de Westas dacht na over de impact van 3D-printen op de logistiek. We bedachten met elkaar dat 3D-printen niet alleen gaat over het printen op zich, maar ook over het traject daarvoor: het vervoeren van een te printen bestand tussen de ene en de andere locatie. De glasvezel is in wezen het snelste transportmiddel dat er bestaat en de printer is daarmee geen ‘fabriekje’, maar vooral een haven. Een bestand wordt verzonden vanuit een locatie in bijvoorbeeld Amerika en is praktisch op hetzelfde moment bij de printer in Amsterdam. Dat maakt 3D-printen tot de snelste manier van transport die we op dit moment kennen. Als je à la minute een product van de ene naar de andere kant van de wereld wilt vervoeren, dan is vliegen traag. Bovendien moeten de producten die via 3D worden verstuurd ook nog worden geprint en vervoerd naar de eindgebruiker. Allemaal potentiële business.
titanic en innovatie
De essentie van logistiek
3D-printen is een prachtig idee. Maar er zijn nog tal van praktische bezwaren die opvallend vergelijkbaar zijn met de bezwaren waarmee luchtvaartpioniers werden geconfronteerd. Zo is de veiligheid nog niet gegarandeerd, is er wet- en regelgeving nodig die dit mogelijk maakt, is de 3D-techniek volop in ontwikkeling (wat investeerders afschrikt) en moet de markt wennen aan het nieuwe kanaal. Het is allemaal waar. Maar wat ook waar is, is dat dit een antwoord is op de kernvraag van logistiek. Logistiek gaat niet over schepen, vliegtuigen, pijpleidingen of vrachtwagens, maar over het van A naar B vervoeren van iets. En dat iets is de ene keer een melkmachine en in het geval van 3D het ontwerp voor bijvoorbeeld onderdelen.

De essentie van innovatie
Innovatie gaat over het beantwoorden van de kernvraag in je markt. Telkens weer, dag na dag. Waarom doe ik wat ik doe en is de manier waarop ik dat doe nog wel logisch? Waar draait logistiek ook alweer om? Daarbij moet je (en dit heb ik geleerd van de innovators bij Google) alles tien keer beter willen doen, in plaats van 10 procent beter. Tien procent beter zijn schepen die méér containers kunnen vervoeren tot ze op een dag wakker worden en zien dat er geen havens meer zijn waar ze terecht kunnen. Tien keer beter zijn containers die zelfstandig van deur tot deur rijden, varen en vliegen. Klinkt onmogelijk? Zolang er geen natuurkundige wet wordt overtreden, kan alles (ook geleerd van Google).

Bijeenkomst over innovatie
Veel bedrijven focussen alleen op wat ze doen en willen dat steeds beter doen. Zoals een voetballer alleen werkt aan zijn traptechniek. Belangrijk, maar wat heb je eraan zonder spelinzicht? Er komt immers een moment dat een ander net een beetje sneller en krachtiger is. Dan win je het alleen nog met je verstand. Of je wordt trainer. Of je introduceert een nieuwe sport. Een bedrijf dat niet innoveert, gebruikt alleen zijn ledematen en niet zijn hersenen. Dat bedrijf is gedoemd om failliet te gaan. Hoe dit te voorkomen en innovatie te stimuleren staat centraal tijdens de conferentie ‘Logistiek als innovatiemotor voor de MRA’ op 24 maart, waar ook het Kennislab voor Urbanisme aanwezig is.

Een urban business generator

Nieuwe ideeën, nieuwe business, nieuwe netwerken. Dat is in zes woorden waarom het Kennislab voor Urbanisme bestaat. En inmiddels leverde dat zes start-ups op, die met hun idee de stad nu, en in de toekomst een nog betere plek maken. De nieuwe generatie stadsmakers noemen wij ze. Zij die niet afwachten tot de gemeente met een goed plan komt, maar zelf actie ondernemen door vanaf de zijlijn nieuwe coalities te smeden. Met hulp van een sterk netwerk van partners natuurlijk.

Als Kennislab zijn wij trots op deze start-ups die besloten hebben om de ideeën uit het lab door te ontwikkelen tot een echt product. Een aantal van hen is momenteel bezig met het opzetten van de eerste pilots, anderen praten momenteel met serieuze investeerders. Met andere woorden: het Kennislab kan zichzelf nu echt een urban business generator noemen.

Start-ups van oud-Kennislaboranten

Maarten Duijts & Matthijs Baardewijk

koppelhuisHet Koppelhuis verbindt mensen op lokaal niveau die iets voor elkaar kunnen betekenen. Dat begint bij een praktische reden: er moet een directe aanleiding zijn om iemand te leren kennen. Voor een kleine contributiebijdrage per maand word je lid van de community het Koppelhuis. Binnen deze verenigde groep buurtgenoten is de norm: “wat kun je voor elkaar betekenen?”. Het Koppelhuis is gesitueerd op een fysieke plek waar leden elkaar ontmoeten tijdens activiteiten. Naast een community is het Koppelhuis dus een methodiek om buurthuizen gezond te exploiteren. Lees verder op deze pagina, of kijk op www.koppelhuis.nl

Korné Boekholt & Jules Pollaert

irisIRIS is een mediaplatform waarop wijkbewoners, verenigingen en instanties elkaar ontmoeten, van elkaar leren, wensen met elkaar delen en elkaar helpen. IRIS is niet bang voor de moderne communicatiemiddelen, maar wil ze juist omarmen en inzetten zodat ze een bijdrage leveren aan de maatschappij en participatie bevorderen. De wijkbewoners bouwen hun eigen platform, door zelf aan te geven welke functionaliteiten voor hen van belang zijn. Dit maakt het draagvlak groter en versterkt de lokale identiteit. Samen wordt het perfecte buurtplatform gerealiseerd. Aan het begin van 2015 wordt met een pilotversie gestart in Nieuwland, Amersfoort. www.irisinamersfoort.nl

Joost Hermans & Koen Brundel

zorgtogoZorgtoGo is een slim matchingplatform bedacht door Joost en Koen, om zorg voor hulpbehoevenden op een alternatieve manier te organiseren. Uitgangspunt: wederkerigheid. Kinderen van hulpbehoevende ouders willen graag dat zij goed verzorgd worden. Maar door geografische afstand en comfort zones kan dat belemmerd worden. Het platform zoekt naar een match op lokaal niveau. Als ik me inschrijf, word ik gekoppeld aan een persoon die bij mijn bejaarde moeder in de buurt woont, en de ouders van een ander ZorgtoGo-lid wonen bij mij in de buurt. We houden bij elkaars ouders een oogje in het zeil. ZorgtoGo is momenteel in gesprek met investeerders die interesse hebben in het platform. www.zorgtogo.nl

Jules Pollaert & Korné Boekholt

woondrWoond’r is een adviesbureau met de missie: het voor zo veel mogelijk mensen gemakkelijk maken om weer eigenaar te worden van zijn/haar eigen leefomgeving. Initiatiefnemers Jules en Korné zoeken naar creatieve oplossingen die antwoord geven op problemen die zich voor doen in een samenleving die constant onderhevig is aan snelle verandering. De focus ligt op praktische beantwoording van theoretische vraagstellingen, waarbij nieuwe concepten, strategieën en methoden op een eigen manier worden geïnterpreteerd. www.woondr.nl

Mark Noordzij

cartographyThe Cartography Factory is een jong bedrijf opgericht door oud-kennislaborant Mark Noordzij, op het vlak van geo-analyse en cartografie. Mensen en bedrijven zijn datamachines geworden die constant data genereren over hun locatie, hun interesses en hun koopgedrag. Deze explosie aan datageneratie en dataverzameling wordt ook wel de opkomst van Big Data genoemd. In de afgelopen jaren is er een nieuwe industrie ontstaan rondom het managen, verwerken en consumeren van deze Big Data. Een interessante en broodnodige ontwikkeling, maar de echte vraag blijft hoe we die enorme hoeveelheden data in kunnen zetten om zinvolle inzichten te verwerven. The Cartography Factory gelooft dat een geoperspectief hierbij van waarde kan zijn en richt zich daarom op het verwerken, analyseren en visualiseren data om zo tot nieuwe inzichten te komen die besluitvormingsprocessen kunnen ondersteunen. www.cartographyfactory.nl

Abel Malschaert

logobloxBuurtBloX is een sociale onderneming gericht op het creëren van sterke en vitale buurten. Buurtblox stimuleert daarbij het sociale en het economische domein van buurten, omdat beide aspecten in een buurt goed moeten functioneren wil er een zelfredzame community ontstaan. Buurtblox is een game, die door middel van spelelementen buurtbewoners aanzet tot gewenst gedrag, terwijl die buurtbewoners zelf kans maken op kortingsacties van lokale ondernemers. Zo wordt het eerste contact tussen buurtgenoten gestimuleerd en worden mensen aangespoord om voor elkaar de handen uit de mouwen te steken. www.buurtblox.nl

 

Bottom-up heeft ook verdienmodel nodig

Het is u misschien niet opgevallen, maar toen u op 1 januari wakker werd, was de Vinex afgerond. 2015 is immers de stip op de horizon waar in de Vierde Nota en de Vierde Nota Extra naar toe werd gewerkt. ‘Op weg naar 2015’, stond er op omslag van het boekwerkje. Opvallend genoeg blijkt 2015 ook een eindstation te zijn van de traditie van grote plannen. Een spectboxparkaculair einde: vinex is een synoniem geworden voor de jaren ’90 en de vinexwijk is het voorlopig laatste staaltje blauwdrukplanologie van Nederland. De nieuwe opgave is veel minder grootschalig en meer gericht op vervanging en verbetering van de bestaande voorraad.

Deze column is ook verschenen in Cobouw.

De manier waarop die nieuwe opgave vorm krijgt, lijkt niet op de manier waarop begin jaren ’90 werd gewerkt. De top-down-nota’s van het Ministerie van VROM zijn vervangen door een overheid die het aan burgers zelf over wil laten. En dan wordt het lastig. Want hoe organiseer je van boven af dat er van onderop iets wordt gedaan? Het is een wonderlijke tegenstelling waarbij de overheid sterk naar de burger kijkt. Bottom-up staat voor de overheid (en veel ruimtevolk daarom heen) gelijk aan burgerinitiatieven waarbij de bewoner echt centraal staat. De particulier moet het initiatief en vooral de ruimte krijgen, zonder al teveel van overheidswege opgelegde beperkingen. Zelf meedenken, investeren en bouwen zou leiden tot een cumulatie van kleine initiatieven, al dan niet samen met anderen.

Overal in het land zijn voorbeelden te vinden waar burgers met hart en ziel proberen hun eigen omgeving mooier en beter te maken. Dat doen die burgers vaak voor niets. Uit idealisme. Soms in combinatie met een welbegrepen eigenbelang. Met andere woorden, burgers dienen met het project een middellange en lange-lange-termijnbelang. Maar heel zelden wordt ook een korte-termijn-belang gediend. En juist dat is de dood in pot voor veel van die projecten. Want korte-termijn-belang staat gelijk aan geld verdienen. Met andere woorden, als het heel sec bekijkt, zijn deze projecten een hobby voor de initiatiefnemers. Dat is niet onaardig bedoeld, ik weet uit eigen ervaring hoe veel bloed, zweet en tranen het kost om iets nieuws op te zetten. En dat dat alleen lukt als je er volledig voor gaat, als je werk je hobby wordt. Maar voor een blijvend succes is meer nodig. Want uit de praktijk blijkt dat veel bottom-up-projecten sterven in schoonheid. omdat de initiatiefnemers op ten duur hun interesse verliezen. Een andere hobby vinden. Of voor hun zieke moeder moeten zorgen. Dat voorkom je als die hobby ondertussen is omgezet in werk, als er een solide verdienmodel onder zit.

Dat is niet gemakkelijk, weet ik uit het Kennislab voor Urbanisme, waar we van onze studenten verwachten dat ze in vijf maanden én een vernieuwend idee bedenken én het opleveren met een begroting. Dat lukt lang niet altijd. Maar in de gevallen dat het wel lukt, leidt het tot start-ups en blijvend gemotiveerde jonge ondernemers.

Zo is het Koppelhuis ontstaan, een initiatief waarin de behoefte van ouderen om nuttig te zijn wordt gekoppeld aan de andere behoeften in de wijk. Het verdienmodel is geïnspireerd op dat van de studentensociëteit. Of ZorgToGo waarin het zorgen voor zorgbehoeftige ouders wordt georganiseerd via de principes van datingsites.

Dat het niet gemakkelijk is, is niet erg. Ons werk in het lab hoeft ook niet gemakkelijk te zijn. Wij denken dat Nederland gebaat is bij meer ondernemers en daarom zetten we ons daarvoor in. En dat doen we in een cultuur waarin ondernemerschap niet vanzelfsprekend is. Dat zie je aan het feit dat er in Nederland opvallend weinig durfkapitaal wordt geïnvesteerd. Je merkt het aan banken die bang zijn voor risico. Je ziet het in het Nederlandse hbo en wo, waar studenten niet leren te werken met verdienmodellen en er geen aandacht wordt besteed aan iets simpels als het maken van een begroting. Haalbaarheid is niet relevant.

Je ziet het ook aan een overheid die ondernemerschap niet helemaal begrijpt. Die het vanzelfsprekend vindt dat burgers gratis en voor niets lastige stukken stad oppept. Dat is vreemd, want aan de realisatie van de grote vinex-opgave is door veel partijen veel verdiend. Waarom moet het dan nu gratis? Maar als gemeentes niet begrijpen dat het om people, planet én profit gaat bij bottomup-gebiedsontwikkeling, als ze niet inzien dat een gezond project ook een gezonde begroting moet hebben, dan kunnen ze zich er beter helemaal niet mee bemoeien. Het onbegrip van de overheden op dit punt vertraagt de transitie. Als ondernemen en geld verdienen een vies woord blijft, verandert er nooit iets. En dat mag, maar blijf het dan lekker top-down doen.

Lees ook de column die in de papieren versie van Cobouw is verschenen.

 

Circulaire economie als leidraad voor ruimtelijk beleid Westas

Circulaire Economie als uitgangspunt voor Ruimtelijke Ordening, hoe werkt dat?

Binnenkort wordt het Manifest ‘WESTAS daar draait het om’ afgerond. Een eerste stap in het aanjagen van de circulaire economie voor de ontwikkeling van de Westas. Initiatiefnemers: de Haven van Amsterdam, Greenport Aalsmeer en Schiphol/SADC. We vroegen Bert Krikke of en hoe deze Circulaire Economie een plek moet en kan krijgen in het (ruimtelijk) beleid van de regio. Op 19 februari deed hij zijn verhaal tijdens het kenniscafé Westas.

https://leefbarestad.files.wordpress.com/2015/02/a.jpgCirculaire economie is niet nieuw

Al in 1977 gaat de Europese Gemeenschap in haar 2e Milieu Actie Programma (MAP) in op een strategie die erop is gericht om producten op een zodanige wijze te ontwerpen dat verspilling wordt vermeden en terugwinnen wordt vergemakkelijkt. Verder is de strategie er op gericht om de duurzaamheid van producten te verlengen, niet vernieuwbare grondstoffen te vervangen en materialen in alle stadia van fabricage en gebruik doeltreffend te benutten. Hiermee werd 38 jaar geleden glashelder neergezet wat er moet gebeuren om tot een Circulaire Economie te komen. Ook nu haalt het begrip Circulaire Economie regelmatig het nieuws. Is er in de tussentijd dan niets gebeurd?

Bert Krikke nam ons mee in een verhaal over circulaire economie door de jaren heen als uitgangspunt voor RO. Wie is in de lead, overheid of private sector? Of beide? En is het wel een must dat circulaire economie in ruimtelijk beleid leidend is? Lees het hele verhaal op https://leefbarestad.wordpress.com/2015/02/20/circulaire-economie-in-ruimtelijk-beleid-westas/ of bekijk de video op http://youtu.be/VngNgg8MvBs.

Haaien zoeken prooi – start-ups gezocht

Na de succesvolle Shark Tank Sessie (waarbij één van de start-ups 50.000 euro ophaalde) organiseert het Kennislab voor Urbanisme in maart 2 SharkTank-sessies. En daarvoor zoeken we start-ups die in contact willen komen met (durf)investeerders.
stadruimte

19 maart – Stadsmakers
De eerste SharkTank-sessie organiseren we op 19 maart met als thema ‘nieuwe stadsmakers’. Ben jij een start-up en ligt je focus op stedelijke vernieuwing? Heb jij een briljant idee om steden beter te maken en zoek je kapitaal om te kunnen beginnen? Meld je dan aan.
Waar: Zaandam (Hembrugterrein) tijdens de vakdagen Stad en Ruimte (www.stadenruimte.nl)
Thema: Nieuwe stadsmakers

logistiek24 maart – Smart Logistics
Op 24 maart organiseren we een Shark Tank over smart logistics. Slimme oplossingen die een positieve bijdrage leveren aan het functioneren van de logistiek in de MRA. Wij zijn ook benieuwd wat dat precies is. In ieder geval gaat het verder dan de logistieke sector gewend is. We doen dit event aansluitend aan de Conferentie Logistiek in Pakhuis De Zwijger (www.conferentielogistiek.nl). We werken bij deze sessie samen met Dinalog en het Havenbedrijf Amsterdam.
Waar: Pakhuis de Zwijger, Amsterdam
Thema: Smart Logistics

Hoe werkt het?

  1. Je meldt je aan door kort te beschrijven wie je bent en wat je gaat pitchen (en tijdens welke van de 2 sessies). Graag krijgen we een goed beeld van je pitch, dat mag in tekst maar ook in film of anders. Mail dit naar Lisette l.vanbeusekom@kennislabvoorurbanisme.nl. De meest interessante inzendingen selecteren (en nodigen) we uit.
  2. Desgewenst helpen we je om je pitch te verbeteren.
  3. Tijdens de sessie geef je een pitch aan de sharks (zie onder).
  4. Die pitch duurt ongeveer 5 minuten en daarna komen er vragen van de sharks. En wellicht de toezegging dat ze willen investeren.
  5. Dit alles wordt gadegeslagen door een geïnteresseerd publiek.
  6. Na afloop is er een discussie (met hap en drank) om elkaar als pitchende partijen én sharks beter te leren kennen (en zo een nog beter bedrijf te worden).

Wie zijn de sharks
We zijn momenteel druk bezig met het vinden van Sharks. We hebben nu toezegging van:
>> Ard Jol – Brooklyn Ventures (beide data)
>> Rabobank Schiphol, namen volgen (beide data)
>> Perry Oostdam – Rhodan Ventures (beide data)

We hopen hier snel meer namen aan te kunnen toevoegen.

Het Unperfekthaus als maatschappelijk model

Het mooie aan het Unperfekthaus in Essen is niet de sprookjeswereld die Reinhard Wieseman hier heeft gecreëerd, maar de filosofie en het businessmodel dat erachter zit. Wieseman streeft naar imperfectie, omdat imperfectie aanzet tot verbetering. En creatieven slaan daarop aan. Die worden geactiveerd door een uperfekte omgeving. Daarin staat Wieseman met zijn Unperfekthaus niet alleen. Ook bij Google wordt bewust een bepaalde mate van chaos gecreëerd: in de gebouwen, maar ook in de organisatie. En met succes: het streven naar unperfektie is een van de sleutels van het huidige succes van Google, het levert het bedrijf miljoenen op. Dat doet Google vrij nauwkeurig door bijvoorbeeld vast te stellen hoeveel procent van de tijd mag worden besteed projecten die niets met de core business te maken hebben.

Dat unperfektie ook in de stedebouw kan werken, bewijst Katendrecht in Rotterdam. De herontwikkeling van de Kaap is gepland vanuit imperfectie. Heel bewust en voorzichtig wordt hier creativiteit gekweekt en daaruit ontstaan nieuwe businesskansen. In Amsterdam Noord (rond Overhoeks) gebeurt iets vergelijkbaars en ook in kleinere steden (bijvoorbeeld in Amersfoort rond de Prodentfabriek) wordt hiermee geëxperimenteerd.

Het zijn de uitzonderingen. Want tegelijkertijd zie je in het eerder genoemde Rotterdam verder vooral hele perfecte projecten zoals het Centraal Station en De Rotterdam op de Kop van Zuid. Zelfs de Markthal is, hoe mooi ook, niet echt spannend. Het is een keurig ingedeeld gebouw waar je weinig verrassing verwacht.
Dat geldt voor het gros van onze stedebouw. Het is ‘af’ gepland en wordt ‘af’ opgeleverd. Er is geen ruimte voor verdere ontwikkeling. De kritiek op de vinexwijken gaat over de eenduidigheid, maar dat is niet terecht. Het is zo divers als het maar zijn kan, maar wel heel erg ‘af’. Het is leven uit een folder met geen ruimte voor ontwikkeling.

Moet alles dan een imperfect rommeltje zijn? Natuurlijk niet. In Katendrecht, op Overhoeks en in Essen is unperfektie geen doel, maar een middel om te komen tot economische ontwikkeling door zelfontplooiing van de gebruikers. Het gaat om de business. Bij Google hebben ze ontdekt dat ze meer uit hun personeel halen als de omstandigheden een beetje chaotisch zijn. En dus creëren ze chaos.

Nederlandse gemeenten willen dit ook. De terugtrekkende overheid werkt immers alleen in een actieve gemeenschap van burgers en ondernemers die het heft in eigen hand nemen. Maar dan moeten we wel de omstandigheden scheppen waarin dat normaal is. En accepteren dat er oplossingen worden bedacht (en uitgevoerd) die afwijken van wat ze gewend zijn. In een omgeving waarin alles van wieg tot graf is geregeld, vergt dat nog behoorlijk wat aanpassingsvermogen. Op naar de unperfekte wereld.

Misverstanden terugtrekkende overheid gaan over tijd

De terugtrekkende overheid dwingt ons ook tot nieuwe normen en waarden. Wat is nog normaal? Wat mag en wat mag niet? Dat leidt tot interessante discussies. Die gaan opvallend vaak over tijd. Een paar discussies op een rij.

1 – de burger vult de gaten van de overheid wel/niet in
De terugtrekkende overheid zet alles op alles om via burgerinitiatieven de gaten te vullen die ze zelf achterlaat in de maatschappij. We regelen top-down wat bottom-up geregeld moet worden. Maar of die burgers daar net zoveel belang aan hechten als de overheid zelf, wordt niet onderzocht. Het is dus wachten op de gaten die de terugtrekkende verzorgingsstaat achter laat en hoe we die invullen.
terugtrekkende_overheid
2 – innoveren mag wel/niet mislukken

De terugtrekkende overheid is een spannend project. De overheid innoveert hiermee enorm en gaat terug naar zijn eigen bestaansrecht. Veel bedrijven doen dat niet (en gaan uiteindelijk failliet). De bedrijven die het wel doen, worden geprezen om hun moed en flexibiliteit. En als het fout gaat, hebben we het in ieder geval geprobeerd.
Maar nu de overheid innoveert (in bijvoorbeeld de zorg) mag er niets mis gaan. Dat is, hoe dramatisch de gevolgen ook zijn, onmogelijk. Ook een innoverende overheid maakt fouten.

3 – aan goede daden mag je geen/wel geld verdienen
Het lijkt er soms op dat ambtenaren neerkijken op mensen die geld verdienen door iets goeds te doen. Het is de afkeer die je hoort als het gaat over commerciële activiteiten in onderwijs, zorg of rond de Jumbo-kerstactie. Dat deed Jumbo volgens hen alleen om er zelf beter van te worden. Blijkbaar is het goed dat we de salarisstrookjes van overheidsdienaren betalen om problemen op te lossen, maar slecht dat we de salarisstrookjes van Jumbo-medewerkers betalen om hetzelfde te doen.

4 – onrendabele uren bestaan wel/niet
Veel burgerinitiatieven worden gedaan in vrije tijd of (als ze door ondernemers worden gestart) in niet te declareren tijd. De kunst voor de initiatiefnemers is (ook als ze het in hun vrije tijd doen) om tijd zo efficiënt mogelijk te gebruiken.
Dat staat haaks op een overheidscultuur waar tijd anders wordt beleefd. Door meer tijd in een project te stoppen, kun je meer risico’s afdekken of een hogere kwaliteit leveren. Of dat nodig is, hoeft niet te worden onderzocht. Het is altijd nodig. Onrendabele uren bestaan niet bij de overheid.

5 – falen moet je wel/niet afdekken

‘Controle is goed, vertrouwen is beter.’ Maar vertrouwen betekent ook dat je accepteert dat niet alles goed gaat. En dat je dat falen als het ware hebt ingeboekt. Voor bedrijven is dit falen niet zo’n probleem, maar voor overheden wel. Die worden hard afgerekend op elke fout. En bouwen dus een controlesysteem in, dat veel meer tijd en geld kost dan de fouten.

6 – de korte termijn is wel/niet belangrijk
Eigenlijk gaat is er maar één groot verschil. En dat is het verschil in het beleving van tijd. Bij zo ongeveer elke afweging let je op drie belangen: die op korte, middellange en lange termijn. Voor veel overheden zijn de lange en de middellange termijn het belangrijkst. Lange termijn gaat vaak over grote idealen (als het redden van de wereld) middellange termijnbelangen gaan over het verder brengen van de eigen organisatie en de korte termijn belangen gaan over het brood op de plank. Overheden zijn bedacht voor de middellange- en lange-termijn-belangen. En hebben hun businessmodel en afwegingenkader daar ook op ingericht. Het zwaartepunt ligt daar dan ook. Bij veel bedrijven is het precies andersom. Natuurlijk denken die na over later, maar later komt nooit als er vandaag geen brood op de plank komt. Met namen in het MKB – en versterkt door de crisis – is het korte-termijn-belang leidend voor veel beslissingen. Burgerinitiatieven zitten er tussen in. Ze denken als een overheid, maar missen soms de middelen om dit te kunnen volhouden, met andere woorden: je kan je pas echt fijn op de lange termijn richten als je geen zorgen hebt over het brood op de plank op korte termijn.
Nu taken van overheid naar bedrijfsleven gaan, worden ze opeens anders beoordeeld. Plannen die ons op lange termijn verder helpen, blijken op korte termijn onrendabel. Vermorzeld in de tijdmachine.

Kenniscafé: zo vertaalt circulaire economie zich in ruimte

De circulaire economie als ruimtelijk principe

Kun je de ‘circulaire economie’ als uitgangspunt nemen voor de ruimtelijke ordening van de logistieke Westas? En zo ja, wat betekent dat dan? Dat gaan wij onder leiding van Bert Krikke verkennen op donderdag 19 februari tijdens een Kenniscafé van ons Kennislab op Schiphol.

https://media.licdn.com/mpr/mpr/shrink_200_200/p/2/005/061/165/2442b44.jpgBert Krikke combineerde in zijn carrière duurzaamheid én gebiedsontwikkeling op verschillende schaalniveaus. Hij werkte bij onder andere Arcadis en Triodos Bank. Sinds 2012 heeft hij zijn eigen adviesbureau: 4thecity waarin hij die achtergronden samenbrengt in advies aan steden op verschillende schaalniveaus.

Daarmee is Krikke de beste docent die we ons deze middag kunnen wensen. We verwelkomen u graag.

Facts & Figures
Wanneer: donderdag 19 februari, 16:30 uur – 18:00 uur (aansluitend borrel)
Waar: SADC, The Outlook, gebouw C, 2e verdieping (Evert van de Beekstraat 356, parkeren in P22)
Aanmelden: Stuur een mail naar l.vanbeusekom@kennislabvoorurbanisme.nl

Joëlle Mulkens en Inge Hoekstra winnen Urbanisme Scriptie Award

Strategie voor krimpende steden beste scriptie van 2014

Joëlle Mulkens en Inge Hoekstra hebben de Welzin Urbanisme Scriptie Award 2014 in de wacht gesleept met hun strategie voor het vitaal houden van krimpende steden. De prijs werd vrijdag 9 januari in Amersfoort uitgereikt door wethouder Pim van den Berg.

uitreiking awardJoëlle en Inge studeerden af aan de opleiding Landschap Architecture van de Universiteit Wageningen. Ze transformeerden de in de jaren ’80 ontwikkelde ‘casco-benadering’ tot een strategie om krimpende steden in Nederland vitaal te houden. Het principe: nieuwe ontwikkelingen moeten plaatsvinden binnen de bebouwde kom en langs bestaande infrastructuur, men moet investeren in verloedering van zichtlocaties en braakliggende grond moet worden ontwikkeld tot bijvoorbeeld groenstroken. Ze pasten deze strategie direct toe in een ontwerp voor de slinkende gemeente Den Helder. De video waarin ze hun scriptie presenteren kun je hier bekijken.

‘Erg knap dat ze een theorie uit een andere discipline om weten te toveren tot een zeer bruikbare strategie voor een actueel probleem. Ook in Nederland hebben we steeds meer te maken met krimpende steden’, aldus Wethouder Pim van den Berg. Zie hier het gehele gesprek met de wethouder.

Beide dames streden in de eindronde met de twee andere genomineerden: Wouter Hagers en Marten Reijnen. Zij kwamen voort uit een longlist die door een tienkoppige vakjury werd beoordeeld op basis van verschillende criteria, waaronder toepasbaarheid, actualiteit en schaalbaarheid. De Urbanisme Scriptie Award is een initiatief van het Kennislab voor Urbanisme, een extern R&D-lab waarin studenten nieuwe businessmodellen ontwikkelen om de stad fit en vitaal te houden. Dit jaar werd de verkiezing gesponsord door Welzin Eemland.

Lees hier het juryrapport.
Lees hier de samenvatting van de scriptie van Joëlle en Inge.

290 ideeën voor IBA Parkstad

Iba ParkstadOnder de noemer Open Oproep zocht IBA Parkstad de afgelopen maanden naar buitengewone ideeën om de Limburgse regio nog meer op de kaart te zetten. Toonaangevende projecten die richting geven aan de verdere ontwikkeling Parkstad. Ook het Kennislab voor Urbanisme dacht mee. Wij zijn namelijk graag een laboratorium voor vernieuwende ideeën, zoals we dat ook zijn in Amsterdam en Amersfoort. Bovendien sluiten de activiteiten van IBA Parkstad nauw aan bij onze plannen in Limburg.

Met 290 inzendingen is het duidelijk dat niet alleen wij betrokken zijn bij deze regio. De komende maanden worden alle inzendingen onder de loep genomen door curator-directeur Jo Coenen. De eerste lichting IBA kandidaten zal naar verwachting eind maart 2015 worden gepresenteerd. Wordt vervolgd..

 

Street Life, strategie voor Aziatische new towns

De new town Splendora, zo’n 15 kilometer ten westen van het historische centrum van Hanoi (Vietnam), vormt een schril contrast met de rest van de metropool. De drukke straten waar straatverkopers handel drijven, waar het ruikt naar etensgeuren, waar een continue stroom scooters langs trekt en die misschien wel de belangrijkste fysieke neerslag zijn van de Vietnamese cultuur, zijn hier verdwenen. We wanen ons in een nieuwe, exclusieve woonwijk die gedomineerd wordt door villa’s in mediterrane stijl.

splendora hanoi

Het gestandaardiseerde stratenpatroon voelt desolaat, de villa’s zijn allemaal gelijk, er is een nadruk op de auto en er is privé beveiliging. Splendora vormt een breuk met de Vietnamese cultuur, traditie, en context, het mist een ‘sense of place’. Marten Reijnen deed onderzoek naar een strategie om dit terug te brengen en werd hiermee genomineerd voor de Welzin Urbanisme Scriptie Award.

In vrijwel alle Aziatische metropolen zorgen de economische groei, de globalisatie en de urbanisatie ervoor dat de nieuwe bovenklasse zich terugtrekt in villawijken die zorgen voor fragmentatie van de stedelijke structuur en segregatie van de samenleving. Hoewel op kleine schaal al voorbeelden te vinden zijn van nieuwe stedelijke ontwikkelingen die meer ingebed zijn in de lokale context en traditie is er nog geen oplossing voor de new towns. Het lijkt er niet op dat deze wijken in de nabije toekomst allemaal bewoond zullen worden, of dat de lokale bevolking er profijt van zal hebben.

Uit het onderzoek blijkt dat de Vietnamese samenleving sterk leunt op de lokale gemeenschap. De familie en de hiërarchische organisatie van het dorp of de stadswijk zijn van groot belang. Ook blijkt dat de Vietnamese cultuur wordt gekenmerkt door vele externe invloeden die gemakkelijk worden opgenomen in de eigen cultuur. Dit zou een eventuele aanpassing van de new towns kunnen vergemakkelijken. Deze en drie andere kenmerken vormen de bouwstenen voor het ontwerp van ‘street life’; de transformatie van Splendora.

Marten Reijnen Splendora

In de video legt Marten zijn strategie ‘street life’ voor Splendora verder toe. Wat vindt u ervan? Reageer en ding mee naar een gratis abonnement op alle vakbladen van Elba-Rec!

Op vrijdag 9 januari maken we tijdens het kenniscafé in Amersfoort bekend wie van de genomineerden met de hoofdprijs van €1000,- naar huis gaat. Kijk hier voor meer informatie over de award en de andere genomineerden.

 

Strategie Rotterdam-Zuid: leren van Zweedse ‘kulturhuser’

Wouter Hagers, genomineerde voor de Welzin Urbanisme Award, deed onderzoek naar een strategie om steden fit en vitaal te houden. Hij liet zich hierbij inspireren door de Zweedse ‘kulturhuser’,  culturele ontmoetingscentra. Zijn uitgangspunt: een stad is een zich immer ontwikkelend geheel, dat nooit stil staat. Negatieve ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk worden tegengegaan en positieve elementen juist gestimuleerd worden.

De gekozen strategie die Wouter gebruikte voor zijn onderzoek gaat uit van een ontwerpbenadering, waarin duurzame mobiliteit, stedelijke verdichting en stimulering van persoonlijke ontwikkeling centraal staan. Hij paste een combinatie van TOD (Transit Oriented Development), sociale ontwikkeling en POD (Pedestrian Oriented Development), deels bekende strategieën met nieuwe elementen, toe op een praktijkvoorbeeld: Rotterdam Zuid.

In een Pecha Kucha presenteerde hij vorige week zijn bevindingen aan de jury van de Welzin Urbanisme Award. Wat vindt u ervan? Reageer en ding mee naar een gratis abonnement op alle vakbladen van Elba-Rec!

Op vrijdag 9 januari 2015 maken we tijdens het kenniscafé in Amersfoort bekend wie van de genomineerden met de hoofdprijs van €1000,- naar huis gaat. Kijk hier voor meer informatie over de award en de andere genomineerden.

 

 

Hoe houd je krimpende steden vitaal?

Joëlle Mulkens en Inge Hoekstra, beide genomineerd voor de Welzin Urbanisme Scriptie Award 2014,  deden onderzoek naar een strategische aanpak voor krimpende Nederlandse steden.  Ze ontwikkelden het vernieuwde ‘casco concept’, welke ons stedelijk landschap onderverdeeld in een laag dynamisch raamwerk en hoog dynamische gebruiksruimten. In deze gebruiksruimten bestaat de vrijheid voor krimp en voor het ontwikkelen van allerlei soorten initiatieven. Richtlijnen hiervoor: de meest opvallende plekken in de stad mogen niet in verval raken, braakliggende terreinen moeten meteen ontwikkeld worden en onnodige kosten door het transformeren van wegen en ondergrondse infrastructuur kunnen voorkomen worden door nieuwe ontwikkeling te koppelen aan de laag dynamische infrastructuur.

In de video leggen ze hun strategie voor het vitaal houden van krimpende steden in een Pecha Kucha haarfijn uit. Wat vindt u ervan? Reageer en ding mee naar een gratis abonnement op alle vakbladen van Elba-Rec!

Op vrijdag 9 januari maken we tijdens het kenniscafé in Amersfoort bekend wie van de genomineerden met de hoofdprijs van €1000,- naar huis gaat. Kijk hier voor meer informatie over de award en de andere genomineerden.

 

Doen opleidingen genoeg aan ondernemerschap?

De afgelopen weken las ik scripties voor de Welzin Urbanisme Award: onze prijs voor de beste urbanisme-scriptie van Nederland (en daar buiten). Een mooie en inspirerende taak die me deed kennismaken met delen van het vak waarvan ik het bestaan niet vermoedde. Ik verdiepte me bijvoorbeeld in het gebrek aan beweging bij ouderen en de kulturhusen in Stockholm. En terwijl het ene verhaal me dieper raakte dan het andere, ontstond een grote verbazing: in maar weinig geen van de gelezen scripties werd aandacht besteed aan de zakelijke kant van het verhaal. Behoeftes werden beschreven in sociale termen. Plannen werden in fysieke zin tot in de kleinste details uitgewerkt, maar slechts een enkele student ging in op de economische haalbaarheid. Maar af en toe zag ik iets wat op een businessplan leek. Ik miste het ondernemerschap meer dan eens.

ondernemerschap business caseDat is lijkt geen toeval. Maar weinig studenten in ons lab, hebben geleerd in zakelijke termen na te denken over hun werk. De meest prachtige ideeën worden bedacht (gelukkig maar), maar als we vragen naar de zakelijke onderbouwing, blijken studenten vaak geen idee te hebben hoe ze dat moeten aanpakken. Dat geeft niets. Erger is het dat het soms ook tot discussies met opleidingen die studenten ontraden hier aandacht aan te besteden. Het is al ingewikkeld genoeg, vinden de begeleiders.

Natuurlijk behoeft niet elke scriptie een economische onderbouwing. In sommige gevallen kan het niet eens. Maar het lijkt erop alsof het bijna not-done is om er wel aan te denken. Hoe anders is dat in Silicon Valley, waar creativiteit en ondernemerschap hand in hand gaan. ‘Een idee is leuk, een idee waar je geld meer verdient, is leuker, zei een lector van Stanford tijdens een interview tegen me. Toch regeert in de Nederlandse urbanisme-vakwereld nog steeds het idee dat geld verdienen vies is en een businessplan creativiteit in de wegstaat. “Als ik aan iemand een hekel heb, dan is het Business Kees. Die maakt alle plannen kapot”, twitterde een maandje geleden een vakmens tijdens een discussie over Beukenhorst-West in Hoofddorp. Voor uw begrip: in Beukenhorst-West is de leegstand enorm. Daar wordt het ene mooie plan na het andere voor bedacht, maar nooit komt iets verder dan de tekentafel.

Het lezen van de oogst van onze scriptieaward doet mij vermoeden dat de angst voor Business Kees wordt versterkt op de opleidingen waar Kees nooit op bezoek komt om uit te leggen hoe je van een leuk plan een leuker ‘haalbaar’ plan maakt. En waar scripties zonder goede zakelijke onderbouwing, toch hoge cijfers halen (ik ga er gemakshalve vanuit dat studenten die meedoen aan een award goed hebben gescoord tijdens hun opleiding).

Dat is bedreigend voor het urbanismevak. Juist in deze tijd, waarin het bizar moeilijk is om geld te verdienen in stedebouw en ruimtelijke ordening. Juist nu waarin voor veel afstudeerders de werkloosheid wacht. Juist nu hebben we professionals nodig die plannen maken vanuit een ondernemende houding. Die mooie plannen haalbaar maken. Die niet alleen kunnen dromen, maar ook weten hoe ze die dromen laten uitkomen. We hebben ondernemende professionals nodig en als het kan ook wat meer ondernemers. Dat begint bij opleidingen die daar meer aandacht aan besteden.

Urbanisme = Stedebouw (zonder n)

Zo af en toe popt de discussie weer eens op of het stedebouw of stedenbouw is. Een op het eerste gezicht redelijk onzinnige, maar wel leuke discussie. Ik moest er aan denken toen ik op het twitterprofiel van @RudyStroink las dat het stedebouwer is, ‘want ik heb nog nooit een stad gebouwd’. Wie ons een beetje volgt, weet dat wij het consequent zonder n doen. Dat doen we al sinds we bij Elba-Rec (toen nog Elba Media) begonnen met het vakblad Stedelijk Interieur.

We zijn het daarbij erg met Rudy Stroink eens. Wij bouwen geen steden. Wij schrijven er niet over. En onze labs gaan er ook niet over. We zijn wel bezig met het bouwen van plaatsen (placemaking in goed Nederlands). En een oudhollands woord voor plaats is stede. Stedebouw dus. Of te wel urbanisme.

stedebouw stroinkIs dat belangrijk? Ik denk het wel. Juist in een tijd waarin alles ter discussie staat, is het precies formuleren wat je bedoelt, belangrijk. Taal is juist nu een krachtig instrument. Tijdens de wederopbouw en ook in de vastgoedhausse van de jaren ’90 draaide alles om het bouwen van steden. Of ze nou gebruikt werden of niet. Gelukkig zien we tegenwoordig weer in dat de stad een verzameling mensen is die binnen de grenzen van de stad handel drijft en zijn goden aanbidt (en danst en zuipt). We zien in dat dat alleen kan als de stad een aantrekkelijk plaat is, een fijne stede dus. En die bouwen we niet met stenen, maar met mensen. Dat is stedebouw en dat kunnen we dan mooi gebruiken in plaats van dat nare woord placemaking.

En als we dat nu met z’n allen doen, dan kunnen we het Kennislab voor Urbanisme het Kennislab voor Stedebouw noemen.

PS. De werkelijke reden dat we bij Stedelijk Interieur kozen voor stedebouw is helaas niet zo principieel. Toen een van onze partners zei dat hij nooit meer voor ons wilde werken als we nog één keer stedenbouw schreven, gingen we overstag. En werden we zoals veel bekeerlingen, fanatieker dan de meester zelf

Henry Meijdam legt uit.. waarom functiemenging?

‘Gezond verstand is hetgeen dat de maat slaat’

Functies mengen wordt vaak gezien als een oplossing voor allerlei sociale, economische en fysieke vraagstukken. Ook in de Westas. Laboranten Tessa en Geert buigen zich momenteel over het gebied Beukenhorst-West in Hoofddorp, waar leegstand van kantoorpanden domineert. Hoe kunnen we andere functies naar dit gebied, dat centraal en op een steenworp afstand van Schiphol ligt,  toe trekken?  We nodigden Henry Meijdam, voorzitter van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, uit om hier samen met ons over na te denken tijdens een kenniscafé.

Is functiemenging wel wenselijk? Ja, volgens Meijdam levert het “door elkaar heen weven van functies” wel degelijk positieve effecten op. Door de verandering van onze economie (van productie naar dienstverlening) is er namelijk geen enkele inhoudelijke noodzaak meer om functies als wonen en werken gescheiden te houden. Daarnaast speelt veiligheid een rol. In een werkgebied wil je ’s avonds niet gevonden worden. En we willen ook graag zo dicht mogelijk bij ons werk wonen. Nadelen aan monofunctionaliteit zijn er volgens Meijdam ook genoeg. Een gebrek aan identiteit, levendigheid en ontmoeting, om maar een aantal voorbeelden te noemen.

Maar waar zit de ingang die we nodig hebben om functiemenging te laten slagen? Meijdam neemt ons mee naar de woningmarkt. ‘De gemiddelde grootte van een huishouden is op dit moment 2,3 personen. Een getal dat zeker gaat zakken. Er komt een grote vraag naar individuele woonruimte en starterswoningen. We moeten ons beseffen dat de maatschappij is verandert en het moderne werken geen scheiding meer behoeft van wonen en werken.’

En hoe doen we dat? Meijdam: ‘Gezond verstand is hetgeen dat de maat slaat. Wanneer we zoeken naar bewoners voor een pand dat zich bevindt midden op een bedrijventerrein dan creëer je eigenlijk je eigen probleem. Ver van voorzieningen en andere mensen wil niemand wonen. Dus moeten we zoeken aan de rand van terreinen, tegen andere woonbebouwing aan, of tegen het groen. En praktisch is dat niet altijd eenvoudig, zo’n pand zal een fysieke transformatie moeten ondergaan om ze geschikt te maken voor bewoners. De rol van de ontwerper zal dus eigenlijk weer in belang moeten toenemen.’

Bekijk het gehele videoverslag van de middag en de studentenpresentaties op Youtube.
Ook een keer een kenniscafé bijwonen? Dat kan, en is geheel gratis. Het volgende café is op donderdag 20 november.

 

In Berlijn gelden andere spelregels

Het Kennislab voor Urbanisme ging mee met de G32-studiereis naar Berlijn. Onze les: alles is anders dan je denkt in Berlijn.

Het thema van de studiereis naar Berlijn was de Omgevingswet. Alhoewel we al snel ontdekten dat er in Berlijn een ander juridisch kader geldt, leverde de reis genoeg stof op om over na te denken als we in onze eigen Nederlandse praktijk aan de slag gaan met de Omgevingswet. Een belangrijk aspect van de Omgevingswet is immers de rolverdeling tussen de stakeholders: overheid, burgers, en bedrijfsleven. En daar leerden we veel over in Berlijn.

Berlijn 14Om te beginnen bij de lezing bij de ambassade waar we na een welkomstwoord door ambassadeur Van Daalen een lezing kregen van Koos Wieriks over de Duitse ruimtelijke context. We leerden dat de voor ons grote problemen veel kleiner zijn door de Duitse bril. Ook de, soms wat weggezakte, kennis over de Duitse staatsinrichting werd weer bijgespijkerd. Wieriks vertelde ook over Wutbürger, beroepsprotesteerders. En we leerden over het feit dat Duitsland soms aanzienlijk meer gepolariseerd is dan Nederland.

Een tweede inleidende lezing bevestigde dat beeld. Bij de gemeente Berlijn werden we ontvangen door Thorsten Tonndorf, Referatsleiter für Stadtentwicklungsplanung. Hij schetste hoe de stad de afgelopen 25 jaar een speelbal was van toevalligheden. Verwachte groei kwam het ene moment niet uit en overviel de stad het andere moment juist. Dat Berlijn nu ‘partyhoofdstad’ van Europa is en als ‘Arm aber Sexy’ te boek staat, is niet het gevolg van gericht beleid, maar eerder van de toevalligheid dat de stad tijdens het WK voetbal in 2006 een aantal belangrijke wedstrijden kreeg toebedeeld. En dat Duitsers als blije trotse mensen op tv kwamen, terwijl hun team het helemaal niet zo goed deed. Die menselijke kant van Duitsland trok de jaren daarna veel jonge mensen naar het steeds hipper wordende Berlijn. Tonndorf verteld ons ook hoe burgerparticipatie is georganiseerd in de stad, of hoe dat eigenlijk niet is georganiseerd. Burgerparticipatie staat in Berlijn vaak gelijk aan burgers in een te laat stadium voorleggen wat ze willen, zonder ze er echt bij te betrekken.

Berlijn 9Daarvan zagen we een aantal interessante voorbeelden. Het bekendste daarvan is het voormalige vliegveld Tempelhof, waar we spraken met de gemeente Berlijn en Takis Sgouros, die tot 30 september werkzaam was bij de projectorganisatie voor het Tempelhoferfeld en daar vanaf gehaald is toen de plannen werden weggestemd door 739.124 Berlijners. In de plannen van de gemeente werd ongeveer 20% van het Tempelhoferfeld bebouwd met betaalbare woningen, waar een groot gebrek aan is in de stad, en met voorzieningen als de Landesbibliothek. Een plan waar met enthousiasme over werd verteld door Sgouros. Het plan was echter tegen het zere been van een burgerbeweging, die zich 100% Tempelhoferfeld noemt, omdat ze geen enkele bebouwing op het veld wilde. In Berlijn is het mogelijk voor groepen burgers om een wetsvoorstel in te dienen. Dat gebeurde in dit geval in drie tranches, waarbij eerst ongeveer 28.000 handtekeningen zijn verzameld om een wet te mogen indienen. Vervolgens is een wetsvoorstel geschreven dat vergezeld met 185.000 handtekeningen is ingediend. En tenslotte is de wet via een referendum aangenomen, waarbij zoals gezegd 739.124 vóór stemden. Een ruime meerderheid, tot verbazing van Sgouros die vond dat het aan allerlei oorzaken lag dat zijn plan was weggestemd, behalve aan het plan zelf.

Berlijn 2Margarete Heitmüller, een van de trekkers van de 100%-beweging, vertelde ons daarentegen letterlijk aan de andere kant van het veld haar kijk op het verhaal. Dat is het verhaal van het succes en de overwinning, maar ging ook over bestuurders en ambtenaren die slecht of niet met burgers communiceerden en die fout op fout stapelden. Het was een verhaal over een overheid die het contact met burgers was kwijtgeraakt en dat contact dat over was bij elke ontmoeting met die burgers verslechterde. Opvallend is de totale andere benadering van de begrippen ruimte, omgeving en inspraak bij de verschillende partijen. Waar de gemeente de ruimte vooral ziet als een mogelijkheid om te bouwen, praat de 100%-beweging over beleving van de leegte. Waar de gemeente zegt dat toch een deel van het gebied wordt leeg gehouden, zeggen de tegenstanders dat ze alles leeg willen houden. En waar de gemeente zegt dat de bewoners niets willen, zeggen die laatsten dat er van alles gebeurt op het Tempelhoferfeld. Zo gezien is het Tempelhoferfeld een mooi voorbeeld van hoe overheid en burgers elkaar niet willen begrijpen en elkaars taal niet spreken.

Berlijn 1De wonden tussen de voor- en tegenstanders, tussen gemeente en burgers, zijn nog zo vers dat de verschillende partijen niet met elkaar willen praten en dat het ook de samenwerking (de gemeente blijft verantwoordelijk voor het onderhoud van het terrein) erg stroef verloopt. Tegelijkertijd is het aan de 100%-beweging nu de opgave om te laten blijken dat wat ze hebben bereikt ook blijvend is. Want wetten kunnen worden vervangen en de 100%-beweging beseft zich dat het niet vanzelfsprekend is dat ze een zelfde discussie over 10 jaar weer winnen. En dus zijn ze nu bezig met het opzetten en organiseren van het onderhoud en bestuur van het gebied.

Een stap verder in dat proces is het project Holzmarkt dat we de eerste avond bezochten. Op deze locatie aan de Spree bestonden hoogbouwplannen die als gevolg van de vastgoedcrisis in de ijskast belandden. De grond werd vervolgens gekraakt door een groep Berlijners die vervolgens een eigen plan ontwikkelden voor het gebied en de eigenaar, een Zwitsers pensioenfonds, meekregen in hun ideeën. De discussie die we hadden over de plannen (en over wat al was gerealiseerd) was ingewikkeld omdat het redelijk not done was om te spreken in termen van businessplannen. Terwijl er toch wel degelijk een sluitende businesscase ligt. Maar net als bij Tempelhof is ook hier het programma belangrijker dan het vastgoed. De businesscase heeft dan ook weinig te maken met het stenen, maar alles met het programma. Tijdelijkheid in bouw en exploitatie is het uitgangspunt en dat leidt tot andere plannen en berekeningen.

Berlijn 6Die benadering staat geheel haaks op wat er gebeurt op het vliegveld Berlin Brandenburg. De oplevering dit vliegveld is ondertussen een aantal keer uitgesteld. De gloednieuwe luchthaven moet de vliegveldjes Tegel, Schönefeld en het inmiddels gesloten Tempelhof vervangen, maar is het lachertje van Duitsland geworden. Twee weken voor de officiële opening in 2011, tijdens een van de laatste inspecties, kwamen namelijk veiligheidsproblemen aan het licht, die de oplevering jarenlang vertraagden. Op dit moment wordt er geen nieuwe opleverdatum meer gecommuniceerd (maar volgens de wandelgangen is het op zijn vroegst in 2016) en kost de luchthaven een miljoen euro per dag aan onderhoudskosten, nog los van alle extra kosten door de herstelwerkzaamheden.

Uit de lezing die we kregen en de discussie die volgende bleek dat het vliegveld een politiek moeras is, waar de betrokkenen steeds verder inzakken en waarvan eigenlijk niemand meer precies weet waarom het misgaat. Een oplossing zou zijn om het politieke element uit het proces te verwijderen, maar dat lijkt onmogelijk.

Berlijn 12Aan het eind van de studiereis werden de opgedane ervaringen in perspectief gezet door Han Joosten van Bouwfonds, die liet zien hoe Oost-Europese beleggers belangrijke plekken in de stad opkochten zo starters op de woningmarkt de toegang ontzegden.

De reis leerde weer ons hoe belangrijk een goed contact met burgers en andere stakeholders is bij gebiedsontwikkeling en bij het opstellen van bijvoorbeeld een omgevingsplan. En dat de dynamiek van de burgers en andere stakeholders niet per se gelijk is aan de bestuurlijke dynamiek. De burgers die zich verenigden tegen de plannen op Tempelhof waren andere mensen, dan de burgers die in het traject richting het plan. En toch haalden ze hun gelijk. En het relativeerde de macht van politici in een dynamische stad als Berlijn. Die zelfreflectie is natuurlijk ook nooit weg. Bovendien leidde de reis tot veel discussie tussen de reisgenoten, over problemen in Berlijn, maar aan de hand daarvan ook over het werk thuis. Ook dat was erg waardevol. Eén van de conclusies die daarbij werd getrokken was dat het belangrijk was om elkaar te blijven opzoeken rondom het thema Omgevingswet. In een wereld die hoog dynamisch en verbonden is, kunnen we niet allemaal zelf het wiel uitvinden.

Highline = toeristenattractie

Afgelopen zondag opende het laatste deel van de Highline in New York. Daarmee is een van de meest opvallende openbare-ruimte-projecten ter wereld voltooid. Een ronduit iconisch project. Want ga maar na, vrijwel zonder publiek geld (de overheid investeerde alleen in het restaureren van constructie waarop de Highline ligt), dus gefinancierd door vrienden, maar vooral door de omliggende vastgoedprojecten werd een uniek park gebouwd. Een park dat een paar mile lang is en slechts een paar meter breed. Een park dat de ruigheid van de spoorbaan heeft doorvertaald in de beplanting en straatmeubilair. Een park dat werkt als een levensader voor het gebied tussen het MeatPackaging District en Pennstation.

OLYMPUS DIGITAL CAMERAHet is nu bijna niet meer voor te stellen, maar dit was tot voor kort een onaantrekkelijk stuk van New York. Nu is het een van de vele hotspots in de stad. En waar ooit de treinbaan de prijzen in de omgeving naar beneden trok, kiezen de New Yorkse realestateboys en –girls er nu bewust voor om bij de Highline te ontwikkelen. Ze adverteren er ook heel bewust mee.

Dat is natuurlijk een groot compliment voor de mensen van het eerste uur. Mensen die met bloed, zweet en tranen iets bijzonders wilden maken. Domweg omdat ze erin geloofden. Omdat ze vonden dat de stad hier iets moois nodig had.

En toch kreeg ik een rare smaak in mijn mond toen ik er maandag was (voor het eerst). De HIghline is namelijk een toeristentrekker geworden. Ik liep in de rij van Penn Station tot MeatPackaging. Dezelfde rij met dezelfde mensen die gisteren het 9/11-museum bezochten en die morgen de boot naar het Vrijheidsbeeld nemen.

Daar is niets mis mee, ik woon zelf ook niet in New York en ik was er dan wel voor het werk, op de Highline was ik natuurlijk net zo toeristisch als de andere toeristen.

Is dat erg?

Ik denk het niet. De stad is een bestemming geworden en moet dat ook zijn, wil ze overleven. Zoals een dag later Adam Freed, in New York verantwoordelijk voor het duurzaamheidsprogramma, vertelde (dat onderdeel was wel werk) is er op zich geen enkele reden om in New York te wonen. Tegenwoordig kan je overal wonen en leven omdat je toch verbonden bent.

Adam Freed was dus blij en hij had gelijk.

En ik was blij toen ik een paar dagen later in South Williamsburg liep, door de Joodse wijk waar mensen gewoon hun leven leven.

Amsterdam wint terecht City Climate Leadership Award

De mensen achter het Amsterdamse Investeringsfonds moeten toch raar hebben opgekeken toen ze hoorden dat ze de prestigieuze City Climate Leadership Award in de categorie finance & economic development hadden gewonnen. Het Investeringsfonds is namelijk in eigen stad behoorlijk omstreden. Een mooie samenvatting daarvan is te lezen in dit artikel in het Parool.

Voor de jury van de door de C40 en Siemens georganiseerde verkiezing, was dat geen bezwaar om toch voor Amsterdam te kiezen. Het juryrapport stelt: ‘Met dit innovatieve project laat Amsterdam zien hoe initiatieven op het gebied van milieu- en klimaatbescherming effectief kunnen worden vertaald in het economisch ontwikkelingsbeleid van de stad. Amsterdam heeft een krachtig instrument ontwikkeld waarin 70 miljoen euro wordt geïnvesteerd in duurzame energieprojecten, waarvan een deel focust op het MKB. Het fonds verlaagt de energierekeningen voor burgers en bedrijven en draagt bij aan de CO2-doelstellingen van de stad. In 2010 had de stad al een daling van 20% behaald in vergelijking met 1990.’

Wie heeft er nu gelijk? De Amsterdamse criticasters, of de jury die het van een veel grotere afstand bekijkt?

Het is een kwestie van perspectief. Wie van dichtbij kijkt ziet haarscheurtjes in het goede idee. Geld dat niet op tijd is besteed, politici die daar nu een andere bestemming aan geven, een concurrerend fonds dat nu ook binnen de gemeente wordt opgericht. Wie in de jury zit van de City Climate Leadership Awards, ziet een stad die privaat initiatief bevordert, die lokale initiatieven versterkt, en zo de CO2-doelstellingen haalt.

Tijdens de prijsuitreiking in New York vielen vooral de extreme verschillen op tussen de deelnemers. Nu is het vergelijken van appels en peren de essentie van een Award-show, maar de omstandigheden tussen bijvoorbeeld China en Nederland zijn zo groot, dat je afvraagt hoe die twee van elkaar kunnen leren.

En terwijl Amsterdam zich druk maakt of 60 miljoen wel aan de goede zonnepanelen wordt uitgegeven, wordt een groot deel van Manhattan nog verwarmd door het lokaal verbranden van stookolie. De komende 20 jaar worden die vervuilers aangepakt, waarmee New York een flink deel van de milieudoelstelling heeft gehaald. Zo gemakkelijk halen wij onze besparingen niet meer.

De City Climate Leadership Awards waren een showcase van topdown milieubeleid. Van grote ingrepen, van verboden, van meten is weten. En in steden als New York en Rio de Janeiro is dat te begrijpen. Maar in ons deel van de wereld moeten we het hebben van polderen en bottom-up initiatieven. Dat vergt meer politiek geduld en moed en is bovendien lastig te meten. En juist daarom is het zo goed dat jury voor Amsterdam als winnaar heeft gekozen.

Jan-Willem Wesselink

Urbanisme Award – de longlist

welzinawardWIE SCHRIJFT DE BESTE URBANISME-SCRIPTIE VAN NEDERLAND?

Na twee zeer succesvolle edities organiseert het Kennislab voor Urbanisme dit jaar voor de derde keer de Kennislab voor Urbanisme Scriptieaward. Dit jaar mede mogelijk gemaakt door Stichting Welzin. De inschrijving is inmiddels gesloten en de strijd is losgebarsten. Wie gaat er van door met de trofee, eeuwige roem, media-aandacht (onder meer in vakblad Vitale Stad) en 1.000 euro? Dit zijn de kanshebbers!

Arjan GerritsenBloemkoolwijken
Daan MulderNieuwe businessmodellen stadslandbouw; Een zoektocht naar nieuwe bouwstenen en verdienmodellen
Eline JolinkTypisch Utrecht; Over de favoriete outdoor plekken van vrouwelijke studenten in de binnenstad van Utrecht
Eva BroxtermanJonge woonvormen voor nieuwe senioren in Zaanstad
Inge RoosVan en voor mijn buren; Een ruimtelijke strategie voor herstructurering van de Struykenwijk
Janneke van der Brandt/ Jackie van Aert/ Malini KlapperBurgerparticipatiewaaier; Tools voor burgerparticipatie in de openbare ruimte
Joelle Mulkens/ Inge HoekstraCity shrinkage; Renewing the casco approach for shrinking cities in the Netherlands
Jolanda de JongEen collectieve tuin voor Sint Martens Hof; Eenheid door eenvoud
Larissa GuschlWorking waterfront newtown creek; Adaptive multi-layer flood protection on brownfield opportunity areas
Marleen van DongenOpenbaarheid vs. beheersbaarheid; Een theoretisch en casusonderzoek naar het ogenschijnlijke spanningsveld in de huidige Nederlandse ‘openbare’ ruimte
Marlot van DijkenHome sweet home in de Westas; Wonen als onderdeel van Business Park Amsterdam Osdorp, Beukenhorst-West en Sloterdijk-I
Marten Reijnen Street life; Revitalizing new Asian developments
Pimm ter HorstDe positie van de Zoetermeerse Dorpsstraat; Ingrediënten voor in het regieplan
Renske NollenOver de invoering en afschaffing van ‘gratis’ OV in Nederland (titel volgt)
Roy NieuwenhuisTransit Oriented Development in de zuidelijke Randstad; Een onderzoek naar de woonlocatiekeuze en het verplaatsingsgedrag van recent gevestigde huishoudens in Den Haag en Voorhout
Simone CampInBetween; Status quo doorbroken met flexibele (her)ontwikkeling Haagse Beemden
Sofie Korbee/ Lisanne KosterFit en vitaal, bewegen in de wijk doen wij toch allemaal? Onderzoek naar een beweegvriendelijke omgeving voor senioren
Suzanna van BeekRespect voor krachtige burgers: hoe gaan we om met Burgerkracht in 2014?
Tim SchreursHet plannen van participatie; zijn de krachtwijken van weleer ook de aandachtswijken in de participatiesamenleving?
Valérie NoordinkNieuwe kansen voor havensteden; De herontwikkeling van verouderde stadshavens
Wouter HagersStationshus; A Scandinavian influenced approach and design for a strategic multi-modal intervention in Rotterdam South

Op dit moment wordt de jury samengesteld die de drie beste scripties zal nomineren. Welke dit zijn wordt op 17 november via de website bekend gemaakt. Uit deze drie genomineerden zal vervolgens één winnaar worden gekozen, op basis van een officieel jury-oordeel én een publieksstem. De uiteindelijke winnaar wordt bekend gemaakt op 9 januari 2015. Schrijf die datum dus alvast op in je agenda!

 

Waarom focussen we op sociale innovatie?

In Amersfoort focussen we sinds dit lab (in september 2014) op sociale innovatie. Waarom?

Een paar maanden geleden strandde mijn trein. In plaats van door te rijden naar Deventer stonden we stil in Apeldoorn. Dat was geen hele grote verrassing, ongeveer vijf minuten voor we aankwamen werd het al in de trein omgeroepen. Ik (en met mij de hele trein) werden plotseling geconfronteerd met een probleem waar we niet om hadden gevraagd en ook niet op waren voorbereid.station Opvallend was dat er in de eerste tien minuten maar weinig gebeurde. De NS vertelde alleen dat de trein niet verder reed en kwam niet met alternatieven. De meeste reizigers wachtten op een oplossing en deden weinig. Maar na die eerste pakweg tien minuten bleken er tal van oplossingen te bestaan. De meeste reizigers namen de trein via Zutphen (niet van NS dus niet in hun systeem), anderen namen de bus, sommigen lieten zich ophalen en weer anderen gingen onverrichte zake naar huis. Voor hun afspraak kwamen ze te laat. Opvallend was hoeveel mensen daarbij hun smartphone gebruikten. Om op de 9292-app een alternatief te zoeken of om met het thuisfront te appen of bellen. Natuurlijk waren er mensen die daar minder dan tien minuten voor nodig hadden, maar was er een enkeling die na een halfuur nog niet wist wat er aan de hand was. Het meest opvallend waren echter die eerste tien minuten. Die tussentijd tussen de gebeurtenis en je reactie. De tijd waarin je vol verbazing naar je probleem kijkt. Het is zaak die tijd zo kort mogelijk te houden. Voor mijzelf (ik wilde naar huis), voor de NS (het station stroomde over) en voor de maatschappij als geheel (de economische impact van de gebeurtenis was vooral negatief door verloren werktijd, belangrijke afspraken die werden gemist en het negatieve sentiment dat ontstond).

Meer schade dan ons lief is
Op dit moment bevinden we ons in onze samenleving in zo’n tussentijd. De overheid heeft besloten om minder te zorgen voor haar burgers. Om zich terug te trekken. De sociale rol van de overheid verandert. Onder de noemer van burgerparticipatie worden traditionele overheidstaken als het beheer van de openbare ruimte en de zorg voor de zwakkeren in de samenleving neergelegd bij de maatschappij. Dat is geen verrassing, er wordt al jaren over gepraat. Maar nu het zover is, overvalt het veel mensen. Net zoals in de trein is het tijd zo kort mogelijk te houden voor zowel de snelle als de langzame mensen. Want hoe langer oplossingen uitblijven en oplossingen gedeeld worden met elkaar – met een mooi woord collectieve intelligentie – hoe grote de schade is voor burger, bedrijf en bestuur.

Hoe vertalen we dat door naar het Kennislab voor Urbanisme
In het Kennislab voor Urbanisme werken we aan die alternatieve oplossingen. Daarbij maken we vaak gebruik van de andere grote maatschappelijke ontwikkeling: verbondenheid. Dankzij IT en Interaction Design – het ontwerp van ‘interfaces’ voor de zinvolle communicatie tussen mensen, machines en informatie-en kennissystemen –zoals goede apps tonen, groeit en bloeit de gedistribueerde informatie en kennis- de collectieve Intelligentie- snel. Dankzij deze drie zaken – techniek, design en netwerken – zijn mensen meer dan ooit online en offline met elkaar verbonden. Slimme algoritmen bundelen die gedistribueerde informatie en kennis weer rap om ‘real-time’ oplossingen voor problemen aan te dragen en samen te besluiten welke oplossing wordt gekozen. In de financiële wereld is deze visie al gemeengoed. Maar waarom zou de collectieve intelligentie niet worden gebruikt voor het oplossen van dagelijkse problemen van jan en alleman.

Dat leidt tot de volgende Kennisvraag?
Hoe maken we de tijd tussen de terug getrokken overheid én de actie van burgers zo kort mogelijk? Oftewel: Hoe zorgen we er voor dat burgers zelf taken oppakken?

#LeveDeStad

Evernote Camera Roll 20140526 082007Voor de rubriek #LeveDeStad in het vakblad Vitale Stad zoeken we foto’s die laten zien wat de stad zo leuk maakt. Dat mag alles en overal zijn. De kermis, de blindengeleidestrepen die worden aangebracht in Hoofddorp, Corina die ten huwelijk wordt gevraagd. Twitter ze naar @VitaleStad met de #LeveDeStad. We retweeten alles (ook via deze site) en plaatsen de mooiste, leukste, treffendste foto’s in Vitale Stad.

Kennislab over de zorg

Vol verbazing keken we naar Nieuwsuur vanavond, waar duidelijk werd dat er in de zorg wachtlijsten zijn en leegstand tegelijkertijd. Dat er een staatssecretaris is die zegt dat er geld is en een verzorgingshuisdirecteur Kosse die juist de zorg afbouwt omdat hij geen geld krijgt.

Dat is raar. En heel erg. Want ondertussen gaan er mensen dood door dit gedoe.

zorgNu willen wij de problemen niet gemakkelijker voorstellen dan ze zijn. Maar we denken wel dat er met een beetje creatief denken wat los te schudden is in de zorg. Want dat heeft de zorg nodig. We geloven dat er mensen zijn die begrijpen dat ze dat samen op kunnen lossen. Mensen die problemen anders durven te bekijken. Die kansen zien in het feit dat we allemaal met elkaar verbonden zijn. Die regels niet als belemmering zien, maar als vertrekpunt. Mensen die nieuwe concepten willen ontwikkelen voor de zorg. Die niet direct om geld vragen als ze hun probleem niet opgelost krijgen.

Met die mensen willen wij een Kennislab beginnen. Waarin we de wijk, wonen en zorg samenbrengen. Bedrijven, instellingen, overheden en individuen die daaraan mee willen doen. Die daar een serieuze bijdrage aan willen leveren, kunnen zich bij mij melden via j.wesselink@kennislabvoorurbanisme.nl.

Gemeenschapszin is het belangrijkste in participatiesamenleving

Het hoogtepunt van de wedstrijd Go Ahead Eagles – FC Dordrecht vond plaats voor dat de voetballers het veld op kwamen. Met een indrukwekkend eerbetoon bedankten de ruim 7.000 supporters in de Adelaarshorst Rene Beumer voor al het vrijwilligerswerk dat hij voor de club heeft verricht. Beumer is ernstig ziek en wilde nog één keer een wedstrijd van zijn club meemaken. Een kippenvelmoment dat een kwartier duurde.

Wie niet gelooft in de participatiemaatschappij moet eerst een paar keer bovenstaand filmpje bekijken en dan rondkijken bij kleine betaald-voetbalclubs als Go Ahead Eagles of Cambuur. De budgetten zijn minimaal, de inzet van vrijwilligers enorm. Voorbeeld: toen Go Ahead Eagles na de promotie in 2013 niet genoeg geld had voor veldverwarming (een vereiste in de Eredivisie) en wilde overstappen op kunstgras (een doodzonde volgens de supporters), werd via crowdfunding binnen de kortste keren een ton ingezameld.

De vraag is waarom de ene club wel een trouwe en actieve achterban heeft en de andere niet. Die vraag is ook relevant buiten het voetbal. Want waarom lukt het ene burgerparticipatietraject wel, en het andere niet. Ik denk dat het veel te maken heeft met 1) een helder doel, 2) wederzijds respect, 3) gebrek aan geld.

Het heldere doel is het gemakkelijkst. Uiteindelijk wil elke supporter van een voetbalclub (of het nou Ajax is of FC Dordrecht) dat het goed gaat met zijn club. Er is een gemeenschappelijke liefde, die vaak bijna religieus wordt beleefd. Met eigen rituelen en regels, normen en waarden. Die fans moeten er wel zijn, toen de Apeldoornse club AGOVV twee jaar geleden failliet ging, bleek dat maar weinig inwoners van Apeldoorn te deren.

Het wederzijdse respect tussen supporters en bestuurders is al lastiger. Veel clubs hebben last van bestuurders met grootheidswaanzin en supporters met wel erg korte lontjes. Wat helpt is realiteitszin bij de bestuurders. In een interview in Voetbal International zei Go Ahead Eagles grootaandeelhouder Hans de Vroome: ‘Misschien heb ik af en toe te weinig risico’s genomen, maar we bestaan tenminste nog wel. Ik heb Go Ahead willen behouden en verankeren in de Deventer gemeenschap en nooit willen vervallen in opportunisme. Want we doen het samen, we hebben Go Ahead Eagles even te leen. Zo zie ik het. We willen de club in stand houden en verbeteren. Op een gegeven moment is onze tijd voorbij en is het hopen dat anderen het goed doen.’

Het gebrek aan geld, tenslotte, is voor geen enkele club een doel op zich. Maar het dwingt wel tot samenwerking. Er is geen alternatief, er ontstaat een afhankelijkheid. In Deventer gaat dat zover dat het ook het bestuur het vrijwillig doet. Ook dat zorgt voor respect.

Maar het belangrijkste is de gemeenschapszin die daardoor ontstaat. Zelfs in een klein stadion als de Adelaarshorst zitten toch wekelijks maar liefst zevenduizend mensen. Zevenduizend mensen die even één zijn. Die hun helden aanmoedigen en eren of die nou op of naast het veld actief zijn. Zoals voor Rene Beumer.

De overheid heeft nut

Het is leuk om gelijk te krijgen. Of het te halen. En dus genoot ik met een gepaste grimas van de media-aandacht voor de mislukte projecten waar het beheer van de openbare ruimte werd overgedragen aan bewoners. Wie in het zoekvakje op deze site openbare ruimte intypt vindt een aantal columns waarin we waarschuwden voor deze mislukking. Wie zoekt in het archief van het vakblad Stedelijk Interieur vindt er nog meer. “Ik zei het toch…” Maar aan de andere kant, wat moet je met gelijk achteraf?

Je kan op verschillende manieren kijken naar deze voorbeelden van mislukte burgerparticipatie. Ten eerste kan je misschien twijfelen aan de bedoelingen van de gemeente. Wat zou zwaarder hebben gewogen: het voordeel op de grondexploitatie of het participatie-ideaal? Of was het tweede argument het excuus om het eerste doel te kunnen halen.

gemeenteJe kan deze incidenten ook gebruiken als aanleiding om na te denken over de rol van de gemeentelijke overheid. We doen dan even net of het grex-voordeel niet bestaat en of het de betrokken overheden alleen ging om burgers met elkaar in contact te brengen. En dan ben ik ook achteraf verbaasd over het enorme gat tussen de professionals op het stadhuis en de mensen in de wijk. Want zouden die professionals het zelf wel leuk vinden om samen met de buren de straat te onderhouden (die mensen hadden bij de koop van huis waarschijnlijk geen benul waar ze instapten)? Zouden ze het ook doen? Ik kan het maar lastig geloven.

En dus blijft belangrijkste vraag waarom ze erin geloven.

Je hebt landen en steden in de wereld waar de overheid bijzonder weinig doet. Kijk eens rond in de grote steden in Afrika, in de Verenigde Staten en Zuid-Amerika. Burgers daar zijn een groot deel van de dag bezig met nogal primaire zaken als van huis naar werk komen (geen OV, slechte wegen), hun eigen veiligheid (een niet-functionerende politie), de zorg voor familie (corrupte ziekenhuizen). Theoretisch zijn ze ook bezig met de openbare ruimte, maar die laten ze meestal versloffen door tijdsgebrek.

Vergelijk dat met de steden in ons deel van de wereld waar we voor dit soort collectieve behoeftes de overheid hebben ingericht. Het lijkt soms dat de overheid dat niet efficiënt doet en het kan vast beter, maar ik weet bijna zeker dat het efficiënter is geregeld dan de eerder genoemde groep landen.

Want, vergeet niet: de overheid heeft nut. De overheid doet die dingen waar ieders eigen belang het best, meest efficiënt gediend wordt vanuit het collectief belang.

De overheid is geen doel op zich, maar een middel.

Dat zie je ook in de voorbeelden waar de overheid zich niet met het collectieve bemoeit: daar worden vaak organisaties opgericht (bijvoorbeeld parkmanagementorganisaties) die de zorg overnemen. Lood om oud ijzer.

Het is te hopen dat de groepen burgers die bij de koop van hun woning door de overheid met een stuk openbare ruimte zijn opgezadeld snel de koppen bij elkaar steken om de overheid te dwingen de openbare ruimte alsnog over te nemen. Dan heeft het toch nog nut, want niets verbindt beter dan een collectieve vijand.

Verliest NL de logistieke slag?

20140423 SKBN studiereis (166)

We zien ons in Nederland graag als het middelpunt van de wereld. Dé logistieke hotspot van Europa zijn we toch op zijn mínst. Maar soms word je met je neus op de feiten gedrukt. Jan-Willem Wesselink (hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme) ging met de SKBN naar Lille, Brussel en Luik en als die reis ons één ding leerde, was het dat die positie niet vanzelfsprekend is. De concurrentie ligt letterlijk om de hoek op de loer.

Lille is de vierde regio van Frankrijk en is via de TGV verbonden met het noorden (met ons dus), maar ook met het zuiden, oosten én westen. Wij bezochten Lille Euratechnologies, een incubator met de focus op onder andere technologie en logistiek. Yann Kervarec, Manager Digital Commerce, leerde ons dat een goede incubator ruimte, geld, netwerk en coaching biedt. De bedrijven die hier worden gekweekt, vinden hun plek elders in Lille, het liefste op de eigen campus. Om die reden investeert de gemeente Lille ook in het project. Het succes van Euratechnologies werd dan ook gemeten in het aantal doorgroeiers dat het voortbrengt.

Voor de regio Lille Métropole is het ondersteunen van bedrijven om zo de regio tot een succes te maken dan ook een belangrijke motivatie. Dat is prioriteit één en eigenlijk ook de enige. De andere prioriteiten – vastgoed, R&D, regionaal beleid en economische ontwikkeling – lijken ondergeschikt aan dat doel.

Hypermarchés zijn passé

20140423 SKBN studiereis (23)Onze gastvrouw van de middag, Sophie Decoster, Directrice du Développement bij Lille’s agency, is daar een mooi voorbeeld van. Ze regelde belangeloos het middagprogramma, de sprekers en het bezoek aan de Nederlandse consul. Decoster spreekt zes talen en heeft de nummers van alle relevante spelers in Lille in haar telefoon. Het werk van Decoster is netwerken. Daar konden we fijn op meeliften en zo kwamen we ook bij supermarkt-drive-in Chronodrive. Frankrijk mag dan het land zijn waar de hypermarché is uitgevonden, het is ook het land waar het steeds slechter gaat met die megasupermarkten, zo leerden we van Lionel Barchechath, directeur Chronodrive in de regio Nord Picardie Normandie Bretagne. De klant van dit moment wil op internet bestellen en haalt het vervolgens af. Bijvoorbeeld bij Chronodrive, dat een megagroei doormaakt. In totaal groeide het aantal afhaalsupermarkten in Frankrijk in het afgelopen jaar van 2.000 naar 3.000. Vaak gecombineerd met bestaande supermarkten, maar volgens Barchechath was dat niet erg efficiënt, omdat er dan twee logistieke systemen door elkaar lopen die eigenlijk niet bij elkaar passen. Bij de Chronodrive staat de thuis bestellende klant centraal en is het proces zo ingericht dat die binnen een dag zijn boodschappen kan afhalen. Om die reden ligt de Chronodrive ook dicht bij woongebieden, zodat er massa is en het op de route van werk naar huis ligt.

‘Wie niet aan tafel zit, staat op het menu’

‘Wie niet aan tafel zit, staat op het menu’, zo stelde beroepslobbyist Friso Coppes het een dag later. En, zo hoorden we in zijn verhaal, Nederland staat regelmatig op het menu. Wie dat wil voorkomen, moet erbij zijn. Dat is helemaal niet zo heel lastig. Brusselse ambtenaren en bestuurders zijn goed bereikbaar en staan zeer open voor het gesprek. Het is ook nodig, want de wetgeving vanuit Brussel heeft grote gevolgen. Coppes citeerde bankpresident Klaas Knot dat Nederland verweven is met Europa. ‘We zitten in de board van een multinational.’ Zijn tip: vertrouw niet te veel op belangenclubs, maar ga er zelf achteraan. Wie wat wil bereiken, moet daar hard aan trekken, soms jarenlang.

Niets is vanzelfsprekend

Mark Jackson, Business Development Director van de Contract Logistics Branch van UPS Europe, gaf de ochtend vervolgens een Nederlands tintje. Hij vertelde over de strategie van UPS in Europa. Opvallend was de grote hoeveelheid toegevoegde waarde die het bedrijf toevoegt aan logistiek. Het bedrijf verdient niet aan het leveren van pakjes, maar alles eromheen. Aan onderhoud van laptops, terugroepacties, in elkaar zetten van eenvoudige producten. Dat gebeurt onder andere in Venlo en Roermond, waar UPS belangrijke vestigingen heeft. Omdat UPS flexibel wil zijn en daarvoor massa nodig heeft, vestigt het zich niet overal waar de klant dat wil. Locatiekeuze blijkt een boeiend spel tussen klant en UPS.

Maar Jackson liet ook doorschemeren dat niets vanzelfsprekend is. De lage belastingdruk in Nederland is een belangrijke reden dat UPS in Venlo en Roermond gevestigd is – en niet aan de andere kant van de Duitse of Belgische grens. En de vraag of Jackson in Nederland blijft als de belastingvoordelen verdwijnen, bleef een beetje boven zijn presentatie hangen. Zo raar is die gedachte niet, want de logistieke stromen in Europa verschuiven en het zwaartepunt in logistiek zakt langzaam af richting Frankfurt. Van daaruit is het steeds interessantere Oost-Europa gemakkelijker te bereiken.

Opvallend genoeg heeft UPS geen grote vestigingen in België (het is daar alleen actief via het fijnmazige Kiala-netwerk). Terwijl uit de kaarten die Jackson liet zien, bleek dat Luik een steeds belangrijkere hotspot wordt in de logistiek.

20140423 SKBN studiereis (155)Luik is booming

Dat werd bevestigd toen we een dag later op excursie waren in Luik. Onze gastvrouw Laurence Slangen, Projectmanager bij regionale ontwikkelingsmaatschappij SPI+, ving ons op bij het stille vliegveld van Luik. Volgens Slangen hadden we onze excursie beter ’s nachts kunnen houden, want dan is het er een drukte van belang. Luik is de belangrijkste luchthaven van West-Europa voor levende dieren, planten, bloemen en groenten en bedient daarmee de hele regio. Van de bloemen die op de veiling in Aalsmeer worden verhandeld, landen er meer op Luik dan op Schiphol. En dat wordt volgens Slangen alleen maar meer als in de komende jaren de vracht-HSL-verbinding met Schiphol tot stand komt. Dat past in de strategie van Schiphol om binnen Europa zo min mogelijk te vliegen, maar zorgt wel voor logistieke verschuivingen.

Nederland?

Met Slangen gingen we daarna in discussie over de concurrentiekracht van de Luikse regio. Waar veel Nederlanders nog het beeld hebben van een achtergebleven regio (een beeld dat op het eerste gezicht wordt bevestigd als je langs de stad rijdt), blijkt Luik uit zijn voegen te barsten van economische groei.

Die onbekendheid werd ook door Michel Bruneel, Senior Project Manager The Netherlands – Belgium bij Awex Wallonia Export & Investment (het Waalse Agentschap voor Exportatie), als een probleem ervaren. ‘Wij hebben een heel zwak imago’, stelde hij. En dat, zo legde hij uit, is soms erger dan geen imago. Dus legt Bruneel in de verschillende buitenlanden waar hij komt uit wat het imago van Wallonië en waar nodig ook van Luik is. Dat was niet eens zo’n heel verrassend verhaal. Het is het verhaal dat zo veel regio’s houden. Het gaat over bereikbaarheid, kennis, mentaliteit, quality of living.

Waarom raakte de groep dan zo onder de indruk?

Misschien wel omdat er zoveel zelfvertrouwen sprak uit de verhalen van Slangen en Bruneel. Op de vraag of de nieuwe bedrijventerreinen geen bedrijven van oude terreinen trekken, werd verbaasd gekeken (‘Die hebben toch al een plek?’). Op de vraag of ze op de hoogte waren van de concurrentie in Nederland en Duitsland was het antwoord dat ze Duitsland wel in de gaten hielden. En dat gebeurde allemaal in vloeiend Nederlands, maar had ook in het Frans, Duits of Engels gedaan kunnen worden. Wie niet ín de verhalen hoorde dat dit een booming regio is, hoorde het wel tussen de regels door.

Om dat te illustreren vertelde Hélène Thiébaut, Hoofd Communicatie bij de haven van Luik, over de strategie van de haven en de doorvertaling daarvan naar Trilogiport, een nieuwe terminal.

Een van de deelnemers daaraan is DP World (vrij vertaald het havenbedrijf van Dubai). Philippe Beaujean, Commercial Manager bij DP World, vertelde hoe de locatiekeuze van deze gigant tot stand kwam. Een mooie mix van strategie en opportunisme. Het bedrijf had als strategie te focussen op zeehavens, maar bouwde op een aantal strategische plekken (bijvoorbeeld in Luik) ook binnenlandse havens omdat dat de strategie van het bedrijf versterkte.

Creativiteit als strategie

20140423 SKBN studiereis (75)Datzelfde opportunisme werd ook beloond tijdens de door het Kennislab voor Urbanisme georganiseerde brainstormsessie over het logistieke bedrijventerrein van de toekomst. Nadat Erwin Lammers, Directeur bij POM Vlaams Brabant, ons had verteld over het werk van POM en de groep had rondgeleid over het Cargovil-terrein in Vilvoorde, was de vraag hoe dat terrein (een typisch logistiek bedrijventerrein) 10 x zo goed kon worden. Daarvoor werd de door de studenten van het Kennislab voor Urbanisme geschreven formule gebruikt die stelt dat een 10x zo goede stad uitgaat van verbondenheid, flexibiliteit en betrokkenheid.

Erwin Lammers mocht ook het beste idee benoemen. Hij koos voor de groep die het meest out of the box dacht en flexibiliteit voorop stelde. Maar het was sowieso opvallend hoeveel creativiteit in de groep zit. En dat gaf hoop, want alleen met creativiteit kunnen we het winnen van de Belgen en Fransen.

 

Zo maken we de wijk 10x zo goed

wijk‘Maak de wijk 10x zo goed.’ Met die schijnbaar onmogelijke opdracht gingen de studenten uit het Kennislab voor Urbanisme in Amersfoort op 1 februari 2014 aan de slag. Schijnbaar onmogelijk, want wie dit ‘trenddocument’ leest, vindt het opeens heel gemakkelijk. We hoeven, als urbanisten, het werk van de studenten alleen nog maar uit te voeren. Ik ben dan ook heel blij met dit resultaat en trots op de studenten die dit hebben gemaakt.
Laatste update: we hebben een adoptieplan! (meer…)

Democratisering netwerksamenleving

Regelmatig borrelt de vraag op hoe we de democratie kunnen hervormen. Veel antwoorden gaan niet verder dan wat aanpassingen op het bestaande model. En zeker dan is het inspirerend om naar de bovenstaande Ted-lezing van Clay Shirky te bekijken. Hij neemt open source modellen van Git-Hub die gebruikt worden bij de ontwikkeling van Linux als uitgangspunt voor de netwerksamenleving. Fascinerend. Het leidde in het Lab voor Hoge Druk tot een inspirerende discussie.

Kennislab in De Morgen: “Slimme stadsontwikkeling kan crisis tegengaan”

artikelDeMorgen

Kun en mag je bezuinigen op stadsvernieuwing? Ook in Antwerpen is dat momenteel een actuele vraag die de gemoederen in de Vlaamse vakwereld danig in beroering brengt. Zo erg dat dagblad De Morgen (het Vlaamse zusje van onze Volkskrant) geen deskundigen kon vinden zonder belang en haar heil zocht in Engeland en in Nederland. In Engeland klopte ze aan bij de London School of Economics, bij ons bij het Kennislab voor Urbanisme. We gaven graag onze visie. En delen met net zoveel plezier het interessante verhaal met u.

Kennislab in De Morgen: “Slimme stadsontwikkeling kan crisis tegengaan”

artikelDeMorgen

Kun en mag je bezuinigen op stadsvernieuwing? Ook in Antwerpen is dat momenteel een actuele vraag die de gemoederen in de Vlaamse vakwereld danig in beroering brengt. Zo erg dat dagblad De Morgen (het Vlaamse zusje van onze Volkskrant) geen deskundigen kon vinden zonder belang en haar heil zocht in Engeland en in Nederland. In Engeland klopte ze aan bij de London School of Economics, bij ons bij het Kennislab voor Urbanisme. We gaven graag onze visie. En delen met net zoveel plezier het interessante verhaal met u.

Hoe leiden smart cities tot smart gebiedsbeheer?

Gouden Piramide 2013

Waar stad en data samenkomen, valt al snel de term smart city. De impact ervan laat zich lastig duiden. In elk geval staat vast dat data een grote invloed hebben op onze kennis van de stad, op het gebruik van de systemen in de stad, en niet in de laatste plaats op het gebruik van de stad als geheel. Ook de manier waarop we met elkaar samenwerken in gebiedsontwikkeling wordt erdoor beïnvloed. Samen met founding partner Yvonne van Remmen (ministerie van I&M) schreef hoofdlaborant Jan-Willem Wesselink daarover dit essay voor het Gouden Piramide Jaarboek 2013.

‘Wat je plant als leefbaar wordt vaak onleefbaar’

Brüderstrasse Bochum

‘Wat je plant als leefbaar wordt vaak onleefbaar’, dat was de boodschap van hoofdspreker Bas Haring tijdens Stad en Ruimte. Een boodschap die er met enige aarzeling in ging bij het publiek dat voor een groot deel uit ontwerpers bestond. In één zin wist Haring de moeilijkheid van hun werk samen te vatten. Haring, schrijver en filosoof, betoogde dat je als stad goed moet bedenken wat je kerndoelen zijn. Dat is niet de fysiek zo mooi mogelijke stad aanleggen, maar streven naar leefbaarheid en identiteit. Wat weer niet wil zeggen dat niets ontworpen moet worden. (meer…)

Maak volgende Floriade gewoon (bijna) gratis

Nederlands paviljoen op de Floriade

Opeens raak ik op Twitter in een debatje over de Floriade. Inzet is de vraag of het event is gelukt of niet. Dat weet eigenlijk niemand, wat niet zo raar is, want het ligt er maar net aan hoe je rekent. Focus je alleen op korte- of langetermijnbaten? Wat zijn gecreëerde banen waard? Wat is de PR-waarde voor Venlo? En had je dat bedrag anders ook geïnvesteerd? Wat doet de Floriade voor de BV Nederland? Voor welk bedrag schuif je de aangelegde wegen door naar de volgende eigenaar? Enzovoorts. Het lijkt mij een erg lastige rekensom die je altijd in je voordeel kan laten uitvallen. (meer…)

Wat gaan gemeenten doen met leegstaande megastores?

niketown ny

In een aantal gemeenten worden momenteel megawinkelcentra geopend. In Amersfoort bijvoorbeeld opende onlangs het Eemplein. Belangrijke spelers zijn de zogenaamde megastores. Media Markt, Saturn, AHXL, enzovoort. Het is een nogal laat antwoord op een ontwikkeling die in de jaren ‘80 de Franse plattelandsstadjes leegzoog: winkels op bedrijventerreinen. Op zich zijn de Eempleinen een intelligent antwoord: je houdt de winkels in de stad, vaak dicht bij de oorspronkelijke binnenstad, maar geeft toch ruimte aan megastores. (meer…)

De mobiele-internet-revolutie verandert de stad volledig. Doe mee (en profiteer ervan).

smartphones

In 2012 maakte 96% van alle Nederlanders tussen 12 en 75 jaar gebruik van internet. Praktisch iedereen dus. En meer dan de helft van hen (zes op de tien) deed dit ook mobiel. In 2011 was dat nog maar de helft en in 2007 een op de vijf. Als die groei zo doorzet, duurt het nog een paar jaar en iedereen heeft een smartphone in zijn binnenzak of tablet in haar tasje. (meer…)

Autismevriendelijke stad

autisme (klik voor filmpje)

In 2011 haalde een opvallend onderzoek de Nederlandse kranten: in Eindhoven woont een aanzienlijk hoger percentage scholieren met een autistische stoornis dan in de rest van Nederland. We houden even een slag om de arm omdat definities van autisme lastig zijn en het onderzoek Eindhoven vergeleek met twee andere steden (en niet met heel Nederland), maar grofweg is het percentage twee keer zo hoog in de slimste stad van Nederland. (meer…)

Hierom is het Kennislab voor Urbanisme zo interessant voor studenten met een niet-ruimtelijke studie


Vaak wordt gedacht dat het Kennislab alleen interessant is voor studenten en vakprofessionals die bezig zijn met de fysieke kant van de stad. Niets is minder waar. De stad is in de eerste plaats een verzameling mensen die werken, liefhebben, sporten, creëren, luieren, zorgen, huilen, lachen, groeien, hopen, wonen, zijn. En daar hebben ze gebouwen, straten, wegen, pleinen voor nodig. Maar vooral elkaar. Hoe ze dat doen, daar gaat het ook om. En dat maakt het lab erg interessant voor iedereen met een sociale of economische studie of vakachtergrond.
Wil je meedoen als student? – Kijk hier.
Interesse om aan te sluiten als partner? Klik hier.

Zo ziet urbanisme eruit


Urbanisme wordt nog vaak één op één geassocieerd met stenen, stedebouw en andere fysieke zaken. Deels klopt die associatie ook. De stad is sociaal, economisch en ook fysiek. Maar niet alleen maar. Het blijkt lastig om dat beeld te weerleggen.
Gelukkig is er nu de fantastische site This is Now. Ga naar de site http://now.jit.su, klik op een van de steden, wacht even tot de boel geladen is en dan ontvouwt zich een constant veranderende collage. Die wordt samengesteld door met Instagram gemaakte foto’s in de betreffende stad naast elkaar te zetten. Het levert een vloeiend verhaal uit de stad op. Urbanisme werd nog nooit zo mooi in beeld gebracht. Kijk bijvoorbeeld in Londen, Tokio of Las Vegas.

Wat is de mooiste muziek over de stad?

Dit is niet de meest inhoudelijke post die we op deze site plaatsen, maar wel een erg leuke. Want wij zoeken de mooiste muziek over ‘Stad en Ruimte’. Die willen we namelijk laten horen tijdens het vakevenement Stad en Ruimte op 17 en 18 april in Ede.
Maar dat is niet de belangrijkste reden. We doen het vooral omdat het leuk is om ook zo over Stad en Ruimte na te denken. Om er ook zo van te genieten.
Dus… welke muziek past het beste bij het vak ‘Stad en Ruimte’? Zet het in onze Stad en Ruimte Afspeellijst op Spotify. En luister direct naar wat anderen hebben toegevoegd. Hoe werkt het? (meer…)

Trends watchen


In 2005 verscheen het eerste nummer van het vakblad Bedrijventerrein. In een van de eerste nummers schreven we een artikel waarin de vergelijking werd getrokken tussen lege bedrijventerreinen in Friesland en lokvliegtuigen in de Indonesische oerwouden. De bewoners van de Indonesische oerwouden die zo afgelegen woonden dat ze het bestaan van de moderne wereld niet kenden, zagen op een dag vliegtuigen over zich heen vliegen. Toen de eerste angst verdwenen was, probeerden ze die grote vogels te laten landen. Daarvoor gebruikten ze een truc die ze kenden: lokvogels. Ze bouwden vliegtuigen na van hout en stelden die zo zichtbaar mogelijk op. (meer…)

Welkom in de stad (van web) 4.0

Het grote verschil tussen mensen van boven en onder de zeventien is dat zij social media uitzetten en wij (ik neem aan dat u ook al volwassen bent) social media aanzetten. We zijn er niet mee opgegroeid en dus zullen we nooit ten volste de mogelijkheden en impact ervaren. Natuurlijk, we doen ons best. En we begrijpen het ook. Rationaal. Maar niet emotioneel. We blijven immigranten in het land van Twitter, Facebook en LinkedIn.
Af en toe is het goed om je dat te beseffen. Zeker als urbanist, stedebouwer of bedenker van werklandschappen en bedrijventerreinen. (meer…)

Worden we gelukkig van een efficiënt leven in de stad?

Afgelopen vrijdag was ik in Londen op bezoek bij The Crystal van Siemens. Een absolute aanrader. In de gratis tentoonstelling laat Siemens zien met welke problemen onze steden de komende jaren te maken krijgen en hoe we die kunnen oplossen. Ik schrok daarbij toch nog weer van de problemen en was blij verrast door de mogelijkheden. Bovendien kun je daar zelf mee spelen. De tentoonstelling is erg interactief en daardoor ‘great fun.’ Bovendien is een bezoekje aan The Crystal mooi te combineren met een boottochtje per waterbus over de Thames (opstappen bij The London Eye, uitstappen bij North Greenwich) en de kabelbaan (over de Thames van North Greenwich naar Royal Victoria). Al met al kost je zo’n middag omgerekend een tientje en je ziet enorm veel van Londen. (meer…)

Web 4.0 komt eraan (en wat betekent dat voor de stad?)

Hoe gaat de stad veranderen onder invloed van web 4.0? Wat is web 4.0 eigenlijk? En hoe kunt daar als stedebouwer op inspelen

De tijd van automatische groei is voorbij. Dat is jammer, want groei zorgde voor een automatische geldstroom naar steden. Groei zorgde voor werkgelegenheid, voor economische groei en uiteindelijk weer voor meer fysieke groei. Zolang alle steden groeiden, konden ze allemaal woonwijken en bedrijventerreinen bouwen. Het was een perpetuum mobile dat natuurlijk een keer uit de bocht moest vliegen. Dat is gebeurd. Groei is niet meer vanzelfsprekend (hoewel in de Randstad nog steeds woningen nodig zijn) en de goede plekken gaan het winnen van de slechte plekken. Maar wat is een goede plek? Hoe win je? Door te begrijpen hoe de moderne mens functioneert. (meer…)

Hoe maak je van bejaarden de redders van de stad?


Naar het schijnt bezitten alle senioren (of bejaarden of ouderen of hoe ze ook willen dat je ze noemt) bij elkaar zo’n veertig miljard euro aan stenen en centen. Dit is een schatting. Het kan ook een paar miljard meer zijn, of minder. Veel van dat geld zit vast. Aan de ene kant in de woning en aan de andere kant op bankrekeningen. Natuurlijk is de ene oudere  de andere niet, je hebt arme en rijke 65plussers, maar het bedrag is enorm. Een wat morbide rekensom leert ons dat de komende decennia miljarden aan de overheid vervallen via successierechten, dus zo wordt een deel van het begrotingstekort vanzelf gevuld. De kunst is echter om dat geld veel eerder te krijgen. Dat is goed voor herstel van onze economie in het algemeen en van de stad in het bijzonder. En ook voor de oudere.

De gemakkelijkste oplossing zou zijn om allerlei voordeeltjes die nu nog gelden voor 65plussers af te schaffen of in veel sterkere mate inkomensafhankelijk te maken. Al is het maar omdat daarmee de emancipatie van de oudere een dienst wordt bewezen. Maar het is niet echt erg sympathiek en bovendien niet effectief, veel geld zit immers vast in woning en daar kunnen die oude bejaarde 65plussers ook niet zoveel aan doen. Wie een huis heeft, heeft niet per se geld.

Nee, de kunst is om een win-win te creëren, waarbij senioren met liefde en plezier hun geld uit de woningen halen en in de economie pompen. Dat is eenvoudiger dan vaak wordt gedacht. Bedrijven als VitaalZorgVast in Nederland en The ExtraCare Charitable Trust in Birmingham snappen precies hoe dat moet. We kunnen het in twee stappen samenvatten:

Stap 1: Bied een dienstenpakket dat volledig aansluit bij de wensen van de oudere. Prettige woning, aangename zorg maar vooral al het andere dat het leven aangenaam maakt: fijne mensen, leuke dingen om te doen.

Stap 2: Financier het. Wie een huis heeft, heeft geld. John Payne, directeur van The ExtraCare Charitable Trust overtuigt ouderen stap voor stap dat ze hun woning dan maar voor minder geld op de markt moeten zetten met als belangrijkste argument: ‘Wat heeft u liever: tien jaar of vijftien jaar heel aangenaam leven of 10.000 euro extra overwaarde?’

Het mes snijdt aan twee kanten, of eigenlijk drie. Niet alleen komen er betaalbare woningen op de markt, het geld dat de eigenaren daarvoor krijgen geven ze ook nog eens actief uit. Maar het leidt er vooral toe dat senioren een prettig leven hebben. Een leven dat niets te maken heeft met bejaard of oud zijn, maar met mens zijn.

Ook geredde Kuip doet niets met lokale economie

In Rotterdam is een dorpsrelletje ontstaan over de bouw van het nieuwe voetbalstadion van Feyenoord. De argumenten zijn redelijke bekend, ook als je je niet in de case hebt verdiept. Volgens de voorstanders voldoet de Kuip niet meer aan de eisen van de tijd en is mooi beter. Volgens de tegenstanders is sloop zonde en ze spelen de emotionele kaart.
Wonderlijk in deze discussie is dat er eigenlijk geen nieuwe argumenten worden gebruikt. De grootheidswaan van de voorstanders en de nostalgie van de tegenstanders, het is alsof je naar een oude grammofoonplaat zit te luisteren, inclusief alle tikken en butsen die er bij horen. Persoonlijk ergert mij overigens vooral de grootheidswaan van de voorstanders. Een paar jaar geleden was Feyenoord zo ongeveer failliet en bijna gedegradeerd bovendien. Alleen dankzij een aantal mecenassen kon de club blijven bestaan. Vorig jaar speelde de club een goed seizoen, maar het is maar weer afwachten of dat zonder Guidetti ook lukt. Kortom, wees realistisch. Misschien wordt Feyenoord ooit wel weer de topclub die ze ooit was, maar op dit moment is het midden van het linker rijtje wat realistischer.
Een ander argument van de voorstanders is dat een nieuw stadion multifunctioneel kan worden gebruikt. Voor concerten enzo. Hun argument is dat dat nu niet gebeurt, omdat de Kuip niet voldoet. Het is de vraag of de markt echter behoefte heeft aan nog een megazaal naast de Ziggodome, de HMH, de Amsterdam Arena en de Gelredome. Oh ja, en naast Ahoy natuurlijk, dat slechts een klein stukje verderop ligt. Dat neemt overigens niet weg dat het best raar is om zoveel miljoen te investeren in een stadion dat maar 25 keer per jaar wordt gebruikt.
Maar het meest storende is dat de voorstanders dit soort plannen presenteren in een stad waarvan een flink deel van de bevolking (zeker op Zuid) rond de armoedegrens leeft. Wie gaat er nou, midden in de crisis, in Rotterdam zo’n megalomaan plan presenteren?

Maar dat is ook een zwaktepunt in het plan van degenen die de Kuip willen redden. Op de site van Red de Kuip staat nergens hoe het de gerenoveerde Kuip beter aansluit bij Feyenoord en de Afrikaanderwijk. Eigenlijk is de oplossing van de tegenstanders al net zo gefocust op de uitstraling van de Kuip als dat van de voorstanders. Het enige echt sterke argument dat ze er aan toevoegen is dat sloop eeuwig zonde is en nostalgie is een mooie emotie bij voetbal.
Maar verder? Hoe gaat de geredde Kuip Rotterdam Zuid verder helpen? Hoe zorgen de nieuwe plannen voor een economische impuls in het gebied? Ik lees het nergens. Voor- en tegenstanders verwachten een mega-investering van de stad en de gemeenschap, maar leggen nergens uit hoe dat geld wordt terugverdiend. Dat is wel heel erg ouderwets. Wat dat betreft kan Rotterdam Zuid meer verwachten van Hennie van der Most die vele banen belooft bij zijn plannen voor Speelstad Rotterdam.

2 goeroes in 1 week (en via het Kennislabkrijgt u er een voor de helft)

Twee goeroe’s in één week, is dat niet een beetje veel? Wel voor wie ze allebei wil zien. En allebei moet betalen. Daarom krijgt u via het Kennislab voor Urbanisme bij aanschaf van één goeroe, de andere voor de helft.

Goeroe 1 is David Garcia. Hij spreekt tijdens het Nationaal Water, Wonen & Ruimte Congres op 27 september in Rotterdam. Garcia schopt tegen de rol van dijken. En bedacht een heel interessante invulling van de Rotterdamse wijk Heijplaat. Omstreden, maar interessante gedachten. Een goeroe waar we nog veel van gaan horen. Lees hier alvast een interview met hem.

Goeroe 2 is Indy Johar. Hij is te horen tijdens het Nationaal Bedrijventerrein Congres op 3 oktober in Venlo. Johar denkt op een heel vernieuwende manier over onze economie. En over hoe die moet worden vormgegeven. Een goeroe om direct van te leren. Lees hier een interview of bekijk hem op YouTube.

U kunt natuurlijk een van beide goeroes bekijken. Meld u dan rechtstreeks aan via de congreswebsites. Maar allebei kan ook en dan krijgt u bij aanschaf van Johar, Garcia voor half geld. Gewoon omdat twee goeroes in één week, best duur is. Wilt u dat? Mail dan naar j.wesselink@kennislabvoorurbanisme.nl

Bloemkoolwijken zijn het antwoord op alle trends van Edelkoort

De Zomergasten-aflevering met Lidewij Edelkoort van 12 augustus zet aan tot denken. Kort en bondig: volgens Edelkoort is het ik-tijdperk definitief voorbij. We leven volgens haar in een nieuw wij-tijdperk, we willen weer dingen samen doen. Een andere trend is volgens haar de mogelijkheid om geheel nomadisch te leven. Met een laptop, smartphone en tablets kun je overal werken (en dus leven) waar wi-fi of 3G beschikbaar is. Mits je werk zich natuurlijk op een laptop kan afspelen.

Een derde trend die mij opviel gaat over de personifiëring van de industrie. Volgens haar wordt de industrie weer lokaal waarbij we onze schoenen, kleding en wat niet meer volledig persoonlijk kunnen maken. Spullen krijgen zo een ziel en zo kom je ook op een andere trend: het einde van de marketing. Spullen moeten je bijna letterlijk aanspreken.

De vraag is hoe je deze trends moet doorvertalen naar de openbare ruimte. Edelkoort zegt dat we overal kunnen zijn, maar dat niet willen. We willen tussen mensen en spullen zijn die bij ons passen en bij ons horen. En dat we de plekken waar we ons thuis voelen, dus veel nauwkeuriger gaan uitkiezen. Als je overal kunt zijn, waarom ben je dan hier? Omdat hier gebeurt wat je interessant vindt. Met de mensen die je boeiend vindt. Maar ook zonder de mensen en spullen die je niet boeiend vindt.

Deze trend staat volledig haaks op het idee dat de openbare ruimte overal en altijd bedoeld is voor iedereen. Een deel van de openbare ruimte is dat wel. Transitieruimtes als wegen, stations, vliegvelden zijn voor iedereen. En een bepaalde vorm van eenduidigheid, overzichtelijkheid en anonimiteit maakt die plekken juist aangenaam. Maar de plekken waar we willen zijn om te wonen en werken moeten uniek zijn. En alleen bedoeld voor de groep die er woont, werkt, leeft.

Dat sluit ook aan op een trend die ik Edelkoort niet hoorde noemen, maar er wel is: de terugtrekkende overheid. Als we willen dat mensen zelf de verantwoordelijkheid nemen over hun wijk of buurt, moeten ze zich er wel mee kunnen identificeren. Het moet hun plek zijn.

De opgave voor de komende jaren is om die plekken te vinden, te maken of te versterken. En het kan, want gelukkig ligt er een enorme potentie in de jaren-zeventigwijken. Ook gebouwd in een wij-tijdperk. Al die woonerven en bloemkoolwijken bieden een ideale structuur  waarin unieke buurtjes kunnen ontstaan. De stad die dat voor elkaar krijgt, kan er weer jaren tegenaan.

In gesprek met Zuthpen? Negatief tweeten maar.

Wie in contact wil komen met de gemeente Zutphen, moet wat negatieve tweets posten over de gemeente, raadsleden, wethouders en het liefst ook ambtenaren. Voor je het weet ontvang je een brief met een uitnodiging tot gesprek.

Het relletje van vandaag speelde af in Zutphen waar boze burger Marcel van den Breemen al twee jaar in conflict is over volgens hem veel te hoge energiekosten in de duurzame wijk De Teuge. Als ik het allemaal goed begrijp (er staat veel over het conflict op internet, zowel bij de gemeente als bij de belangenvereniging van De Teuge) gaat over een schadevergoeding die volgens de burgers te laag is en te laat komt. Dat laatste is niet zo gemakkelijk op te lossen (hoewel, gemeende excuses altijd helpen), dat eerste wel. Een jaar of tien geleden schreeuwde gemeente van de daken hoe duurzaam het allemaal wel niet zou worden in De Teuge, dan moet je ook je verlies nemen als het allemaal niet lukt. Ook als dat echt geld kost.

Kortom, op het eerste gezicht niet zo’n heel ingewikkeld conflict. En misschien vindt de gemeente Zutphen dat ook wel niet en vindt ze juist dat ze heel snel reageert door binnen twee jaar een noodfonds in te richten. Gemeentelijke molens malen niet zo heel snel als burgers willen. Maar Van den Breemen ervaart dat anders en twitterde dat wethouder Rik de Lange boter op het hoofd heeft. En hij ontving vervolgens dus een brief van de gemeente dat dat niet geaccepteerd wordt. Vreemd, want echt heel schokkend is het allemaal niet in de twitterhistorie van Van den Breemen, maar wie weet heeft hij die vakkundig opgeschoond na zijn vakantie in Italië. Van den Breemen moppert via Twitter op wethouders en raadsleden. En zegt dus dat De Lange boter op zijn hooft heeft. Maar dat is het dan wel.

En toch kwam de brief. En daarmee haalde Van den Breemen eerst de lokale pers en daarna de gansche vaderlandse pers tot Hart van Nederland en het Radio-1-journaal aan toe. Op zoveel aandacht voor zijn conflict, had hij nooit durven hopen.

Twitter is een fantastisch medium om te weten wat er speelt in je gemeente, bedrijf, voetbalclub of wat dan ook. Nog nooit was luisteren naar de burger zo gemakkelijk. Nog nooit kwam je zo eenvoudig in contact met de bevolking. Maar hoe ga je vervolgens om met al die meningen, opmerkingen, reacties, tweets? Hoe luister je naar burgers? Hoe reageer je daar op? Daar kan Zutphen blijkbaar wel een workshopje moderne burgercommunicatie bij gebruiken. Want de schade is groot: Zutphen is het lachertje van Nederland en wordt vergeleken met Noord Korea, de lokale VVD is boos en de gemiddelde Zutphense ambtenaar gaat waarschijnlijk met minder lol naar zijn werk. Ik zou me zelf in ieder geval kapot schamen.

Ronald Lubbers is de Quintus Vibius van Emmen

In de eerste eeuw na Christus investeerde Quintus Vibius ongeveer 100.000 sestertii in de bouw van het amfitheater van de Toscaanse stad Lucca. Quintus Vibius was een vooraanstaande burger van de stad en vond het blijkbaar belangrijk dat de stad een fatsoenlijk amfitheater had. En hij was een vermogend man, want 100.000 sestertii kun je vergelijken met ongeveer anderhalve ton in euro’s. Geen gering bedrag dus voor een particulier.

In tweeduizend jaar is er maar weinig veranderd. De moderne Quintus Vibius van Emmen heet Ronald Lubbers, hij redde voor de tweede keer in de geschiedenis de lokale FC door zelf tijd en geld te investeren en tien andere bedrijven te vinden die dat ook deden. In het komend nummer van Maatschappelijk Vastgoed leest u een interview met hem.

Het verhaal gaat erg in op de financiële constructie die is gemaakt, maar volgens mij is dat voor Lubbers niet waar het om draait. Lubbers is projectontwikkelaar en hij zou moeten weten dat investeren in FC Emmen niet zo heel slim is. De club stond al twee keer eerder op de rand van faillissement, speelt al jaren onderaan in het rechterrijtje van de Jupiler League en heeft sinds de oprichting in 1985 meer wedstrijden verloren dan gewonnen.

Maar er kwamen zelfs in het dramatisch verlopen afgelopen seizoen (Emmen werd laatste) kwamen er gemiddeld elke week 2348 mensen naar het stadion. Dat is aanzienlijk meer dan er naar het lokale theater gaan. Bovendien zijn het mensen die leven voor hun club. Op YouTube is een uitzending van RTV Drenthe te bekijken en waarin ze bijna letterlijk de voeten kussen van redder Lubbers.

In het interview stelt Lubbers dat de club ook ‘van maatschappelijke betekenis’ moet zijn. Daar kun je het op het eerste gehoor moeilijk mee oneens zijn. Maar aan de andere kant, de voetballers en overige werknemers van FC Emmen verdienen geen miljoenensalarissen. Is het dan niet voldoende dat ze gewoon goed voetballen en de 2348 mensen op de tribune een prettige avond bezorgen? Ik denk dat die 2348 Emmen-supporters liever zien dat hun FC niet als 18e, maar als 1e eindigt in de eerste divisie. En, verwachten we van de medewerkers van het theater, basisschool of ziekenhuis ook dat ze naast hun reguliere werk van maatschappelijke betekenis zijn? Ook zij worden betaald met gemeenschapsgeld.

Wie alleen maar naar de kille cijfers kijkt, zou de meeste betaald voetbalclubs in Nederland direct failliet laten gaan. Maar het gaat niet alleen over cijfers. Wat blijft er nog over van de stad als je alleen maar op die manier denkt? Dan kun je de meeste steden in krimpregio’s maar beter opheffen. De stad wordt dan een kille verdienmachine.

En natuurlijk moet er geld worden verdiend. Maar het moet ook worden uitgegeven. Gelukkig zijn er mannen als Ronald Lubbers en Quintus Vibius die dat doen. Die vinden dat de stad beter af is met een voetbalclub of amfitheater.

Waarom heeft Toscane de mooiste pleinen? En wat kunnen we er van leren?

Hoe kan het dat de mooiste pleinen van de wereld in Toscane liggen? Il Campo in Siena is het mooiste centrale stadsplein en Piazza dell’Anfiteatro (zie foto) in Lucca het mooiste hoogstedelijke woonplein. Natuurlijk vertekent het vakantiegevoel en het mooie weer het beeld, maar de pleinen zijn ook heel goed gemaakt. Il Campo lijkt een soort tribune voor het stadspaleis en hoe druk het er ook was toen ik er rondliep, de sfeer was relaxed.

Het Piazza dell’Anfiteatro in Lucca (stiekem de leukste stad van Toscane) is gebouwd op de locatie van een Romeins amfitheater, wat de ovale vorm verklaart. Ook de toegangspoorten schijnen nog Romeins te zijn. Volgens de informatie die er op internet over het plein staat, is het min of meer toevallig behouden gebleven. Veel Romeinse steden hadden een amfitheater, maar slechts in weinig steden is het een plein geworden. In Lucca wel, hoewel de waarde van het plein pas in de negentiende eeuw echt werd erkend. De bebouwing op het plein werd daarna opgeruimd en het plein werd het marktplein van de stad.

Nu is het een van de weinige echt open ruimtes in het oude centrum van Lucca. In de woningen rond het plein, zijn winkeltjes, cafés, gelateria’s en galeries gevestigd. Dat geeft leven aan de plint en een deel van het plein. De rest van het plein was leeg toen ik er was en ligt er gewoon te liggen.

Il Campo en het Piazza dell’Anfiteatro verschillen vooral. Functie, vorm en ontstaansgeschiedenis laten veel tegenstellingen zien. Wat ze gemeenschappelijk hebben is het gevoel voor menselijke maat. Dat zit in de bebouwing om het plein. Die kent (bij beide pleinen) een gemeenschappelijke vormentaal, maar is verder aangenaam divers. Vooral bij het Piazza dell’Anfiteatro kan je je bij elk venster een bewoner voorstellen. En bij elk gebouw een verhaal. Dat maakt het Piazza dell’Anfiteatro opeens heel actueel. Want meer dan ooit zijn plekken met een verhaal in trek. Daarmee lijkt het Piazza dell’Anfiteatro niet alleen op Il Campo, maar ook op Shoreditch in Londen (en op Notthing Hill voor het zo hip werd dat het saai is), op Neu Kölln in Berlijn, maar ook op het Havenkwartier in Deventer en de Wagenwerkplaats in Amersfoort. Ook dat  zijn plekken met verhalen. Of plekken waar je een verhaal kunt beginnen.

De stad in het nomadische, gepersonaliseerde, zielvolle wij-tijdperk

Gisteravond was Lidewij Edelkoort te gast bij Zomergasten. Hoewel het op zo’n  avond over van alles en ook vaak over niets gaat, gaf Edelkoort een interessant gastcollege (een interview kan je het haast niet noemen, Jan Leyers is vooral gastheer) over de toekomst. Wie het niet gezien heeft, moet de komende anderhalve week (daarna is het niet meer te zien op uitzending gemist) een uurtje vrijmaken om toch in ieder geval naar Edelkoort te luisteren.

Interessant is dat volgens haar het ik-tijdperk definitief voorbij is. We leven in een nieuw wij-tijdperk. Een andere trend is volgens haar de mogelijkheid om geheel nomadisch te leven. Kort door de bocht komt het er op neer dat je overal kunt werken (en dus leven) waar wi-fi of 3G beschikbaar is. Mits je werk zich natuurlijk op een laptop kan afspelen. Een derde trend die mij opviel gaat over de personifiëring van de industrie. Volgens haar wordt de industrie weer lokaal waarbij we onze schoenen, kleding en wat niet meer ook volledig persoonlijk maken. Spullen krijgen zo een ziel en zo kom je ook op een andere trend: het einde van de marketing. Spullen moeten je bijna letterlijk aanspreken.

Al deze trends hebben direct invloed op hoe de stad functioneert. Het bevestigt de al langer bestaande trend waarbij de plek veel belangrijker wordt dan de functie. Functies kunnen overal. Plekken zijn uniek. En als ik overal kan zijn, waarom ben ik dan hier? Omdat hier gebeurt wat ik interessant vind. Met de mensen die ik boeiend vind. Steden die willen overleven moeten die plekken laten ontstaan.

Indy Johar: ‘Nieuwe economie lijkt op gildesysteem’


‘We zitten op dit moment in de overgang van het ene economische model naar het andere. We hebben te veel schulden: financieel, CO2, noem maar op. Dat is veroorzaakt door doorgeslagen individualisering die begon tijdens de Verlichting. Daardoor zijn we het zakendoen als geïsoleerde activiteit gaan zien, net zoals het milieu werd gezien als een op zichzelf staand systeem. Dat is natuurlijk onzinnig en we zijn nu op een punt waarop we dat ook inzien. Het antwoord in deze eeuw is de relatie-economie. Maar daarvoor hebben we een nieuwe set aan gedragsregels nodig alsook een nieuw financieringsstelsel. Daarvan is het begin al duidelijk zichtbaar. De relatie-economie, of peer-to-peer-economie, gaat gelijk op met de opkomst van social media en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat zijn verschillende kanten van dezelfde medaille.

De crisis is volgens mij een stuiptrekking van het oude systeem. Ik denk niet dat je die oude economie, de economie van de schaal, moet repareren. Je moet op de nieuwe golf gaan surfen en afscheid nemen van de oude. Opvallend genoeg lijkt dat nieuwe erg op het middeleeuwse gildesysteem, maar dan in een internationale context. Het is een micro-globalisering.’

Aldus Indy Johar. Lees hier het hele artikel. In de rest van het artikel geef hij ook een antwoord op zijn theorie, namelijk de Hub.
Indy Johar is hoofdspreker op het Nationaal Bedrijventerrein Congres op 3 oktober in Venlo (Floriade). Zie www.nationaalbedrijventerreincongres.nl. Ter voorbereiding daarop komt dit artikel in het vakblad Bedrijventerein. Ik ben benieuwd wat u er van vindt. Klopt zijn visie? Graag uw reactie. De meest interessante reacties worden geplaatst in Bedrijventerrein.

Jan-Willem Wesselink

Droom en doe, wees onrealistisch realistisch


Gistermorgen heb ik ademloos gekeken naar de landing van André Kuijpers op de steppen bij Kazachstan. Gefascineerd door de bizarre precisie waarmee de operatie werd verricht. Op de minuut en de meter nauwkeurig landde de capsule. Binnen het uur belde Kuijpers met zijn vrouw in Houston. Alsof het een busritje was.

Deze column gaat over bevlogenheid. Want de passie en bevlogenheid die hoort bij André Kuijpers (kijk maar eens naar zijn tweets, foto’s, blogs enzovoort) deed me denken aan de wereldberoemde speech die John F. Kennedy op 12 september 1962 gaf op Rice University. Toevallig zag ik die speech een paar dagen eerder (voor het eerst) tijdens het evenement dat wij met TBV Wonen hielden in Tilburg (bedankt Derk Jan Huisman).

De hele speech duurt een kwartier en is hier te zien en hier te lezen.
Beroemd is het volgende stuk:
‘We choose to go to the moon. We choose to go to the moon in this decade and do the other things, not because they are easy, but because they are hard, because that goal will serve to organize and measure the best of our energies and skills, because that challenge is one that we are willing to accept, one we are unwilling to postpone, and one which we intend to win, and the others, too.’
(…)
‘We shall send to the moon, 240,000 miles away from the control station in Houston, a giant rocket more than 300 feet tall, the length of this football field, made of new metal alloys, some of which have not yet been invented, capable of standing heat and stresses several times more than have ever been experienced, fitted together with a precision better than the finest watch, carrying all the equipment needed for propulsion, guidance, control, communications, food and survival, on an untried mission, to an unknown celestial body, and then return it safely to earth, re-entering the atmosphere at speeds of over 25,000 miles per hour, causing heat about half that of the temperature of the sun–almost as hot as it is here today–and do all this, and do it right, and do it first before this decade is out–then we must be bold.’

Het is het soort uitspraken dat hoort bij pioniers, wereldverbeteraars, dromers, architecten. In zijn toespraak maakt Kennedy zijn droom onrealistisch concreet. En toch is het gelukt. Wie de wereld wil veranderen heeft onrealistische dromen nodig die onelastisch concreet moeten worden. Zodat het onmogelijk lijkt. Om ze dan toch te laten lukken. Ook architecten zijn daar goed in. Daniel Burnham zei ooit, ergens in de negentiende eeuw: ‘Make no little plans; they have no magic to stir men’s blood and probably will themselves not be realized. Make big plans; aim high in hope and work, remembering that a noble, logical diagram once recorded will not die.’

De opgaven waar wij nu voor staan heeft eigen ‘logical diagrams’ nodig. De stad verandert en we weten niet waarheen. Daarvoor hebben we tools nodig ‘made of new metal alloys, some of which have not yet been invented’. Dat doen we in het Kennislab voor Urbanisme. We zijn niet het zoveelste platform dat onderzoek naar het waarom van de dingen. Maar we zijn het laboratorium dat wil weten hoe het moet. Dat doen wij. Stomweg omdat iemand het moet doen. Omdat we graag onrealistisch realistisch zijn. Omdat het lastig is. Omdat het nodig is.

Verlangen naar regenten

‘Nederland teruggeven aan de Nederlander’, dat is het doel van de redactie van De Slag om Nederland.  Week na week laten de heren en dame van het programma zien hoe groot de kloof en het wantrouwen is geworden tussen kiezer en gekozene. Om vervolgens die kloof alleen maar te vergroten door de nogal populistische aanpak. ‘Het lachje van de wethouder zegt genoeg’, aldus een van de presentatoren in de uitzending van 30 april. Dat wij en ook hij niet weten waar dat lachje vandaan komt, wordt vergeten. Misschien was de wethouder wel nerveus door de cameraploeg die voor haar stond. Of kwam er opeens een vlucht Sinterklazen voorbij. We zullen het nooit weten.

Het programma laat goed zien hoe megalomaan veel bestuurders (of ze nou bij een de gemeente of de private sector werken) denken. Met als veelbesproken uitschieter de verhuisdrang van KPMG, die veel minder meer milieubewustzijn predikt dan ze zelf is. En ook de geplande nieuwbouw voor Eurojust in Den Haag (van die lachende wethouder) kwam knap onzinnig over in een stad die kampt met veel kantorenleegstand. Je vraagt je oprecht af waarom die bestuurders niet af en toe stoppen en nadenken of ze wel op de goede weg zitten. Beter ten halve gekeerd…

Maar, bewust of onbewust, laat het programma ook goed zien hoe ongenuanceerd veel burgers denken. Omdat hun eigen belang wordt geschaad, zijn ze tegen. En ze doen er alles aan om het gelijk te halen. Dat is formeel hun goed recht, maar toch voelt het niet goed. Want erg democratisch is het allemaal niet dat  een klein groepje mensen zo veel macht heeft. Dat het niet zelden de bovenklasse is (hoog opgeleid, goed verdienend) versterkt mijn ongenoegen alleen maar. Door hun geld, kennis en kennissen houden ze tegen wat ze niet willen.  Ooit bestuurde die laag het land, dat was nog een soort van controleerbaar. Nu blokkeert ze het bestuur via social media, de lokale pers en ‘De Slag om Nederland’. Je gaat bijna terugverlangen naar regenten.

Het is jammer dat De Slag om Nederland niet een iets genuanceerder beeld geeft van de problemen. (Wat dat betreft zijn de programma’s die de VPRO in de week van de stad uitzond, een stuk interessanter.) Waarom geen burgers aan het woord die voor iets zijn? Of bestuurders die twijfelen? Waarom de kloof vergroten? Het is al complex genoeg.

Ga met ons mee naar Oost-Londen en leer van hun aanpak

Op 14 en 15 juni aanstaande gaan we naar Londen. En u kan mee. De reden? We zijn (tijdens het congres Inadec 2012) uitgenodigd door Clive Dutton, hoofd stedebouw van de deelgemeente Newham (waar de Olympische Spelen plaatsvinden). Hij wil ons een aantal projecten laten zien waarmee hij de echte problemen in Oost-Londen wil oplossen. En die problemen liegen er niet om. Grote werkloosheid, een slechte woningvoorraad, sociale onrusten. Oost Londen wordt niet voor niets de grootste achterstandsbuurt van Europa genoemd.

Maar er wordt ook gewerkt aan oplossingen. En er zijn kansen. En die laat Dutton ons zien. Niet omdat we ze een op een kunnen kopiëren (Oost-Londen is geen Rotterdam-Zuid) maar omdat het ons kan inspireren. We gaan op zoek naar de drijfveren achter zijn beslissingen. Dat doen we op 15 juni.

Op 14 juni bekijken we aantal andere interessante projecten in de stad. Het hippe winkelcentrum Boxpark bij Shoreditch bijvoorbeeld. Of de ontwikkelingen bij station Kings Cross. We spreken met betrokkenen en laten ons door hen inspireren. In alle gevallen gaat het er om hoe kleine initiatieven de lokale economie kunnen bevorderen. En over de vraag of en hoe we daar in Nederland wat mee kunnen.

Natuurlijk bekijken we ook het Olympisch park.

Wilt u mee? Stuur dan een mail met uw naam en adresgegevens naar Tessa van der Heidenvia t.vanderheiden@elbamedia.nl . De reis kost 895 euro (door de Olympische Spelen zijn overnachtingen en vluchten momenteel helaas wat duurder dan normaal). Dat is inclusief de vlucht op City Airport (dat midden in Oost-Londen ligt en dus erg handig is), vervoer ter plaatse, één overnachting, ontbijt, diner en lunches. Vanaf 10 deelnemers gaat de reis door. Inschrijving sluit op 15 mei.

PS – Uiteraard komt er een uitgebreider programma op de site te staan. Reken op een lekker vol programma met veel inspiratie en ook genoeg tijd om elkaar te leren kennen.

Wie maakt de stad?

Is stedebouw een fysiek of een sociaal vak? In de VPRO documentaire Urbanized is dat in feite de vraag. Die wordt door tal van specialisten beantwoord of versterkt. Wat overblijft is het enthousiasme over de eeuw van de stad. ‘Voor stadsliefhebbers is dit een fantastische eeuw’, aldus een van hen. Mooie inspirerende uitspraak van Edgar Pieterse van het African Centre for Cities: ‘Je hebt maar kleine groep voorlopers nodig om zaken te veranderen in steden.’ http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1249273

 

De toekomst van de stad

Hoe ziet de stad van de toekomst eruit? Bij het woord toekomst denken we graag aan vliegende auto’s, maar wie de uitzending van VPRO’s Tegenlicht van afgelopen maandag heeft bekeken (http://tegenlicht.vpro.nl/afleveringen/2011-2012/Smart-City-UnLtd-.html), begrijpt dat het veel ingewikkelder is. De toekomst is vooral een uitvergroting van het verleden: de trek naar de stad blijft. De vraag is hoe we reageren. Die opgave is geen stedebouwkundige, maar een sociale en economische vraag. Tegelijkertijd zijn bedrijven als Siemens en Ikea bezig met het formuleren van antwoorden op die vraag. Kijken dus naar die uitzending van Tegenlicht.

Wat is het nut van de Floriade? Gebiedsontwikkeling!

Ooit was de Floriade een wereldtentoonstelling over de tuinbouw. De wereld kon zien, ruiken, proeven, voelen wat er te koop was. Dat was handig, want het was de snelste manier om op de hoogte te blijven van wat er in de wereld speelde.

Die wereld bestaat niet meer. Door internet en goedkope vluchten is de wereld zo klein geworden dat je geen miniatuurversie meer nodig hebt. Waarom naar de Spaanse inzending in Venlo gaan als je de informatie van die stand in je broekzak hebt? Het internet is één grote permanente wereldtentoonstelling. Daarover gaat het dus helemaal niet meer op de Floriade. Natuurlijk, er is een uitgebreid congresprogramma. En natuurlijk, de Floriade leidt tot nieuwe ontmoetingen. Maar dat kan veel goedkoper en beter tijdens een goed internationaal congres.

Het gaat volgens mij ook niet over die grote massa’s mensen die de Floriade zien als een leuk dagje uit. Vandaag de Floriade, morgen de Vakantiebeurs en overmorgen weer iets anders. Daar is niets mis mee. We leven in een tijd waarin mensen steeds meer vrije tijd hebben en die moet gevuld. En dus kunnen er op een topdag 40.000 mensen tegelijkertijd terecht op de Floriade. Maar ook dat kan beter en goedkoper. Organiseer een tijdelijk pretpark en doe dat heel goed. Desnoods over landbouw. Nu is in een flink deel van het park weinig tot niets te beleven.

Een andere doelgroep zouden jongeren zijn die via de Floriade in contact komen met de wondere wereld van de tuinbouw. Een interessant argument en wie weet werkt het wel. Maar het is de vraag of al die miljarden dat wel waard zijn. En het antwoord ligt voor de hand, want natuurlijk zijn ze dat niet. De Floriade in Venlo is vooral van nut voor Venlo zelf. Na de Floriade weet de wereld (of een relevant deel daarvan) hoe belangrijk deze stad is op het gebied van tuinbouw en logistiek. Maar het is vooral een prachtige manier om de onrendabele top van het businesspark dat vanaf november op het Floriade-terrein komt te financieren, en het geeft een boost aan het gebied eromheen. De Floriade is de gebiedsontwikkelingsmachine die Venlo nodig had.

De Floriade gaat helemaal niet over land- of tuinbouw, maar over gebiedsontwikkeling anno nu. Waarin belangen zo goed mogelijk worden gecombineerd. Dat is het echte nut van de Floriade.

Kennislab in Londen – BLOG 1: Stad van extremen

Het Kennislab voor Urbanisme is op excursie naar Londen. De komende dagen bloggen ze over hun indrukken.
Londen! De stad van extremen. Rijk en arm leven naast elkaar, maar ze hebben geen contact met elkaar. Er zijn veel sociale problemen die door de inwoners zelf worden aangepakt, iets waar het Kennislab natuurlijk aan geroken moet hebben. Daarom hebben we het risico genomen en de “mindere” wijken van Londen opgezocht.
Na een aantal rondes te hebben gelopen kwamen we aan bij Locality waar we een afspraak hadden met Annemarie Naylor en Steve Clare. Ze wisten zeer enthousiast te vertellen over hun werk.
‘De Engelse politiek heeft in het verleden veel beloften aan de bevolking, maar is deze nooit nagekomen. Hierdoor voelen ze zich in de steek gelaten’, aldus Naylor. De bevolking is gekrenkt en pakt nu zelf initiatieven op. Locality faciliteerd hiervoor. Er worden netwerkevenementen georganiseerd om kennis uit te wisselen. Gemeenschappen worden geholpen om zichzelf vitaler te maken.
Locality doet veel dignen die het KvU graag wil toepassen in Nederland. Ze lopen voor op Nederland, echter zijn de verschillen tussen arm en rijk in Engeland groter. Bewust maken is in Nederland lastiger hierdoor. De opgave voor ons ligt in het bewustmaken. Dit kan door een probleem uit te vergroten of mensen te laten zien wat ze kunnen, de ogen te heropenen. Van negatief naar positief!
Groet, Jesper
namens het Kennislab voor Urbanisme

Hoe betalen profiterende burgers mee aan investeringen in de openbare ruimte?

Door te investeren in De Grift trok gaf de gemeente Apeldoorn een impuls aan het buurtje rond de Beurtvaartstraat  die dat goed kon gebruiken. U leest het in de casebeschrijving in het komende nummer van Water, Wonen & Ruimte. En daar profiteerden de bewoners direct van. Hun huizen werden sneller verkocht en stegen in waarde (of daalden minder hard). ‘De Beurtvaartstraat is van een slordig achterafstraatje verandert in een topstraat’, aldus een bewoner.

Het is een beproefd model: investeer in de openbare ruimte, zie de huizenprijzen stijgen, en profiteer via de OZB. Veel onderzoek wijst erop dat dit model klopt, hoewel een waterdichte relatie lastig te vinden is. Maar het is wel een model dat past bij een tijd waarin er geld is. Noem het hoogconjunctuur, noem het groei.
Kun je het ook omdraaien? Kun je het ook toepassen in tijden van krimp? Of nog letterlijker: waarom betalen de bewoners niet zelf mee aan de Grift (of een vergelijkbare investering). Zij profiteren toch?

De kern van deze vraag draait om de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is. Is de gemeente alleen verantwoordelijk het op peil houden van de openbare ruimte of hoort een investering a la De Grift er op zijn tijd ook bij. Lange tijd was dat het geval. Maar wat als het geld op is? Of er andere keuzes worden gemaakt? Het antwoord is niet gemakkelijk. In veel Angelsaksische landen zie je dat burgers en bedrijven dan de handen in een slaan en zelf investeren in de openbare ruimte. Dat werkt goed op wijkniveau. Het is echter de vraag of een ingewikkeld en grootschalig project als De Grift dan van de grond was gekomen.

Calatrava of voedselmarkt?

Het grootste deel van de bedding van de (omgelegde) Turia rivier in Valencia is niet bebouwd. Het blauw is groen geworden, een park vult de rivier. Op het einde na. Daar heeft Santiago Calatrava de vrije hand gekregen en hij bouwde er de Ciutat de les Arts i les Ciències, de stad van kunsten en wetenschap. Ik kende het gebied van foto’s en was erg benieuwd. En ik weet natuurlijk ook heus wel dat het miljarden heeft gekost en dat dat geld veel beter aan goed onderwijs had kunnen worden besteed. Maar toch, Calatrava fascineert me. De buitenaards aandoende architectuur staat vaak als een fremdkörper in zijn omgeving en in Lissabon, Luik en Malmö vond ik dat prachtig. Ook in Valencia stelt hij niet teleur. De gebouwstructuren zijn vreemd, clean en bijna onaangenaam. Het werken met mozaïek als bekleding is een megalomaan, maar goed idee. Elk object op zichzelf is mooi.  Maar het gaat mis waar het een geheel moet worden, een stad. Dat is het wel, maar niet op een prettige manier. Je voelt je een vuiltje in zijn universum. Je schaamt je dat je geen witte of hemelsblauwe kleding aanhebt. En je verwacht dokter Spock elk moment de hoek om komt racen.

Hoe anders is het in de voedselmarkt van Valencia. Een eeuw geleden gebouwd en nog steeds elke dag in bedrijf. Hier overheersen de verschillen. Alles is er te koop, van kalverkoppen tot gedroogde sinaasappelen. De verschillen overheersen. Net zoals de gebouwen van Calatrava is de markthal ook een indrukwekkend gebouw, met een prachtige lichtkoepel. Ook hier wilde de architect indruk wekken. Maar toch wint de menselijke maat. Niet alleen op de marktvloer, maar ook in de detaillering. Dat maakt de voedselmarkt zo aangenaam.

Calatrava had vast oprecht het idee een nieuwe stad voor de nieuwe mens te bouwen. Een niet zo rare gedachte, want mensen veranderen. Kijk alleen al naar de manier waarop we momenteel verbonden zijn met de rest van de wereld. Maar dat doen we door apparaatjes waarbij we onze geliefden als achtergrondje gebruiken. Mensen houden van de menselijke maat. Daarom werkt de voedselmarkt wel en Calatrava niet. De Ciutat de les Arts i les Ciències deugt van geen kanten, het is ongezond voor een vitale stad, zoals fastfood dat is voor je lichaam. Maar ach, wat is het  af en toe toch lekker.

Elk model is zo sterk als zijn spelers

Elk model is zo sterk of zo zwak als de spelers. Gisteravond speelde PSV een dramatische wedstrijd tegen FC Valencia. Dat ligt niet aan de regels van het voetbalspel. Sterker nog, daar hielden de Brabanders zich keurig aan. Het lag eerder aan de halfzachte manier waarop de spelers er mee omgingen.

Hetzelfde geldt voor het Valenciaans gebiedsontwikkelingsmodel. Een dag lang kregen we uitleg van Demetrio Muñoz Gielen en zijn Spaanse relaties over het model. Dat kan, zeker in de crisis waar wij ons in Nederland in bevinden waarschijnlijk interessante resultaten opleveren. Door heldere spelregels op te stellen, rollen af te bakenen en te verplichten dat er (via een urbaniseerder) wordt geïnvesteerd in de openbare voorzieningen werkte het ruim 15 jaar erg goed in Valencia. De snelheid van gebiedsontwikkeling ging omhoog, de kwaliteit bleef gewaarborgd. Tijdens een rondrit door de stad zagen wij (Elba Media met een groep Nederlandse bedrijventerrein- en stedelijke-vitaliteitsspecialisten) daar mooie voorbeelden van, zoals het parkje op de foto.

Maar je moet er wel bij blijven. Je moet niet opportunistisch worden. Ook het beste systeem, het beste spel, het beste model kan leiden tot hoogmoed. En dat gebeurt in de buurt van de Valenciaanse haven waar meer is gepland dan de markt echt vraagt. En waar de vastgoedcrisis korte metten mee maakt.

Bovendien, je hebt wel alle spelers nodig. Advocaat Francisco Blanc Clavero, een van de bedenkers van het systeem, schetste aan het einde van de dag de crisis door te stellen dat de banken failliet waren in Spanje. ‘Voor het eerst in 500 jaar hebben we hier geen bancair systeem.’ In zo’n land werkt volgens hem geen een gebiedsontwikkelingsmodel. En waarschijnlijk heeft hij groot gelijk.

En bovendien, het model is niet bedoeld om de economie aan de gang te houden, maar gebiedsontwikkeling in goede banen te leiden. Als er niets te ontwikkelen valt, is er geen model nodig.

En tenslotte, soms is een beetje geluk in het spel ook handig. Dat PSV er die avond nog twee in schoot was geheel tegen de verhoudingen in. Maar ze tellen wel.

Waar is de kassa?

Na jaren van extreme groei, kent Spanje nu een periode van grote crisis. Dan valt het allemaal nog wel mee in Nederland. Toch ben ik juist in Valencia met een groep Nederlandse grondbeleidspecialisten aan het kijken naar het zogenaamde Valenciaans model.

De grote vraag die iedereen heeft is waar de kassa staat. Want dat we dingen allemaal anders organiseren is helder. Van groei naar ontwikkeling. Van verkopen naar samenwerken. Van nieuw naar bestaand. Maar die oude modellen waren wel bekend. De prijzen waren soms overdreven, maar het was wel altijd helder waar werd betaald. In de nieuwe modellen zijn de prijzen onbekend, maar komt het ook regelmatig voor dat partijen helemaal niet betalen. Niet omdat ze niet zouden willen, maar vooral omdat ze het niet begrijpen. Alsof je in een kroeg wel telkens bediend wordt, maar je aan het einde van de maaltijd niet weet aan wie je de rekening moet vragen. In de gebiedsontwikkeling anno nu, maar ook in veel andere economieën lijkt dat de vraag. Waar is de kassa?

Inspirerend daarbij is de documentaire die VPRO’s Tegenlicht een paar weken geleden uitzond over Facebook. Een bedrijf dat ook jarenlang zocht naar een verdienmodel. Want hoe veel gebruikers er ook waren, ze betaalden niets. Nu is dat wel gevonden door slimme advertising. Ergens moet er worden betaald. De grote vraag is waar je de geldstromen en stroompjes kunt aftappen. Daar is de kassa.

Carnaval kost Maastricht 114.000 euro – Nou en?

Slimme koppen hebben uitgerekend dat het carnaval in Maastricht de lokale belastingbetalers 114.000 euro kost. Nou en? Al kost het het dubbele! Moeten we dan geen carnaval meer vieren?

Ik ben helemaal geen carnavalsvieder, roep nooit alaaf, hou niet van verkleedkleren en word zenuwachtig van grote groepen lallende mensen. Het is niet mijn cultuur. Maar het is wel de cultuur van miljoenen mensen ten zuiden van de rivieren. Het hoort bij hun leven. Net zoals het bij Maastricht hoort.

In het artikeltje wordt nog een wanhopige poging gedaan tot een kostenbatenanalyse. “Carnaval zorgt voor miljoenenomzetten en is daarmee van belang voor de werkgelegenheid. Carnaval legt de stad economisch geen windeieren. Een aantal jaren geleden is becijferd dat het om miljoenen gaat. En dat geld wordt echt niet alleen in cafés uitgegeven.” Aldus het artikeltje. Nou en? Al levert het helemaal niets op. Want waar hebben we het nou echt over. Over een ton voor een goed feest. Waar duizenden mensen zich heel erg vermaken. Waar ze maanden naar uit zien. Dat hoort bij hun leven. Waarvoor ze speciaal uit het koude Noorden naar het warme Zuiden rijden. Waar ze maanden op kunnen teren (na de kater). Waar ze misschien wel de liefde van hun leven ontmoeten.

Het leven hoeft niet altijd wat op te leveren. De stad ook niet. En wat is het nut van geld als je het niet wil uitgeven? Wie alles in geld uitdrukt, snapt niet wat het wezen van een stad is. Dat is een verzameling mensen die samen wonen, werken en feesten. Dat laat zich niet vangen in een kasboek.

 

Hoe zetten steden soft power in?


In het laatste nummer van Monocle gaat het over soft power. Soft Power is in de jaren negentig van de vorige eeuw gedefinieerd door Joseph Nye en laat zich het beste omschrijven als het vermogen om te bereiken wat je wil door verleiding en verbeelding. Het is alles behalve hard power, de macht die is voorbehouden aan overheden. Wat weer niet wil zeggen dat overheden geen soft power hebben. Juist wel. Monocle geeft juist een ranglijst van de landen die het beste met hun soft power omgaan. De VS staan op één en Nederland staat in de top tien. Die eerste plaats van de VS is opvallend, want ook in hard power scoren ze goed. Hoewel ik de index daar niet van ken, kan dat ook zomaar de eerste plaats zijn.

De redactie van Monocle laat een aantal mooie voorbeelden zien van soft power. De waarde van ‘made in Germany’ en de kracht van familiebedrijven en de uitstraling van de Italiaanse keuken, maar ook het ontbreken van een echt imago bij Canada.

Ook steden hebben soft power. Sterker nog, de soft power van steden is aanzienlijk groter dan de hard power. Die is hooguit beperkt tot de eigen burgers. Maar steden als Amsterdam, Maastricht, Deventer bereiken veel meer met hun soft power. Daarmee trekken ze al die toeristen, daarmee verdienen ze geld en daarmee blijven ze vitaal. Het zou interessant zijn als Monocle naast een landenlijst, ook een stedenlijst maakt. Hoe verhoudt zich de soft power van New York ten opzichte van bijvoorbeeld een land als België?

De kunst is om soft power zo te gebruiken dat je er beter van wordt. Een land als Canada is dat blijkbaar een beetje kwijt. Conclusie van dat verhaal: er worden geen keuzes gemaakt. Canada was altijd de milieubewuste versie van de VS, maar stappen nu wel uit Kyoto. Dat verzwakt de soft power. Ook steden maken die fout. Wie soft power wil gebruiken moet blijkbaar harde keuzes maken. De vraag is hoe je dat doet.

Think global, finance local

In tijden van crisis is het verleidelijk om het systeem de schuld te geven. Dat is de reden waarom er momenteel zoveel verhalen verschijnen over de zogenaamde nieuwe economie die er aan komt. Ook in de vorige  crisissen was dat het geval, met het communisme als een van de meest concrete gevolgen.

In december sprak ik Indy Johar. Indy is de bedenker van de Hubs, de incubator 2.0 die zijn oorsprong vindt in Londen en nu Europa verovert. Volgens Johar is de huidige crisis de erfenis van de oude economie en is de economie van de 21e-eeuw lokaal én wereldwijd tegelijkertijd. Hij ziet een peer-to-peer-economy voor zich, zoals het gildesysteem dat ooit was, maar dan sterk verbonden met de wereld via social media. Boeiende gedachte, vooral omdat hij de financiering heel lokaal organiseert. Juist nu de banken afhaken, de rijksoverheid geen geld meer heeft, is dat zinvol en moet het geld wel lokaal worden gevonden. Zo raar is dat overigens niet, eeuwenlang was bankieren vooral een lokale aangelegenheid (hoewel de familie De Medici al in de 15e eeuw een global bank oprichtte) die was gebaseerd op vertrouwen, maar onvermijdelijk ook veel willekeur kende.

Een modernere vorm van lokaal financieren is te vinden in Silicon Valley. Veel van de business angles en venture capitalists zijn zelf ook gevestigd in de bay area (veel zelfs aan één straat, Sand Hill Road, vlakbij Stanford University). De venture capitalists zijn in feite de ouderwetse bankiers in een nieuw jasje.

We kunnen nog een stap verder gaan. Lokale problemen kennen vrijwel altijd ook lokale belanghebbenden, zowel in negatieve als positieve zin. En als het geld niet meer op de traditionele top down manier komt, moet het bottom up of van de zijkanten komen. Vanuit die lokale belanghebbenden, vanuit de lokale gemeenschap. Daarmee wordt de rol van de gemeente enorm belangrijk. Want de gemeente, zeker de middelgrote, weten wat er lokaal speelt en zijn in staat om lokale belanghebbenden te verbinden.

Dat vergt een sterke kennis van de lokale maatschappij, van de spelers en van het spel. Van belangen en tegenstellingen. In het komende nummer van Bedrijventerrein gaat het zowel over het beleid voor komende jaren als over de bedrijvencontactfunctionaris. Bij lokale financiering zit een link tussen de twee. Gemeenten hebben daarvoor oren en ogen in de gemeenschap nodig. Willen gemeenten vitaal blijven, dan moeten ze zorgen dat geld komt waar het nodig is. Maar hoe gemeenten dit het best kunnen organiseren is lastig. Intern leidt als snel tot politiek gedoe. Extern is wellicht niet onafhankelijk genoeg. De gemeente echter die dit in de vingers krijgt, is klaar voor de nieuwe economie. Hoe die er ook uit ziet.

Oeuvreprijs voor Busquets is geheel terecht


In het komende nummer van Stedelijk Interieur staat een interview met Joan Busquets. De Spaanse architect en stedebouwkundige werd wereldberoemd door zijn ingrepen in Barcelona. Zijn visie op de stad en de rol van de openbare ruimte daarin heeft die stad veel goeds gebracht. Zijn ontwerpen zijn fantastisch. Terecht dus dat hij de Erasmusprijs won. Tegelijkertijd ben ik teleurgesteld op zijn visie op de stad van de toekomst, zoals die te lezen is het komende nummer van Stedelijk Interieur. Nog steeds gaat lijkt Busquets uit te gaan van de maakbare samenleving, die gebouwd wordt door stedebouwkundigen. Eens een stenenman, altijd een stenenman. En hoewel Busquets wel iets zegt over de nieuwe opgaven van de stad, hij denkt bijvoorbeeld dat thuiswerken belangrijker wordt en nieuwbouw niet meer de norm is. Heel visionair is het niet. Heel concreet overigens ook niet. Terecht dus dat hij deze prijs won. Om zijn oeuvre te eren. Maar of hij ook de man is met de oplossingen voor de komende decennia is zeer de vraag.

Nieuwe stedebouw = Boxpark
Die mannen en vrouwen zijn veel eerder te vinden in steden als Londen en Birmingham. De discussies die ze voeren hebben in eerste instantie niets te maken met de inrichting van de openbare ruimte, maar alleen maar met het gebruik van de stad. In Oost-Londen, vlakbij overgroundstation Shoreditch is begin december Boxpark geopend, een winkelcentrum voor exclusieve shops opgetrokken uit zeecontainers. Het gebied erom heen is al een aantal jaar in opkomst. Kunstenaars, galerieën, half legale feesten, u kent het wel (of kunt er zich een beeld bij vormen). Voor het arme Oost-Londen is het een belangrijke impuls. Die impuls is door Boxpark een stukje geprofessionaliseerd. De ondernemers in de zeecontainers verkopen hippe kleding, hapjes of koptelefoons. Ook Amnesty International zit in een container (tegen een lage huur). Samen is het een miniwinkelcentrum dat er – uiteraard – ook nog eens heel hip uitziet.

De ondernemers die ik er sprak, waren stuk voor stuk enthousiast over de kansen om samen te werken met de kunstenaars om de hoek. Dat ze goedkoop huurden en dat het er kek uitzag, was leuk meegenomen. Maar de businesskansen waren veel interessanter dan dat. Hier gingen zij hun eigen stuk Londen bouwen. De moderne stedebouwer begint hier. Bij deze ondernemers. Bij deze mensen. Die zich deel voelen van de stad waarin ze wonen en werken. Die die stad willen benutten en bouwen. De fysieke planologie kan voorlopig op een laag pitje, stedebouw is weer een sociaal vak geworden.

Kennisvraag: ‘Hoe privatiseren we stedelijke vitaliteit?’

De vraag waar de zeven studenten zich in het Kennislab voor Urbanisme over buigen is: ‘Hoe privatiseren we stedelijke vitaliteit?’ Of, meer precies (in de woorden van de studenten zelf en dus een stuk smarter): ‘Het ontwikkelen van één of meer tools voor het privatiseren van de stedelijke vitaliteit, die toetsbaar zijn in Amersfoort en die in de praktijk van de G32-steden zijn toe te passen.’

In Delft ligt het Agnetapark, het oudste tuindorp van Nederland. Het is in 1884 opgericht door Jacques van Marken, directeur van de nabijgelegen Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek. Industriëlen die de stedelijke vitaliteit bevorderden. Het gebeurde meer in die dagen. Tot een generatie of twee geleden was stedelijke vitaliteit een verantwoordelijkheid van de maatschappij als geheel. De overheid deed wel iets, maar de buurt, de kerk, de school en de verenigingen waren net zo belangrijk. En als die instituties het niet regelden, regelden mensen het zelf. De maatschappij, dat waren zij.
Pas in de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat ging de overheid zich er mee bezighouden. Niet alleen had de overheid de overtuiging dat stedelijke vitaliteit haar verantwoordelijkheid was, ze had ook de middelen om die verantwoordelijkheid in te vullen.

Rooilijn als verdienmodel
In Nederland is de democratie uitgevonden in de 17e-eeuwse steden. Het doel was vooral om het eigen belang te dienen via het algemeen belang. Zo werd de Herengracht in Amsterdam gebouwd volgens strenge richtlijnen omdat dit leidde tot vestiging van welgestelde stedelingen – en daar had iedereen voordeel van. En die overheid, dat waren de mensen zelf. Geestelijken, adelijken en burgers: allemaal direct belanghebbenden. Eigenlijk was het bestuur van de stad te vergelijken met een Business Improvement District (BID) uit bijvoorbeeld Engeland of Canada. Het gemeentebestuur en de gemeenschap stonden vrij dicht bij elkaar. Nou ja, als je iemand was natuurlijk, want lang niet iedereen had invloed.

Terug naar de 17e eeuw
De tijd dat de overheid alles regelt is voorbij. Overheden hebben niet alleen minder middelen om burgers van wieg tot graf te bedienen, ze vragen zich ook steeds vaker openlijk af of dat wel moeten. Moeten overheden buurthuizen in hun bezit hebben? Kunnen verenigingen niet zelf iets huren? Waarom moet een overheid wel een zwembad bouwen, maar blijkt de ijsbaan er te komen zonder overheidsbemoeienis? Zijn bedrijven niet veel beter in staat om duurzaam openbaar vervoer te organiseren dan overheden? Met andere woorden: is stedelijke vitaliteit wel een overheidstaak? Of moeten we terug naar vroeger tijden waarin iedereen daaraan bijdroeg? Moeten we stedelijke vitaliteit niet privatiseren en/of aan particulieren overdragen? En vooral: hoe gaan we dat doen? En precies dat laatste is de vraag de in het Kennislab voor Urbanisme concreet wordt gemaakt.